HR 25 mei 2007, LJN BA3017, NJ 2008, 463 rov. 3.4.3.
HR, 09-09-2011, nr. 10/03493
ECLI:NL:HR:2011:BQ5101
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-09-2011
- Zaaknummer
10/03493
- Conclusie
Mr. J. Spier
- LJN
BQ5101
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BQ5101, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑09‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ5101
ECLI:NL:PHR:2011:BQ5101, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑05‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ5101
- Wetingang
art. 658 Burgerlijk Wetboek Boek 7
- Vindplaatsen
AR-Updates.nl 2011-0729
VAAN-AR-Updates.nl 2011-0729
Uitspraak 09‑09‑2011
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. Arbeidsrecht, werkgeversaansprakelijkheid.
9 september 2011
Eerste Kamer
10/03493
TT/RA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. N.T. Dempsey.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 453161\CV EXPL 06-4302 van de rechtbank Arnhem van 6 juli 2007 en 11 juli 2008;
b. het arrest in de zaak 200.016.534 van het gerechtshof te Arnhem van 4 mei 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat. Voor [verweerster] is de zaak toegelicht door haar advocaat en mr. W.M. van Tellingen, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 385,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 september 2011.
Conclusie 13‑05‑2011
Mr. J. Spier
Partij(en)
Verkorte conclusie inzake
[Eiser]
(hierna: [eiser])
tegen
[Verweerster]
(hierna: [verweerster])
1.
Deze procedure strekt ertoe de aansprakelijkheid van [verweerster] te doen vaststellen voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden ter zake van twee arbeidsongevallen.
2.
De vordering is door de Kantonrechter Nijmegen afgewezen. Zijn vonnis is in het thans (tijdig) bestreden arrest bekrachtigd.
3.
's Hofs oordeel nopens het eerste ongeval komt er op neer dat veronderstellenderwijs uitgaande van de lezing van [eiser] sprake is van een zodanig buiten het normale verwachtingspatroon liggend handelen (ongeval) dat de werkgever daarmee geen rekening behoefde te houden. Aldus brengt het Hof tot uitdrukking dat de werkgever geen maatregelen behoefde te treffen met het oog op voorkoming van dergelijk handelen.
4.1
Dat 's Hofs oordeel moet worden verstaan als vermeld onder 3 blijkt voldoende duidelijk uit rov. 3.8, gelezen in samenhang met rov. 3.6 waar rov. 3.8 naar verwijst. Het Hof bekeert zich in rov. 3.8 tot het in rov. 3.6 samengevatte oordeel van de Kantonrechter. Dat laatste komt er, in 's Hofs weergave, op neer dat de wijze waarop [eiser] stelt te hebben gereageerd op de gebeurlijkheden die in zijn lezing zouden hebben plaatsgevonden, voor de werkgever ‘redelijkerwijs niet te voorzien’ was.
4.2
De Kantonrechter wees er daarbij nog op dat niets (lees: nuttigs) is aangevoerd ‘over de grootte van de kans op een ongeval als [eiser] stelt dat hem is overkomen’, waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat niets te berde is gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het pretense gevolg van de beweerde gebeurtenissen wél redelijkerwijs voorzienbaar waren.
5.
Mrs Dempsey en Tellingen wijzen er in hun s.t. onder 2.2.1 terecht op dat het eerste onderdeel (de s.t. van [eiser] spreekt over middel) faalt omdat het 's Hofs onder 4 weergegeven gedachtegang miskent. Het onderdeel gaat er immers, maar abusievelijk, vanuit dat 's Hofs oordeel is gesteld in de sleutel der causaliteit.
6.
Het onderdeel kant zich voorts tegen 's Hofs terloopse kanttekening dat ‘er geen reden is aan te nemen dat het materiaal niet in orde was’. Voor zover het Hof daarmee iets anders tot uitdrukking wil brengen als vermeld onder 4 is zijn oordeel daarop niet gebaseerd. Ware dat al anders dan zou het [eiser] niet kunnen baten omdat:
- a.
sprake is van een feitelijk en in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk oordeel;
- b.
een heel onaannemelijke stelling van de werknemer, die door de werkgever wordt bestreden, ertoe kan leiden dat de bewijslast op de werknemer komt te rusten.1.
7.
Als ik het goed zie dan beoogt de laatste alinea van blz. 2 van de cassatiedagvaarding het onder 6 sub b genoemde oordeel te bestrijden onder verwijzing naar een verklaring van [verweerster] ter comparitie in prima. Daaruit valt evenwel niet op te maken dat sprake is van een meer dan theoretische kans. In elk geval heeft het Hof die passage niet anders behoeven te begrijpen. Dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Bovendien is het, als gezegd, niet dragend.
