Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.3.3.1:7.3.3.1 Inleiding
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.3.3.1
7.3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192549:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
347. De tekst van art. 370 lid 1 Fw vermeldt dat een akkoord de “wijziging van (…) rechten” van schuldeisers en/of aandeelhouders kan behelzen. Op dit punt is de WHOA descriptiever dan de regeling inzake het surseance- en faillissementsakkoord. Art. 138 en 252 Fw bepalen immers slechts dát de schuldenaar een akkoord kan aanbieden, zonder daarbij te vermelden wat dat akkoord kan of moet inhouden. Hieronder bespreek ik dat met het pre-insolventieakkoord slechts vorderingsrechten tot betaling van een geldsom kunnen worden gewijzigd (§7.3.3.2). Ik sta kort stil bij het feit dat naast het recht op de materiële aanspraak ook het ius agendi en een rechtsvordering worden onderscheiden (§7.3.3.3). Het akkoord kan betrekking hebben op het ius agendi en op het recht op de materiële aanspraak. De mogelijke wijziging van het ius agendi komt in §7.3.3.4 aan bod. Vervolgens bespreek ik drie manieren waarop het recht op de materiële aanspraak gewijzigd kan worden (§7.3.3.5). In §7.3.3.6 wordt uiteengezet waarom het akkoord slechts op bestaande vorderingen betrekking kan hebben.