Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/6.2.3.2
6.2.3.2 Substantially similar claims
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192600:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
§1123(a)(4) BC. De tekst van de bepaling biedt de ruimte voor ongelijke behandeling in die gevallen waarin een individuele vermogensverschaffer zelf instemt met een minder gunstige behandeling ten opzichte van zijn klassegenoten.
Op dit punt wordt aangesloten bij het recht dat gold onder de Bankruptcy Code, de Bankruptcy Act. Zie daarover uitgebreid: Markell 1995, p. 5-15; Norton Bankruptcy Law & Practice 2019, §109.1; Norberg 1995, p. 126-137; Norton Bankruptcy Law & Practice 2019, §109:1.
In re Johnston 21 F.3d 323 (9th Cir. 1994), p. 327.
Norton, §10.43; Homer Drake & Strickland 2019, §12.28; “This section codifies current case law surrounding the classification of claims and equity securities. It requires classification based on the nature of the claims or interests classified, and permits inclusion of claims or interests in a particular class only if the claim or interest being included is substantially similar to the other claims or interests of the class.” Zie H.R. REP. No. 595, 95th Cong., 1st Sess. 406 (1977) en Senate Report no. 95-989.
Vgl. Norberg 1995, voetnoot 1. Ook achterstellingen en de aard van het onderpand zijn van belang: Homer Drake & Strickland 2019, §12:28.
In re Martin’s Point Ltd. Partnership, 12 B.R. 721 (Bankr. N.D. Ga. 1981), p. 726.
Homer Drake & Strickland 2019,§12.28.
Zie bijvoorbeeld In re Commercial Western Finance Corp 761 F.2d 1329 (1985), p. 1338.
In re Richard Buick, 126 B.R. 840, p. 853: “In light of the terms of §1122(a), many courts have concluded that secured creditors may not be classified together when they have liens in different property, or possess liens of different priority in the same property, since their respective legal rights are not substantially similar”. Vgl. ook Salerno, Hansen & Meyer 2019, §10.49.
Warren 2008, p. 148; Klee 1979, p. 150-151; Salerno, Hansen & Meyer 2019, §10.49.
In re Martin’s Point Ltd. Partnership, 12 B.R. 721 (Bankr. N.D. Ga. 1981), p. 725-726. Zie ook Klee 1979, p. 151; Salerno, Hansen & Meyer 2019, §10.49.
Vgl. voor deze in Engeland bestaande vrees: §6.2.2.6 en 6.2.2.6.
Baird 2014, p. 251.
314. Binnen een klasse dienen alle vermogensverschaffers gelijk te worden behandeld.1 Ten aanzien van de klassenindeling schrijft §1122(a) Bankruptcy Code (‘BC’) de volgende maatstaf voor:
“[A] plan may place a claim or an interest in a particular class only if such claim or interest is substantially similar to the other claims or interests of such class.”
Over het algemeen wordt aangenomen dat de ‘legal nature’ van de vordering of het aandeel bepalend is voor de klassenindeling.2 De rechter kijkt naar “the kind, species, or character, of each category of claims”,3 en dus niet naar de identiteit van de vermogensverschaffer of de omvang van de vordering.4 De aard van een vordering wordt voornamelijk bepaald door de daaraan verbonden rang.5 De vorderingen of belangen binnen een klasse hoeven niet in alle opzichten homogeen te zijn: zij moeten wel ‘substantially similar’ zijn.6
Vorderingen of aandelenbelangen die niet ‘substantially similar’ zijn, mogen dus niét in dezelfde klasse worden geplaatst. In een standaard Chapter 11-plan zullen in de meeste gevallen minstens vier klassen worden onderscheiden, te weten i) de klasse met preferente vorderingen, ii) de klasse vorderingen die gedekt zijn door zekerheden, iii) concurrente vorderingen en iv) aandelen.7 Schuldeisers met zekerheden op verschillende goederen worden in verschillende klassen geplaatst.8 Ook de schuldeiser met een eersterangs zekerheidsrecht en de schuldeiser die op datzelfde goed een tweederangs zekerheidsrecht heeft, horen in verschillende klassen thuis.9 Naar Amerikaans recht vormt elke individuele zekerheidsgerechtigde een aparte klasse.10 Dat is slechts anders indien sprake is van gemeenschappelijke zekerheidsrechten, en de schuldeisers dus op basis van hun zekerheidsrecht aanspraak maken op dezelfde activa.11
In een Chapter 11-proces bestaat – anders dan bij de scheme of arrangement – geen vrees dat de vorming van een nieuwe of extra klasse feitelijk tot toekenning van een vetorecht leidt.12 Het Amerikaanse recht kent immers wél een cross class cram down-mogelijkheid. Om een tegenstemmende klasse te kunnen binden aan het plan, dient de aanbieder van het akkoord de rechter ervan te overtuigen dat het plan voldoet aan de ‘fair and equitable’-standaard van §1129(b) BC. Dit vereiste komt uitgebreid aan bod in §9.6.3. Op deze plaats volstaat de constatering dat toepassing van die toets geen sinecure is en met veel kosten en moeite gepaard gaat. Voor de aanbieder bestaat dan ook een prikkel om in elke klasse de vereiste meerderheid te realiseren. Op die manier kan de exercitie van §1129(b) BC worden voorkomen. Hoe groter het aantal klassen, hoe groter het risico dat de aanbieder dient aan te tonen dat het plan voldoet aan de ‘fair and equitable’-toets. Daarnaast geldt: hoe kleiner elke klasse, hoe groter de invloed van individuele weigerachtige vermogensverschaffers.13