8.1
In zijn s.t. ontwikkelt mr Aantjes op blz. 3 i.f. en 4 nog een nieuwe klacht die inhaakt op de ook in feitelijke aanleg gestelde omstandigheid dat [eiser] ‘in een reflex handelde’. Nu deze klacht in het middel niet is te vinden, zal eraan voorbij moeten worden gegaan. Eens temeer nu [verweerster] de rechtsstrijd op dit punt niet is aangegaan. Bovendien zou deze omstandigheid [eiser] m.i. alleen hebben kunnen baten als [verweerster] er redelijkerwijs rekening mee had moeten houden dat van zodanig pretens reflexief handelen sprake zou kunnen zijn. Dát is evenwel niet gesteld, laat staan dat op zo'n stelling beroep wordt gedaan.
8.2
Los hiervan: het Hof geeft de onder 8.1 genoemde stelling weer in rov. 3.7. Uit rov. 3.8 moet m.i. worden opgemaakt dat het Hof haar verwerpt, allicht om de onder 8.1 genoemde reden.
9.
In rov. 3.9 bespreekt het Hof de aansprakelijkheid ter zake van het tweede ongeval. Daaromtrent oordeelt het Hof dat [eiser] niet heeft bestreden dat
- a)
geen afwijkingen zijn gevonden en
- b)
‘de oorzaak van de pijnklachten niet valt vast te stellen’.
10.
Het onder 9 sub b genoemde oordeel wordt niet bestreden. Het kan 's Hofs oordeel dragen.
11.
Bovendien is dit laatste oordeel feitelijk en in het licht van de door de Kantonrechter in het eindvonnis geciteerde medische verklaringen niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat [eiser] arbeidsongeschikt is bevonden. Daaruit volgt immers allerminst dat er een verband bestaat tussen die arbeidsongeschiktheid en het tweede ongeval. Van dat verband zal [eiser] het moeten hebben als aansprakelijkheid ter zake het beweerde eerste ongeval ontbreekt.
12.
Anders dan [eiser] veronderstelt, is 's Hofs oordeel niet uitsluitend gegrond op de gedachte dat ‘geen afwijkingen zijn gevonden’. Voor zover het onderdeel al een voldoende begrijpelijke en specifieke klacht tegen dit oordeel behelst, mislukt het. Weliswaar is m.i. juist dat de enkele omstandigheid dat geen afwijkingen kunnen worden vastgesteld niet noodzakelijkerwijs meebrengt dat een condicio sine qua non-verband niet kan worden aangetoond/aangenomen, maar in zo'n geval past wel grote voorzichtigheid.2.
13.
Voor zover het onderdeel nog ten strijde trekt tegen passering van het bewijsaanbod is het geen beter lot beschoren. Het Hof mocht het bewijsaanbod immers geredelijk passeren. Niet alleen omdat dit uitmunt door vaagheid, maar vooral omdat het hier gaat om een kwestie die alleen door deskundigen kan worden opgehelderd. Volgens vaste rechtspraak is de feitenrechter niet gehouden deskundigenonderzoek te bevelen.3.
14.
Het middel behelst — in mijn ogen gezien het voorafgaande niet onbegrijpelijk — niet de klacht dat het condicio sine qua non-verband onvoldoende aannemelijk is om verwijzing naar de schadestaatprocedure te rechtvaardigen.
15.
Ook hier probeert de s.t. enkele klachten binnen te smokkelen. Te weten door te wijzen op de op blz. 4 genoemde verklaringen. Het middel behelst daaromtrent evenwel niets zodat ik er niet op in behoef te gaan.
16.
Voor zover nodig sta ik nog stil bij de uiteenzettingen waarop het onderdeel zich specifiek beroept.
17.1
Op blz. 5 van de inleidende dagvaarding is niet te lezen dat [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval is uitgevallen.
