Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.5.1
2.5.1 Nominalistisch stelsel
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630506:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Winst wordt ook wel gedefinieerd als het verschil tussen het eind- en het beginvermogen van de onderneming plus de onttrekkingen en minus de kapitaalstortingen. Het voorgaande impliceert dat de fiscale winst wordt bepaald door middel van een vermogensvergelijking. Dit is niet volledig, omdat niet elke vermogenstoename winst is (vergelijk het manegearrest, HR 10 maart 1999, nr. 33 575, BNB 1999/208).
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB 1964 kwam de vraag op of het totaalwinstbeginsel onder de Wet IB 1964 wezenlijk verschilt van de daarvoor geldende bepaling. De staatssecretaris was van mening dat dit niet het geval was, en dat nog steeds sprake was van een nominalistisch stelsel. Kamerstukken II, 1962/1963, 5380, nr. 19, pagina 29.
Zie ook Hof 's-Gravenhage opgenomen in HR 1 december 1982, nr. 20 898, BNB 1983/131BNB 1983/131:’ Het Hof overwoog:‘Aan de belanghebbende kan worden toegegeven dat in perioden van inflatie en daarmede samenhangende hoge rente, in deze rente mede een vergoeding aanwezig geacht kan worden voor de koopkrachtdaling van de geleende hoofdsommen. Het systeem van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 Wet op de inkomstenbelasting 1964 brengt echter mee dat het niet is toegestaan het gedeelte van de ontvangen rente dat als vergoeding voor deze koopkrachtdaling kan worden beschouwd, bij de belastingheffing buiten aanmerking te laten.’
Rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak van 26 mei 2016, nr. AWB-15-5196, V.N. 2016/1413 geoordeeld dat belanghebbende geen inflatiecorrectie kan toepassen op de ontvangen rente.
Volledigheidshalve merk ik op dat in het kader van goed koopmansgebruik wel onder specifieke omstandigheden substantialistischestelsels worden geaccepteerd (bijvoorbeeld het ijzerenvoorraadstelsel).
Een belangrijk basisbeginsel is dat de fiscale totaalwinstberekening nominalistisch is. Het nominalistische stelsel – ook wel het euro-is-euro beginsel genoemd – houdt in dat bij de winstberekening geen rekening wordt gehouden met het meer of minder waard worden van geld. Het inflatieresultaat wordt derhalve ook in de belastingheffing betrokken.1 Het euro-is-euro stelsel is al sinds decennia van toepassing bij de fiscale winstbepaling en komt erop neer dat de winst in haar totaliteit het verschil is tussen de opbrengt en de historische uitgaaf.2 De Hoge Raad heeft deze leer onder andere in HR 15 september 1954, nr. 11 951, BNB 1954/304 bevestigd.34
In de literatuur is het nominalistische stelsel veelvuldig becommentarieerd. In het rapport van de Commissie Hofstra staan diverse voorstellen om te komen tot een integrale inflatieneutrale belasting. De voorstellen uit het rapport Hofstra zijn grotendeels niet tot uitvoer gebracht. In zowel de inkomsten- als de vennootschapsbelasting wordt echter wel rekening gehouden met inflatie via de indexering van bepaalde geldbedragen, zoals de jaarlijkse aanpassing van de tariefschijven in de inkomstenbelasting in box 1. Vanuit een theoretisch oogpunt moet mijns inziens de winst worden gecorrigeerd voor inflatie en is het nominalistische stelsel niet juist. De winst die wordt veroorzaakt door een prijsstijging is immers niet voor consumptie beschikbaar, maar moet worden gebruikt om het vermogen in reële termen (substantialistisch) in stand te houden.5