Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/6.4.1.2.1
6.4.1.2.1 Mededingingsbeperkende strekking van een pool?
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183578:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 20 januari 2016, zaak C-373/14, ECLI:EU:C:2016:26 (Toshiba), punt 26.
Zie Richtsnoeren Horizontalen, punt 160.
HvJ EU 11 september 2014, zaak C-67/13, ECLI:EU:C:2014:2204 (Cartes Bancaires), punt 51.
HvJ EU 11 september 2014, zaak C-67/13, ECLI:EU:C:2014:2204 (Cartes Bancaires), punt 53.
HvJ EU 20 januari 2016, zaak C-373/14, ECLI:EU:C:2016:26 (Toshiba), punt 28 en 29. Vgl. Van de Gronden 2017, p. 67.
Van der Beek & Japon AV&S 2011/12, p. 112; Europe Economics 2016a, p. 56. Ik teken hierbij aan dat uit het uitgevoerde praktijkonderzoek blijkt dat niet altijd wordt gebruik gemaakt van uniforme premies in een (intermediaire) pool, zie par. 6.2.2.2.
Beschikking van de Europese Commissie van 20 december 1989 (IV/32.408 – TEKO), punt 17.
Beschikking van de Europese Commissie van 20 december 1989 (IV/32.408 – TEKO), punt 18.
Beschikking van de Europese Commissie van 14 januari 1992 (IV/33.100 – Assurpol).
Van belang is dat ten tijde van deze beschikking het mededingingsrecht anders werd gehandhaafd dan tegenwoordig het geval is. Om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van het kartelverbod moesten ondernemingen hun overeenkomst aanmelden bij de Europese Commissie. Sinds de invoering van Verordening nr. 1/2003 komt de bevoegdheid om een vrijstelling te geven van het kartelverbod op grond van artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag niet meer uitsluitend toe aan de Europese Commissie, maar ook aan nationale rechters, arbiters en mededingingsautoriteiten. Bovendien dienen ondernemingen in plaats van het aanvragen van een ontheffing, zelf te beoordelen of zij in aanmerking komen voor een vrijstelling van het kartelverbod.
Beschikking van de Commissie van 14 januari 1992 (IV/33.100 – Assurpol), rn. 28.
Zie considerans 17 bij Verordening 267/2010.
Illustratief is de lijst met bedingen die is opgenomen in artikel 7 van Verordening 267/2010. Ik kom daarop terug in par. 6.4.2.2.
Daarbij realiseer ik me dat artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag strikt genomen ook van toepassing kan zijn op afspraken die ertoe strekken de mededinging te beperken (zie: Richtsnoeren artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag, rn. 20. Toch is het onwaarschijnlijk dat afspraken die de strekking hebben om de mededinging te beperken, kunnen profiteren van een (groeps)vrijstelling van het kartelverbod vanwege de schadelijke effecten die deze afspraken met zich meebrengen voor de mededinging. Vgl. de richtsnoeren samenwerking ondernemingen van de ACM (laatst vastgestelde versie: 2008), rn. 41-44.
Zie considerans 14 bij Verordening 267/2010.
Ik kom in par. 6.4.2.2 hierop terug.
Ik behandel dat aspect uitvoeriger in de volgende paragraaf. Een van de factoren die hierbij een rol zal spelen is of een risico dat in een pool wordt ondergebracht ook tegen dezelfde voorwaarden buiten de pool om kan worden verzekerd.
