HR, 10-04-2026, nr. 24/01824
ECLI:NL:HR:2026:574
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-04-2026
- Zaaknummer
24/01824
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:574, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑04‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:2267
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026041020
FutD 2026-0617
NTFR 2026/632
Uitspraak 10‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 9, lid 2, letter a, Wet OB; post a.1, van Tabel I bij de Wet OB; punt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006; levensmiddelen voor menselijke consumptie; magische truffels; rechtszekerheidsbeginsel.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01824
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, nr. BK-ARN 22/16931., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/2956) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest met nummer 23/03016, ECLI:NL:HR:2026:450.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑04‑2026