Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/I.4
I.4 Reikwijdte en afbakening van het onderzoek
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598613:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover bijv. Corstens 1995; Knigge 2000; Rogier 2001; Hartmann 2011; Schlössels 2011; Michiels 2013; Rogier 2014.
Enerzijds doordat die procedure een criminal charge in de zin van art. 6 EVRM/14 IVBPR behelst en het verdragsrecht op het vermoeden van onschuld dus van toepassing is in dergelijke procedures, zie daarover in bestuursrechtelijke context Albers 2004. Anderzijds ook doordat in de niet-strafrechtelijke procedure over de schuld in strafrechtelijke zin niet altijd vrijelijk een oordeel kan worden geveld, omdat dat de onschuldpresumptie in de strafzaak aantast, zie daarover in tuchtrechtelijke context Ölcer 2016, i.h.b. p. 518-519 en in het kader van de Wet Bibob Van der Vorm 2016, p. 215 e.v.
Zie met verdere verwijzingen zo ook De Hullu 2015, p. 34.
Stuckenberg 1998, p. 46-414.
Henrion 2006 schreef een uiterst grondig en knap boek over de onschuldpresumptie, maar daarin komen consequenties voor het bewijs in strafzaken nauwelijks aan de orde. Dat laat zich grotendeels verklaren doordat hij in zijn boek alleen Frankrijk en Duitsland vergeleek. Omdat aldaar de onschuldpresumptie vooral betekenis heeft gekregen in het vooronderzoek, lijkt die constatering me voor die landen juist en weinig verrassend, maar zijn algemene conclusies over de betekenis van de onschuldpresumptie op grond daarvan niet goed mogelijk. Het onderzoek van Stumer 2010 leidt aan een soortgelijk gebrek, maar in spiegelbeeld. Hij betrok in zijn studie veel internationale literatuur en rechtspraak, maar steeds uit landen met dezelfde common lawachtergrond (in zijn geval het V.K., de V.S., Canada, Australië, Ierland, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika).
Zie § IV.2.
Daarbij valt te denken aan de aan de zittingsrechter gerichte normen de schuld van de verdachte niet als zijn cognitief vertrekpunt te nemen en bij twijfel vrij te spreken. Zie ten aanzien van laatstgenoemde Van Sliedregt 2009, p. 32.
Uit de probleemstelling en hoofdvraag volgt reeds voor een belangrijk deel wat in dit boek aan de orde komt: de inhoud van de onschuldpresumptie en de juridische werking daarvan binnen de Nederlandse strafrechtspleging. In dat onderzoeksobject liggen enkele belangrijke beperkingen besloten.
Dit onderzoek is gericht op de strafrechtspleging. Daaronder versta ik de organisatie van opsporing, vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van strafbare feiten zoals geregeld in het Wetboek van Strafvordering en bijzondere, aanverwante wet- en regelgeving. Deze studie gaat derhalve primair over het klassieke strafrecht en dus niet over ander punitief recht. Dat is niet zonder meer een vanzelfsprekende keuze. Vooral de grenzen tussen bestuurs- en strafrecht zijn in belangrijke mate vervaagd.1 Juist voor dat bestuursrecht, maar eventueel ook voor tuchtrechtelijke en civielrechtelijke procedures kan de onschuldpresumptie bovendien van wezenlijk belang zijn.2 Waar dat in het bijzonder het geval is, zal ik dat aanstippen. Ter vergelijking of verklaring zullen opmerkingen over die rechtsgebieden niet worden geschuwd. Het voorwerp van onderzoek is niettemin straf(proces)recht. Daarvoor is de onschuldpresumptie ook het meest urgent. Graduele verschillen tussen de rechtsgebieden bestaan nog steeds. Daarbij zijn grosso modo de overtredingen van de strafwet ernstiger, draagt een strafrechtelijke veroordeling meer morele lading, dreigen zwaardere sancties en worden ter opheldering van strafbare feiten dwangmiddelen ingezet die dieper ingrijpen in de rechten en vrijheden van de betrokkene.3 De doordenking van de consequenties van het vermoeden van onschuld voor ander punitief recht dan strafrecht, vergt daarom een andere weging van argumenten en belangen. Dat geldt zeker wanneer – zoals in dit boek – de minimumnormen van de mensenrechtenverdragen niet het enige referentiekader vormen. De omvang van dit boek laat een uitgebreide bespreking van ander punitief recht dan ook niet toe, maar het biedt wel allerlei aanknopingspunten om de werking van het vermoeden van onschuld in andere rechtsgebieden nader te doordenken.
Ten tweede staat de werking van de onschuldpresumptie voor Nederland centraal. Uitvoerig extern rechtsvergelijkend onderzoek blijft derhalve achterwege. Voor grootschalig rechtsvergelijkend onderzoek verwijs ik naar de studie van Stuckenberg, die maar liefst vijftien landen vergeleek.4 Door de grote historisch gegroeide verschillen in begrip van de onschuldpresumptie in diverse landen, zou een uitgebreide verhandeling over één ander rechtsstelsel het onderzoek juist eenzijdiger maken.5 Doordat de onschuldpresumptie anderzijds zoveel verschillende facetten van het strafprocesrecht bestrijkt en de fundamenten van de inrichting van het strafproces raakt, zou bestudering van veel rechtsstelsels kunnen leiden tot platitude. Daarom gaf ik er de voorkeur aan uitvoerig kennis te nemen van buitenlandse rechtsbronnen over de onschuldpresumptie en daaruit te putten wanneer een dergelijke excursie voor het object van dit onderzoek waardevolle inzichten te bieden heeft.
Tot slot wijs ik erop dat louter de juridische werking van het onschuldvermoeden is onderzocht. Hiervoor kwam al kort aan bod dat de onschuldpresumptie naast een juridische, ook vaak een zekere niet-juridische (maar psychologische, retorische of organisatieculturele) functie wordt toegedicht. Ondanks de hedendaagse populariteit van interdisciplinair onderzoek, heeft deze studie toch geen empirische component. De reden daarvoor is drieledig. Zoals nog zal blijken is de onschuldpresumptie naar aard, achtergrond en historie primair een juridisch fenomeen. De samenhang tussen de cognitieve gedachtewereld van deelnemers aan de strafrechtspleging en dat juridisch vermoeden van onschuld is beperkter dan deze op het eerste gezicht lijkt. Zo als hierna nog uitvoerig te bespreken, verplicht geen rechtsregel een politieman, officier van justitie of strafrechter daadwerkelijk te denken dat de verdachte onschuldig is.6 De juridische onschuldpresumptie heeft weliswaar functies waarvan de werking zich moeilijk laat nagaan, maar dat geldt voor veel juridische normen.7 Of zij in de strafrechtspraktijk de functies die ze worden toegedicht daadwerkelijk op succesvolle wijze vervullen, vergt afzonderlijk en uitvoerig rechtssociologisch en/of criminologisch onderzoek. Daarvoor ontbreekt de tijd en ruimte in een boek dat tevens de juridische betekenis op diepgaande wijze beoogt bloot te leggen.