In het algemeen geldt dat een mededingingsbeperkende strekking of doel van een overeenkomst volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie alleen dan wordt aangenomen indien de overeenkomst wordt geacht een schadelijk effect te hebben op de goede werking van de mededinging.1 Dat betekent dat van kartelafspraken waarbij prijzen worden vastgesteld, de productie wordt beperkt of de markten of afnemers worden verdeeld, wordt aangenomen dat zij het doel hebben om de mededinging te beperken.2 Volgens het Hof leert de ervaring namelijk dat dergelijke afspraken leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, wat uiteindelijk de consumenten zal schaden.3
Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de beoordeling of een overeenkomst tussen ondernemingen of een besluit van een ondernemersvereniging de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende strekking te hebben, worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten.4 Indien echter sprake is van zeer zware mededingingsinbreuken, zoals marktverdelingsovereenkomsten, kan de analyse van de economische en juridische context worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om te kunnen besluiten dat er sprake is van een mededingingsbeperkende strekking.5 Dit betekent dat voor het antwoord op de vraag of pools ertoe strekken de mededinging te beperken gezichtspunten als de bewoordingen en het doel van de poolovereenkomst, de economische en juridische context alsmede de aard van het aangeboden verzekeringsproduct in ogenschouw moeten worden genomen. Indien echter een pool afspraken bevat, zoals een verdeling van de markt of prijsafspraken, waarvan het Hof heeft aangenomen dat deze op evidente wijze de strekking hebben om de mededinging te beperken, kan een vergaande marktanalyse achterwege blijven.
Kortom, bij het onderzoek naar de vraag of een pool ertoe strekt de mededinging te beperken zou gelet moeten worden op de bewoordingen en de doelstellingen van de poolovereenkomst, en de economische en juridische context. Indien uit de bewoordingen en de doelstellingen van een poolovereenkomst blijkt dat er afspraken worden gemaakt die betrekking hebben op de prijs/premiebepaling, de verdeling van de markt of de beperking van de productie, zal het vermoeden bestaan dat de pool ertoe strekt om de mededinging te beperken. De vraag doet zich voor hoe uniforme premies, die in de regel worden gehanteerd in een pool, gezien moeten worden.6 Valt dit onder de paraplu van de afspraken die ertoe strekken de mededinging te beperken? Premies kunnen worden gezien als belangrijke concurrentieparameters. Betekent dit dan dat een pool waarbij uniforme premies en voorwaarden worden gebruikt de strekking heeft om de mededinging te beperken?
In de al eerder aangehaalde beschikking Teko kwam de Europese Commissie tot de conclusie dat de samenwerking tussen de verzekeraars in de pool beperking van mededinging tot doel en tot gevolg had.7 Ten aanzien van de beperking van de concurrentie overweegt zij:
‘(…) de beperking van de concurrentie [vloeit] voort uit de organisatie van het Teko als gemeenschappelijke advies- en informatiecentrale, met name voor de risicobeoordeling en de premiecalculatie door het Teko, die in de praktijk tot een coördinatie van het marktgedrag van de betrokken maatschappijen leiden. Aangezien deze slechts in uitzonderingsgevallen zelfstandig premies en condities calculeren en bij de contractsonderhandelingen principieel uitgaan van een door het Teko opgesteld aanbod, passen zij in dezelfde of vergelijkbare gevallen dezelfde of vergelijkbare premies en condities toe, zodat zij dienaangaande niet in concurrentie treden’.8
Hieruit kan worden afgeleid dat het binnen een pool toepassen van dezelfde premies en condities door de Europese Commissie wordt gezien als een beperking van de mededinging, met een mededingingsbeperkend doel én gevolg.
Tot eenzelfde conclusie kwam de Europese Commissie in de zaak Assurpol.9 Assurpol was een Franse medeherverzekeringspool voor de dekking van bepaalde milieuschades. Deze pool diende, net als de hierboven besproken Teko-pool, bij de Europese Commissie een verzoek in voor een ontheffing van het kartelverbod.10 De Europese Commissie concludeert (ook hier) dat de pool het doel en gevolg heeft om de mededinging te beperken. Ik citeer:
‘Hoewel het iedere aangesloten verzekeraar vrij staat de tariefpremie zelfstandig te berekenen, hebben de overeenkomsten niet minder ten doel of tot gevolg dan dat de mededinging tussen de leden-verzekeraars wordt beperkt, die, bij ontstentenis daarvan, bij de vaststelling van de premies en de polisvoorwaarden over meer zelfstandigheid hadden kunnen beschikken en derhalve onder andere omstandigheden met elkaar hadden kunnen concurreren’.11
In deze twee beschikkingen van de Europese Commissie wordt een pool dus gezien als een samenwerkingsverband die het doel én gevolg heeft om de mededinging te beperken. Toch betekent dit niet dat pools die tegenwoordig op de Nederlandse coassurantiemarkt voorkomen steeds de strekking hebben om de mededinging te beperken. Er kunnen nu eenmaal poolovereenkomsten bestaan met en zonder strekkingsbeperkingen. Ik werk dat nader uit, maar vooraleerst is het goed om op te merken dat de beschikkingen Teko en Assurpol niet maatgevend zijn voor alle soorten poolovereenkomsten. Zij zijn gegeven in de periode dat er nog geen groepsvrijstellingsverordening voor de verzekeringssector bestond.
