Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/13.3.3:13.3.3 Winstbewijzen
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/13.3.3
13.3.3 Winstbewijzen
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456568:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de hierboven vermelde noodzakelijke regelingen in de bron 'inkomsten uit vermogen' om lekken in de inkomstenuitvermogenheffing vanwege de overgang van de aandelen naar de aanmerkelijkbelangsfeer te voorkomen, is mijns inziens verzuimd een sfeerovergangsmaatregel te treffen in de regeling van de (tijdelijke en niet-tijdelijke) winstbewijzen van art. 25, achtste lid, Wet IB. Door de invoering van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling per 1 januari 1997 is er immers een nieuwe sfeerovergang bijgekomen, nl. de overgang van de winstbewijzen naar de sfeer van het aanmerkelijk belang. Mijns inziens had hiervoor in art. 25, achtste lid, Wet IB een met art. 31, derde lid, Wet IB vergelijkbare sfeerovergangsmaatregel moeten worden getroffen. Bezit de verkrijger van de winstbewijzen immers een aanmerkelijk belang in de vennootschap, dan verloopt de belastingheffing bij de verkrijger van de winstbewijzen voortaan volgens de categorie vervreemdingsvoordelen van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.2). Dit houdt in het bijzonder in dat aanmerkelijkbelangheffing in geval van liquidatie van de vennootschap eerst aan de orde komt als de verkrijgingsprijs voor de verkrijging van de winstbewijzen is overtroffen (art. 20a, zesde lid, onderdeel c, Wet IB en art. 20c, vijftiende lid, Wet IB, zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.4.2.2). Bedraagt het totaal van de liquidatie-uitkeringen minder dan de verkrijgingsprijs, dan wordt het restant aan verkrijgingsprijs aangemerkt als negatief vervreemdingsvoordeel. Het was mijns inziens dan ook gepast geweest als in art. 25, achtste lid, Wet IB met deze overgang van de winstbewijzen naar de aanmerkelijkbelangsfeer rekening was gehouden door bij de vervreemder de waarde in het economische verkeer van de winstbewijzen in de belastingheffing te betrekken als de verkregen winstbewijzen bij de verkrijger tot een aanmerkelijk belang behoren. Hierbij maakt het mijns inziens niet uit of sprake is van winstbewijzen die door tijdsverloop in waarde dalen, de zgn. tijdelijke winstbewijzen, of winstbewijzen die niet door tijdsverloop in waarde dalen, de zgn. niet-tijdelijke winstbewijzen. In de sfeer van het aanmerkelijk belang wordt, behoudens voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang ex art. 20a, derde lid, zesde volzin, Wet IB (zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.2.2), immers geen onderscheid gemaakt tussen tijdelijke en niet-tijdelijke winstbewijzen (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.2).