Billijkheidsuitzonderingen
Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/3.6:3.6 Conclusie: constitutionele eisen aan billijkheidsuitzonderingen (en corrigerende interpretatie)
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/3.6
3.6 Conclusie: constitutionele eisen aan billijkheidsuitzonderingen (en corrigerende interpretatie)
Documentgegevens:
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS361966:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het constitutionele recht volgt dat een wettelijk voorschrift dat naar zijn bewoordingen voor een concreet geval geldt, in beginsel dient te worden toegepast, om te voorkomen dat wetgeving haar waarde verliest. Het is niet aan de rechter om dat te bewerkstelligen.
De beperkingen aan het in een individueel geval buiten toepassing laten van de formele wet zijn het strengst. In Harmonisatiewet oordeelde de Hoge Raad dat artikel 120 Gw toetsing van de wet aan fundamentele rechtsbeginselen verbiedt. Er is volgens dit arrest gecombineerd met Zorgverzekeringswet echter wel ruimte om de wet in een individueel geval op grond van fundamentele of algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht buiten toepassing te laten vanwege door de wetgever niet-verdisconteerde omstandigheden; aldus, voor billijkheidsuitzonderingen. Door de eis van de niet-verdisconteerde omstandigheden voorkomt de Hoge Raad dat de rechter de geldigheid van de wet beoordeelt. De uitzonderingen zijn volgens de Hoge Raad toegestaan als de niet-verdisconteerde omstandigheden strikte wetstoepassing zozeer in strijd doen zijn met fundamentele of algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat toepassing achterwege moet blijven.
Of de omstandigheden van een geval zijn verdisconteerd, moet op basis van de wetsgeschiedenis worden beoordeeld. Leidend moet zijn dat de rechter niet op de stoel van de wetgever mag gaan zitten, zo werd geïllustreerd aan de hand van verschillende scenario’s. Hoe de omstandigheden waarvan wordt beoordeeld of ze zijn verdisconteerd worden afgebakend, is bepalend voor het oordeel daarover. Hoe specifieker de omstandigheden worden opgevat, des te minder waarschijnlijk het is dat de wet ervoor is geschreven, en hoe meer ruimte er dus is voor een uitzondering. Hoe actueler een voorschrift is – dat wil zeggen, hoe recenter het is opgesteld, en hoe minder de maatschappelijke omstandigheden en opvattingen ten aanzien van zijn onderwerp zijn gewijzigd – des te kleiner de kans is dat er niet-verdisconteerde omstandigheden kunnen worden vastgesteld.
De voorwaarde van niet-verdisconteerde omstandigheden geldt ook voor wettelijke uitzonderingen op de formele wet, zo volgt uit het Zorgverzekeringswetarrest, andere jurisprudentie en de vergelijkbaarheid van dergelijke uitzonderingen met ongeschreven uitzonderingen.
Door het buiten toepassing laten van lagere wetgeving mag volgens de jurisprudentie wél de geldigheid van een voorschrift worden beoordeeld, namelijk bij toetsing aan een fundamenteel of algemeen rechtsbeginsel. Gelet op artikel 11 Wet AB moet de rechter daarbij wel terughoudendheid betrachten. In dergelijke gevallen is echter geen sprake van een billijkheidsuitzondering. Die wordt gemaakt als lagere wetgeving vanwege niet-verdisconteerde omstandigheden in een individueel geval buiten toepassing wordt gelaten. Daarbij is minder terughoudendheid vereist, zolang de rechter dergelijke beslissingen maar beperkt tot uitzonderingsgevallen. Verder behoren uitzonderingen op lagere wetgeving slechts te worden gemaakt als strikte toepassing van een voorschrift zozeer in strijd is met fundamentele of algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat toepassing achterwege moet blijven. Dat er niet-verdisconteerde omstandigheden zijn is bij het buiten toepassing laten van lagere wetgeving van beperkter belang dan bij formele wetgeving. Waar formele wetgeving immers alléén buiten toepassing mag worden gelaten vanwege niet-verdisconteerde omstandigheden, mogen lagere wettelijke voorschriften dat ook bij reeds verdisconteerde omstandigheden. Bij wettelijke uitzonderingen op lagere wetgeving (zoals krachtens art. 6:2 lid 2 BW) blijft de strekking van artikel 11 Wet AB dezelfde (parallel aan wat werd overwogen over artikel 120 Gw). Het staat ook dan niet in de weg aan rechterlijke doorkruising van het oordeel van de wetgever, maar vergt hierbij wel terughoudendheid; bij billijkheidsuitzonderingen is die minder belangrijk.
Volgens artikel 94 Gw heeft de rechter de bevoegdheid en de plicht om wettelijke voorschriften buiten toepassing te laten als toepassing onverenigbaar zou zijn met een eenieder verbindende verdragsbepaling. Hieraan is inherent dat de rechter in sommige gevallen het oordeel van de wetgever over verenigbaarheid van (toepassing van) het wettelijke voorschrift met een verdragsbepaling doorkruist. De grondwetgever heeft dit geaccepteerd. In die zin dwingt artikel 94 Gw de rechter dus niet tot een terughoudende opstelling ten opzichte van de wetgever. Buiten toepassing laten krachtens artikel 94 Gw is een billijkheidsuitzondering als de geldigheid van het voorschrift niet wordt aangetast.
De rechter kan door interpretatie even zeer als door uitzonderingen evident onbillijke beslissingen veroorzaakt door strikte toepassing van wetgeving voorkomen. Ook voor interpretatie gelden constitutionele beperkingen. Voorop staat dat gekunstelde interpretaties dienen te worden voorkomen. In plaats van voor een gekunstelde corrigerende interpretatie kan beter worden gekozen voor een uitzondering. Ook interpretaties die niet in lijn zijn met de bedoeling van de wetgever zijn in beginsel onwenselijk. Als alléén een gekunstelde interpretatie overeenstemt met die bedoeling, kan dat in uitzonderlijke gevallen reden zijn om gekunsteldheid te aanvaarden. Voor corrigerende interpretatie gelden dezelfde constitutionele voorwaarden als voor uitzonderingen.
Nu in dit hoofdstuk de staatsrechtelijke eisen aan billijkheidsuitzonderingen (en corrigerende interpretatie) zijn geschetst, kan in de volgende hoofdstukken worden bezien wanneer rechters in de verschillende rechtsgebieden uitzonderingen maken.