Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/346
346 Ander bewijs; aspecten bij de beoordeling van ander bewijs
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455873:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 26 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6535, Prg. 2011, 270. Zie ook Rb. Haarlem 21 januari 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BI2287 (het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor zag op andere feiten (de voorgeschiedenis), terwijl de zaken waarop ex art. 1019c Rv beslag was gelegd daaromtrent naar verwachting geen informatie bevatten).
Als ander onderzoek nog niet is afgerond (dus het andere bewijs nog niet voorhanden is), kan het indienen van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor zonder de resultaten van het lopende onderzoek af te wachten in strijd met de goede procesorde zijn (zie par. 9.5.4).
Hof ’s-Gravenhage 28 oktober 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AR6689, NJF 2004, 587; Hof ’s- Gravenhage 6 november 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2048; Rb. Utrecht 25 november 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4457. Zie ook Rb. Amsterdam 17 september 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ7905, JBPr 2009, 11, m.nt. D.F. de Lange, JOR 2009, 284, m.nt. M. Brink en RF 2010, 7, in welke zaak al meerdere informatiebronnen beschikbaar waren en later nog meer informatie uit aanverwante procedures in België, parlementair onderzoek en een enquête van de Ondernemingskamer voorhanden zou komen.
Hof ’s-Gravenhage 6 november 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2048 (anders de rechtbank: Rb. ’s- Gravenhage 23 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV1543. De rechtbank oordeelde dat al voldoende rapporten voorhanden waren aan de hand waarvan de verzoekers in staat moesten worden geacht hun proceskansen te kunnen inschatten).
Hof ’s-Gravenhage 28 oktober 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AR6689, NJF 2004, 587.
Het al voorhanden zijn van (ander) bewijs, zoals een deskundigenrapport, een verslag van een parlementaire enquête of een proces-verbaal opgesteld door de politie, is geen factor die meeweegt in het nadeel van de verzoeker als het voorlopig getuigenverhoor ziet op andere feiten dan de feiten waarop het andere bewijs ziet.1 Het voorhanden zijn van ander bewijs kan wel een factor in de belangenafweging worden als dat andere bewijs dezelfde feiten betreft als de verzoeker in het voorlopig getuigenverhoor wil onderzoeken.2
Daarbij is ten eerste relevant of de verzoeker met de getuigenverklaringen steun zoekt voor het reeds bestaande andere bewijs, dan wel dat de verzoeker het andere bewijs beoogt te ontkrachten met de getuigenverklaringen. Als de verzoeker met de getuigenverklaringen steun zoekt voor bestaand schriftelijk bewijs, is dat eerder een zwakke factor aan de zijde van de verzoeker; als de verzoeker met de getuigenverklaringen juist bestaand schriftelijk bewijsmateriaal beoogt te ontkrachten, is dat eerder een sterke factor aan de zijde van de verzoeker.
Ten tweede is van belang of de verzoeker partij was bij de andere ingezette middelen om bewijs te verkrijgen en of hij invloed kon uitoefenen bij het verzamelen van het bewijs (bijvoorbeeld: had de verzoeker inbreng bij het formuleren van het probandum of beschikte hij over het onderzoeksmateriaal (zoals de verslagen van gesprekken met geïnterviewde personen of gehoorde getuigen) dat ten grondslag ligt aan onderzoeksrapporten).3
Ten derde is het doel waarmee het andere bewijs is verzameld van betekenis. Als het andere bewijs (de andere informatie) is verzameld ten behoeve van een civiele procedure kan de verweerder een sterker argument voor afwijzing van het voorlopig getuigenverhoor toekomen dan wanneer het bewijs is verzameld met een ander doel, zoals bijvoorbeeld een strafzaak of een intern bedrijfsonderzoek. Zo oordeelde het hof in de zaak van Tristan van der V. dat de diverse bestaande rapporten geen van alle tot doel hadden de civielrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen4 en in de zaak van Nuhanovic over Srebrenica dat geen van de onderzoeken had plaatsgevonden in het kader van een civiele procedure (de andere onderzoeken zagen niet “op de specifieke situatie van Nuhanovic of op de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens Nuhanovic”).5