Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/4.8.5
4.8.5 De ruime temporele reikwijdte versus de enge temporele reikwijdte
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648871:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze mening is ook de wetgever toegedaan, zie Kamerstukken II 1970/71, 10689, nr. 7, p. 7. Zie evenzo Van Achtenberg 1989, p. 216.
Tuit 1985, p. 194-195 en Gülcher 1989, p. 165.
Van der Heijden & Van der Grinten 1992, p. 560.
Van der Heijden & Van der Grinten 1992, nr. 324.2; Asser/Maeijer 2-III 2000, nr. 439; Beckman 1995, p. 535; Schoonbrood-Wessels 1996, p. 2-7 en p. 37-48; Beckman 1996, p. 253-259; Van Schilfgaarde & Winter 2001, nr. 106; Van Wijngaarden 2006, p. 616 en Ten Voorde 2006, p. 259.
Rb. Amsterdam 20 december 2000, JOR 2000/53, m.nt. S.M. Bartman.
Rb. Arnhem 10 oktober 2002, JOR 2003/31; Hof Amsterdam 26 juli 2001, JOR 2004/94 en Rb. Amsterdam 20 december 2000, JOR 2001/53.
In Rb. Amsterdam 20 december 2000, JOR 2000/53 gaat de rechtbank ervan uit dat de 403-verklaring zich uitstrekt tot voor de aansprakelijkheidstelling verrichte rechtshandelingen maar daarnaast hanteert de rechtbank nog een extra vereiste met betrekking tot het moment waarop de schuld ontstaat. De rechtshandeling vond plaats vóór de deponering, maar de handeling die zorgde voor het ontstaan van de schuld vond plaats tussen de deponering en de intrekking. De rechtbank achtte dit van belang voor de vraag of de consoliderende rechtspersoon aansprakelijk was of niet. Daarmee is weer een beperking in het leven geroepen, waarvan mij niet duidelijk is waarop deze is gebaseerd. Deze aparte nuance ontmoet dan ook kritiek in de literatuur. Zie Harmsma, 2001, p. 112-114 en de aldaar aangehaalde literatuur.
Rb. Rotterdam 14 januari 1987, NJ 1988/1050.
Hof ’s-Hertogenbosch 29 augustus 2017, JIN 2018/7 m.nt. Van der Kraan.
Ik deel hiermee deels de mening van B. Niels (Niels 2010, p. 33-34).
Zowel de ruime temporele reikwijdte als de toepassing van de enge temporele reikwijdte worden bekritiseerd. De kritiek die betrekking heeft op de verhaalsmogelijkheden bij de ruime temporele reikwijdte, richt zich met name op het argument dat de verhaalsmogelijkheden van bestaande schuldeisers ten onrechte worden uitgebreid. Deze visie wordt gesteund door het feit dat de wetgever heeft aangegeven dat zij geen reden ziet om schuldeisers, die reeds een vordering hadden voordat de aansprakelijkheidsverklaring werd gedeponeerd, ‘zomaar’ extra zekerheid te geven.1
In navolging van voornoemde overwegingen uit de parlementaire geschiedenis, is in de literatuur betoogd dat schuldeisers met bestaande vorderingen op een later vrijgestelde rechtspersoon onverwacht een extra voordeel in de schoot geworpen krijgen wanneer op een later tijdstip een 403-verklaring wordt gedeponeerd.2 Met name vanwege dit argument zou er geen grond zijn om aan te nemen dat de aansprakelijkheidsverklaring zich uitstrekt over schulden die al bestaan op het moment waarop de aansprakelijkheidsverklaring wordt gedeponeerd of over schulden die later voortvloeien uit reeds verrichte rechtshandelingen.3
Ondanks vorenstaande, kan de ruime temporele reikwijdte in de literatuur op meer steun rekenen dan de enge temporele reikwijdte.4 En ook de recentere rechtspraak lijkt vaker voor de ruime werking te kiezen.5 In de rechtspraak is meerdere malen geoordeeld dat een 403-verklaring die overeenkomstig artikel 2:403 lid sub f BW is opgesteld, dekking biedt voor schulden die voortvloeien uit eerder door de vrijgestelde rechtspersoon verrichte rechtshandelingen,6 zij het niet zonder enige nuance.7 Eerdere rechtspraak in het voordeel van de enge temporele reikwijdte8 leek te zijn ingehaald. Recentelijk is de lijn toch weer onderbroken.9
Naar mijn idee is de ruime temporele reikwijdte het meest verdedigbaar. Niet valt in te zien waarom bestaande schuldeisers zonder compensatie het zicht op de financiële toestand van hun schuldenaar mag worden ontnomen. Hebben bestaande schuldeisers geen belang bij de publicatie van jaarstukken van hun schuldenaar? Er is geen sprake van een ‘zomaar’ in de schoot geworpen voordeel.
Bestaande schuldeisers kunnen wel degelijk een belang hebben bij het verkrijgen van inzicht in de financiële situatie van hun schuldenaar. De financiële situatie van een bestaande schuldenaar kan bijvoorbeeld van invloed zijn op de beslissing om onder een bestaand contract nieuwe goederen te leveren, kredieten te verlengen of te verruimen of om tijdig (incasso)maatregelen te kunnen treffen.10