Op het moment dat de Europese Commissie (later) overging tot het verlenen van een groepsvrijstelling van het kartelverbod voor de samenwerking tussen verzekeraars in pools, verklaarde de Europese Commissie de vrijstelling van artikel 81 lid 3 van het Werkingsverdrag (thans art. 101 lid 3) van toepassing op samenwerking in pools in de verzekeringssector. De gedachte van de Europese Commissie was dat, hoewel samenwerking in pools mededingingsbezwaren met zich mee kan brengen (zoals standaardisatie van premies/polisvoorwaarden), de voordelen voor de mededinging in sommige gevallen toch groter zijn. De Europese Commissie overweegt daarom dat pools die een beperking van de mededinging tot gevolg hebben, onder bepaalde strikte voorwaarden voordelen kunnen meebrengen die een vrijstelling op grond van artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag rechtvaardigen, ook al zouden twee of meer concurrerende ondernemingen eveneens dekking kunnen verschaffen.12 Poolovereenkomsten die afspraken bevatten die de strekking hebben om de mededinging te beperken, worden echter in de verordening expliciet uitgesloten van de uitzondering op het kartelverbod.13 De groepsvrijstelling is daarmee nooit bedoeld als veilige haven voor pools die strekkingbeperkingen bevatten.14
De Europese Commissie spreekt bij het verlenen van de groepsvrijstelling (dus) niet over poolafspraken die het doel hebben om de mededinging te beperken, maar over afspraken die een beperking van de mededinging tot gevolg kunnen hebben. Deze pools komen vanwege de voordelen voor de mededinging in aanmerking voor een vrijstelling van het kartelverbod. Illustratief is in dit verband ook één van de overwegingen die ten grondslag ligt aan de vaststelling van Verordening 267/2010:
‘Medeverzekerings- of medeherverzekeringspools kunnen verzekeraars en herverzekeraars in staat stellen risico’s te verzekeren of te herverzekeren, ook indien het samenwerkingsverband verder gaat dan wat voor het verzekeren van deze risico’s noodzakelijk is. Dit soort pools kunnen evenwel een beperking van de mededinging tot gevolg hebben in de vorm van gestandaardiseerde polisvoorwaarden of zelfs gestandaardiseerde dekkingsbedragen en premies. Het is daarom passend te bepalen onder welke voorwaarden aan deze pools vrijstelling kan worden verleend’.15
Hieruit volgt dat pools een beperking van de mededinging tot gevolg kunnen hebben in de vorm van gestandaardiseerde polisvoorwaarden en zelfs gestandaardiseerde dekkingsbedragen en premies. Maar ook maakt de overweging duidelijk dat dat aan de toelaatbaarheid van de pool niet in de weg hoeft te staan, mits de pool voldoet aan een aantal voorwaarden. Zo moet op grond van artikel 7 van de Verordening 267/2010 de vrijheid bestaan voor de poolleden om buiten de pool (tegen een betere premie) te verzekeren.16 De conclusie van het bovenstaande kan mijns inziens niet anders zijn dan dat gestandaardiseerde premies (of: tariefafspraken) bij een pool niet in alle soorten poolovereenkomsten de strekking zullen hebben om de mededinging te beperken. Het feit dat pools een beperking van de mededinging tot gevolg kunnen hebben, betekent immers nog niet dat kan worden aangenomen dat pools ook daadwerkelijk mededingingsbeperkende gevolgen hebben.17 De beperkende gevolgen voor de mededinging moeten, met andere woorden, nog wel worden aangetoond. Dat brengt mij tot de bespreking van de vraag onder welke omstandigheden poolafspraken een beperking van de mededinging tot gevolg kunnen hebben. Het antwoord op die vraag staat in de volgende paragraaf centraal.