Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/8.5.1
8.5.1 Schadevergoeding bij onrechtmatig beslag
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS495800:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit zal in ieder geval een conditio sine qua non-verband moeten zijn, aldus Hartlief 2009, p. 405.
HR 26 juni 1998, rov. 3.10, LJN ZC2682, NJ 1998, 778 (Kramer/ABN Amro)
HR 21 april 2006, LJN AV2637, RvdW 2006, 424 (Bouma q.q. c.s.). Het causaal verband tussen enig beslag en de niet betaling van huurpenningen door huurder werd door het gerechtshof ’s-Gravenhage als een niet voldoende onderbouwd beoordeeld. De Hoge Raad deed de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.
HR 4 september 1998, LJN ZC2693, NJ 1998, 850 (Simons/Generale Bank). Ten laste van Simons werd, in weerwil van een door de bank afgegeven schriftelijke bevestiging van ontslag uit diens borgstelling, door die bank in het kader van die borgstelling beslag gelegd. Simons vorderde schadevergoeding maar werd door het gerechtshof (na een tussenarrest) in het ongelijk gesteld. De Hoge Raad vernietigde de arresten en verwees de zaak terug naar gerechtshof Arnhem in verband met onvoldoende motivering dan wel onbegrijpelijkheid van het oordeel.
Gerechtshof Leeuwarden 10 februari 2009, LJN BH4574, «JOR» 2009/148, m.nt. A.C.W. Pijls (Tepper/Niezink q.q.).
Een door Tepper onder het later gefailleerde Vriesbouw gelegd beslag had geen rechtsgrond en was daarmee ten onrechte gelegd. Het eerder gelegde conservatoire beslag (dat door betekening van het vonnis in hoofdzaak overging in executoriaal beslag) deelde het lot van het nadien vernietigde vonnis in hoofdzaak. Het gerechtshof nam aan dat sprake was van een causaal verband tussen de beslaglegging, het faillissement en de hieruit voortvloeiende schade.
Het gerechtshof komt tot een toerekening van de schade van een derde voor beslaglegger Tepper en twee derde voor de failliet Vriesbouw in verband met eigen schuld. Op grond van de billijkheid echter vervalt de aansprakelijkheid van de beslaglegger uiteindelijk geheel.
Uitgaande van een door de rechter vastgestelde grond voor vergoeding van schade komt men, bij zowel een ongegrond als een als vexatoir aangemerkt beslag, bij de volgende stap in het proces van het aantonen van schade door de beslagene. Voor de vaststelling van die aansprakelijkheid voor schade moet een causaal verband tussen de beslaglegging en de schade aangetoond worden.1 Ook zal de beslagene moeten bewijzen dat specifieke (door de wederpartij betwiste) schadeposten aan de beslaglegger toegerekend dienen te worden.2 Dat de eisen die hieraan worden gesteld hoog zijn is af te leiden uit onder meer het arrest Kramer/ABN AMRO, waarin causaal verband tussen psychische schade en de beslaglegging niet werd aangenomen. Ook oordeelde de Hoge Raad dat Kramer onvoldoende naar voren had gebracht inzake het (door de bank betwiste) causaal verband tussen het beslag en de uiteindelijke staking van zijn agrarisch bedrijf. De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat:
‘(…) Ook indien kan worden aangenomen dat een onrechtmatige beslaglegging in het algemeen schade veroorzaakt, dit niet betekent dat een onrechtmatige beslaglegging in het algemeen leidt tot een reeks gebeurtenissen en ontwikkelingen, uiteindelijk resulterend in staking van het bedrijf, als door Kramer aan zijn schadeberekening ten grondslag gelegd.’ 3
Dat ook de situatie waarin de rechter heeft vastgesteld dat een beslag ten onrechte is gelegd niet steeds zonder problemen tot vergoeding van de daaraan verbonden schade leidt, blijkt uit de zaak van (de rechtsopvolgster van) Miniplankantoren tegen Bouma q.q. & Lemstra q.q. alsmede de Ontvanger4 en het arrest Simons/Generale Bank.5 In het eerste geval strandde de schadevordering op bewijsproblemen inzake causaliteit. Ook Simons werd bij het gerechtshof geconfronteerd met een bewijsprobleem: deze diende het bewijs te leveren dat hij de bank telefonisch vóór de datum van het beslag had geïnformeerd over het bestaan van een brief waarin hij door diezelfde bank uit zijn borgtocht was ontslagen, waardoor het ervoor werd gehouden dat de bank ten tijde van de beslaglegging niet op de hoogte was van het bestaan van haar eigen (!) brief, en dus sprake was van eigen schuld aan de zijde van de beslagene. In de zaak Tepper/Niezink q.q.6 ten slotte blijkt dat ook een ongegrond beslag7 met een op zichzelf vastgesteld causaal verband niet per definitie leidt tot een veroordeling tot vergoeding van door de beslagene geleden schade. Het Gerechtshof Leeuwarden oordeelde dat schadevergoeding voor het ongegronde beslag niet op zijn plaats was door normschendend (paulianeus) handelen van de failliet, dat mede had bijgedragen aan het faillissement.8