Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.7.1
2.7.1 Behoren objectief vrijgestelde voordelen en niet aftrekbare kosten tot de totaalwinst?
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630479:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Hierbij merk ik op dat een afschaffing van de landbouwvrijstelling niet heeft plaatsgevonden.
Zie ook S.A. Stevens 2018: ‘Beide rechtsoverwegingen hebben een zo algemene strekking, dat ze mijns inziens van toepassing zijn op de waardering van alle vrijgestelde vermogensbestanddelen. Dat in de eerste rechtsoverweging expliciet de vrijgestelde landbouwgronden worden genoemd, kan naar mijn mening niet als een beperking worden gelezen, maar is eerder een bevestiging dat de bedoelde strekking óók voor vrijgestelde landbouwgronden geldt. Vervolgens komt de Hoge Raad toe aan de beslissing over de reikwijdte van de landbouwvrijstelling en komt tot het oordeel dat bij toepassing van een (netto) vrijstelling waardering op de WEVAB niet is toegestaan. ‘
Zie ook Vermeulen: ‘De vraag die mijns inziens in dit kader moet worden beantwoord is wat voorgaat: goedkoopmansgebruik of totale winst? Indien eerst op grond van goedkoopmansgebruik mag worden opgewaardeerd en daarna wordt geconstateerd dat die herwaarderingswinst de totale winst niet raakt als gevolg van een totalewinstuitzondering, zoals de deelnemingsvrijstelling, dan zou het arrest tot een andere zienswijze kunnen leiden’.
Zie ook Bruin Slot 2017-1: ‘Het kan niet duidelijker: niet-aftrekbare rente verhoogt de totaalwinst. De totaalwinst wordt daarmee bepaald door de vermogensaanwas te ontdoen van de stortingen, de onttrekkingen, de vrijgestelde winst en de niet-aftrekbare kosten. ‘
De totaalwinst omvat alle voordelen verkregen uit de onderneming. Voordelen die objectief zijn vrijgesteld behoren niet tot de belastbare winst, maar zijn wel onderdeel van de totaalwinst (zie HR 10 juli 2015, nr. 14/03102, BNB 2015/180).1 De Hoge Raad overwoog dat voordelen waarop de landbouwvrijstelling ex artikel 3.12 Wet IB 2001 van toepassing is, voordelen uit onderneming zijn en derhalve onder de totaalwinst vallen:
‘Waardeveranderingen van tot een ondernemingsvermogen behorende gronden, ook voor zover deze op grond van artikel 3.12 Wet IB 2001 niet in de heffing van inkomstenbelasting worden betrokken, vormen naar hun aard voordelen die worden verkregen uit een onderneming. Zij vallen onder de omschrijving van artikel 3.8 Wet IB 2001 en zijn derhalve onderworpen aan de regels van goed koopmansgebruik bedoeld in artikel 3.25 Wet IB 2001.’
De strekking van deze rechtsregel is mijns inziens ruimer dan alleen de landbouwvrijstelling en geldt voor alle objectvrijstellingen, omdat in die gevallen ook sprake is van voordelen die naar hun aard zijn verkregen uit een onderneming. Alle voordelen waarop een objectvrijstelling van toepassing is, behoren derhalve tot de totaalwinst.23 Over de vraag of niet aftrekbare kosten ook onderdeel zijn van de totaalwinst bestaat meer onduidelijkheid. In HR 24 februari 2012, nr. 10/03465, BNB 2012/229 is de Hoge Raad impliciet ingegaan op de verhouding tussen de totaalwinst en een aftrekbeperking:
‘Artikel 10a van de Wet betreft de zogenoemde totaalwinst van de belastingplichtige. De totaalwinst wordt met toepassing van de regels van goed koopmansgebruik over de jaren verdeeld. Het totaal van de jaarwinsten is in beginsel gelijk aan de totaalwinst (over de gehele levensduur) van de belastingplichtige. Indien de eliminatie van valutawinsten wordt beperkt tot het bedrag van de onder artikel 10a, lid 2, van de Wet vallende negatieve posten – renten, kosten en valutaverliezen – zou de totaalwinst kunnen afwijken van de som van de jaarwinsten.’
Bruins Slot is van mening dat het woord 'betreft' uit de eerste volzin moet worden geïnterpreteerd als 'heeft invloed op'. In dat geval is het zo dat als kosten onder een aftrekbeperking vallen dit (in tegensteling tot bij een objectvrijstelling) impact heeft op de totaalwinst.
In HR 12 juni 2015, 14/02802, BNB 2015/157 is de Hoge Raad duidelijker geweest. In dat arrest ging het over de renteaftrekbeperking van artikel 10d Wet Vpb 1969 (oud). De Hoge Raad bepaalde dat als rente niet aftrekbaar is, de rente ook niet aftrekbaar is als de rente op basis van de regels van goed koopmansgebruik dient te worden geactiveerd en in een later jaar door middel van afschrijving ten laste van het resultaat komt. Er is dan op basis van de strekking van de aftrekbeperking geen mogelijkheid om de kosten te activeren. De Hoge Raad overwoog toen:
‘Artikel 10d Wet Vpb betreft de bepaling van de zogenaamde totaalwinst van een belastingplichtige.’
Hiermee staat mijns inziens vast dat niet-aftrekbare (rente)kosten geen onderdeel meer zijn van de totaalwinst.4 Volgens de wetgever heeft de renteaftrekbeperking ex artikel 15ad Wet Vpb 1969 (de earningstripping-maatregel) daarentegen geen betrekking op de totaalwinst. De niet-aftrekbare rente kan namelijk onbeperkt worden doorgeschoven, zodat de rente in een volgend jaar in aftrek kan worden gebracht en onderdeel blijft uitmaken van de totaalwinst. Deze visie deel ik.
De vraag is waarom objectief vrijgestelde voordelen wel onderdeel blijven van de totaalwinst en niet-aftrekbare kosten niet. Ik zie geen rechtvaardiging voor dit onderscheid en mijns inziens heeft de Hoge Raad in BNB 2015/157 een onjuiste rechtsregel gegeven door te overwegen dat niet-aftrekbare (rente)kosten de totaalwinst beïnvloeden. In beide gevallen zijn de voordelen (de opbrengsten dan wel de kosten) immers naar hun aard voordelen die worden verkregen uit een onderneming en zouden daarmee onderdeel van de totaalwinst moeten zijn. Ook de wettekst biedt geen aanknopingspunt om de vrijgestelde voordelen wel onderdeel te laten zijn van de totaalwinst en de niet-aftrekbare kosten niet. In artikel 13 Wet Vpb 1969 is bijvoorbeeld bepaald dat: Bij het bepalen van de winst blijven buiten aanmerking de voordelen uit ..’en in artikel 10a Wet Vpb 1969 staat: bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek renten. Deze bepalingen komen dusdanig veel met elkaar overeen dat een andere interpretatie niet passend is.
Schematisch betekent dit dat de totaalwinst als volgt moet worden bepaald: