NJ 1935, p. 534
N. S. B.-Insigne. Op zichzelf niet „opzichtig". Belang van de omstandigheden, waaronder het onderscheidingsteeken gedragen wordt, voor de beoordeeling of het „opzichtig" is. N. S. B. geen verboden vereeniglng.
HR 18-02-1935, ECLI:NL:HR:1935:134
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 februari 1935
- Magistraten
Mrs. Jhr. Feith, Taverne, Schepel, Kirberger en Donner
- Zaaknummer
[181935/NJ_1935,_p._534]
- Conclusie
Mr. Van Lier
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1935:134, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑02‑1935
- Wetingang
Essentie
N. S. B.-Insigne. Op zichzelf niet „opzichtig". Belang van de omstandigheden, waaronder het onderscheidingsteeken gedragen wordt, voor de beoordeeling of het „opzichtig" is. N. S. B. geen verboden vereeniglng.
Samenvatting
Hoewel de Rechtb. niet met zooveel woorden zegt, dat zij ook n. a. v. het onderzoek op de terechtzitting in eersten aanleg heeft beraadslaagd, blijkt uit niets, dat zij dit niet zou hebben gedaan; i. c. blijkt veeleer het tegendeel. Overigens verplicht de wet den rechter nergens in zijn vonnis met zooveel woorden kenbaar te maken, dat hij overeenkomstig het voorschrift van art. 422 lid 1 Sv. heeft ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.