17.2
Vervolgens wijst het onderdeel op een brief van [verweerster]' medisch adviseur Klop van 20 december 2006 (prod. 5 bij cvd). De Kantonrechter heeft die brief in rov. 4.3 en de daarop voortbouwende rov. 4.4 van het eindvonnis uitdrukkelijk betrokken in zijn oordeel. Uit alle in rov. 4 genoemde medische rapporten heeft de Kantonrechter de conclusie getrokken dat geen afwijkingen zijn gevonden en dat de oorzaak van de aanhoudende pijnklachten niet valt vast te stellen. Volgens het Hof heeft [eiser] nagelaten dat te betwisten, wat, zoals we hebben gezien, niet wordt bestreden. Het onderdeel geeft niet (laat staan: nauwkeurig) aan waarom op basis van deze brief 's Hofs oordeel anders had moeten uitvallen. Dat ligt ook niet voor de hand, zeker niet in het licht van het partijdebat en de andere medische rapporten. In de betreffende brief kunnen aanknopingspunten gevonden worden die voor het standpunt van [eiser] pleiten; evenzo kan in de brief steun gevonden worden voor 's Hofs oordeel. Ter illustratie van dat laatste:
‘In ieder geval is er bij uitgebreid onderzoek niets aan de betreffende arm gevonden (…). In feite is er dan ook geen reden voor de pijnklachten. Een medisch causaal verband is er niet. (…)
Op basis van de nu voorliggende medische informatie is er geen aanleiding voor de klachten en zijn er geen aanwijzingen dat het ongeval van september 2002 zou kunnen hebben geleid tot blijvende schade.’
17.3
Voorts wijst het onderdeel op een brief van Klop van 12 november 2007. Waarom die brief het Hof ertoe had moeten brengen aan te nemen dat [eiser] ‘letsel heeft bekomen’en ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden’, is zonder nadere toelichting — die ontbreekt — niet duidelijk. Uit de brief volgt op geen enkele wijze dat [eiser] ten gevolge van het tweede arbeidsongeval schade heeft geleden, of dat er een causaal verband zou bestaan tussen het tweede ongeval en de door [eiser] gestelde schade.
17.4
Ten slotte wordt beroep gedaan op de brief van [eiser]' medisch adviseur van 29 oktober 20074. waarin op de tweede bladzijde laatste gedachtestreepje zou worden gewezen op het feit dat, ook al zijn geen afwijkingen gevonden, maar dat toch sprake kan zijn van ernstige functionele invaliditeit. Dat staat er inderdaad, maar het kan [eiser] m.i. niet baten. Alleen al niet omdat uit de brief in het geheel niet blijkt dat de opmerking betrekking heeft op een mogelijk verband tussen het beweerde tweede ongeval en [eiser]' klachten.
18.1
Ten overvloede: het is een hele stap — en voor mij ook vrij ongebruikelijk — om in een letselschadezaak verkort te concluderen. Ik zeg daarmee niet dat [eiser] inhoudelijk ongelijk heeft. Daar gaat het in cassatie evenwel niet om; ik spreek er dan ook geen eigen oordeel over uit (en heb dat ook niet). In ons wettelijk stelsel gaat het in cassatie slechts om de vraag of het bestreden arrest bestand is tegen de cassatieklachten. Feitelijke kwesties behoren niet tot het domein van de cassatierechter.
18.2
Zowel het eindvonnis van de Kantonrechter als 's Hofs arrest maken duidelijk dat geen geloof wordt gehecht aan het relaas van [eiser]. De Kantonrechter heeft [eiser] ter comparitie gehoord. Hij heeft zich ook een demonstratie laten geven van de beweerdelijk ondeugdelijke werking van — kort gezegd — het voertuig. Dat ook het Hof [eiser]' stellingen weinig plausibel acht, wordt tot uitdrukking gebracht door het oordeel dat zij erg vaag zijn (slot van rov. 3.7 en van rov. 3.8).
18.3
In feitelijke aanleg heeft [eiser] zich begeven in uitvoerige en interessante judische uiteenzettingen. Met betrekking tot de feiten is hij rijkelijk sober. Verklaringen van aanwezigen bij degewraakte gebeurtenissen zijn niet overgelegd. Dat behoefde [eiser] natuurlijk niet te doen. Maar het kan hem, retrospectief bezien, opbreken als in het dossier te weinig concrete aanknopingspunten zijn te vinden voor zijn door Kantonrechter en Hof in twijfel getrokken stellingen.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑05‑2011
Vgl. HR 9 januari 2009, LJN BG4014, RvdW 2009, 173 rov. 3.3.2 en mijn conclusies voor HR 9 januari 2009, LJN BF8875, RvdW 2009, 172 onder 3.3.1 e.v. en in de zaak met rolnr 10/00430 onder 5.55.
In gelijke zin s.t. mrs Dempsey en Tellingen onder 3.3.1.
Bedoeld zal wel zijn de brief overgelegd bij brief van mr Aarts van 5 november 2007.