Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.6.1
3.6.1 De aanzet voor de algehele herziening
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940636:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Motie De Grave c.s., Kamerstukken II 1982/83, 17 050/17 522, nr. 17.
Ziej De Blieck e.a. 1995, par. 8.6.1. voor een uitgebreide beschrijving van de totstandkomingsgeschiedenis van de oorspronkelijke voorstellen.
Wet tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verband met de herziening van het stelsel van administratieve boeten en van de bevoegdheid tot navorderen, Kamerstukken II 1988/89, 21 058.
Advies HR 14 januari 1987, Kamerstukken II 1986/87, 19 700, nr. 56 (bijlage).
Haas geeft een handzaam overzicht van alle aanbevelingen op iets meer dan één pagina: Haas 2009, p. 9. Het integrale rapport is opgenomen in de Fiscale encyclopedie De Vakstudie (Algemeen deel), aant. 1.2.8 bij Algemene wet inzake rijksbelastingen, Hoofdstuk VIIIA Bestuurlijke boeten.
Het ging bijvoorbeeld om het geven van de cautie, de uitwerking van een una via-regeling en het verval van de boete na overlijden.
In dat kader werd afzonderlijk van het oorspronkelijke wetsvoorstel een nieuw wetsvoorstel ingediend (leidend tot de Wet van 18 december 1997 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht, 23 470, Stb. 1997, 738). Eind 1993 werd het oorspronkelijke wetsvoorstel (21 058) ingetrokken voor wat betreft de bepalingen die de fiscale bestuurlijke boetes betroffen. Zie hierover nader paragraaf 3.6.2 hierna.
Kamerstukken II 1993/94, 23 358, nr. 5, p. 99. Dit betrof art. 27 lid 2 AWR (oud). Zie ook paragraaf 3.3.2.3.
Regeling van 28 september 1992, V-N 1992, p. 3035 e.v., Stcrt. 1992, 193. Zie hierover nader De Blieck e.a. 1995, par. 8.4.3.1 en paragraaf 3.4.3.
Zie paragraaf 3.5.2.3.
De kiem van de algehele herziening van het stelsel van fiscale bestuurlijke boetes is gelegen in enkele moties van de Tweede Kamer, waarvan de motie over de introductie van een boete bij de primitieve aanslag (ingediend op 30 mei 1983) de eerste was.1 Daarop volgde een lange periode van bezinning en debat.2 Naar aanleiding van de ontwikkelingen in de rechtspraak in de tweede helft van de jaren tachtig werden vervolgens wijzigingen voorgesteld om het Nederlandse boetestelsel in lijn te brengen met het EHRM.
Het eerste wetsontwerp dat met het oog op een algehele stelselherziening werd ingediend, ging echter nog steeds uit van een verhoging van 100 %, behoudens tegenbewijs ten aanzien van de aanwezigheid van opzet of grove schuld.3 De Hoge Raad had de continuering van dit systeem in zijn advies over het wetsvoorstel sterk ontraden, omdat de wetgever daarmee nog steeds risico’s zou lopen in verband met de EHRM-jurisprudentie over de onschuldpresumptie.4 De Tweede Kamer deelde de zorg over de houdbaarheid van het nieuwe stelsel in het licht van het EVRM. Als gevolg van die zorg werd in augustus 1991 een Adviescommissie herziening fiscaal boetestelsel, de Commissie-Van Slooten, ingesteld. Deze commissie bracht op 18 maart 1992 een rapport uit met daarin een groot aantal aanbevelingen.5 Enkele daarvan vloeiden rechtstreeks voort uit art. 6 EVRM en de jurisprudentie over de toepassing van dat artikel. Verschillende andere aanbevelingen vonden hun wortels in strafrechtelijke beginselen.6 Vrijwel alle aanbevelingen van de Commissie-Van Slooten kregen een plaats in het wetsvoorstel.7
Ondertussen werden naar aanleiding van de ontwikkelingen in de nationale rechtspraak ook andere wijzigingen doorgevoerd. Zo kwam in 1994 de wettelijke beperking van de beroepsgronden te vervallen, omdat het oorspronkelijke uitgangspunt van de marginale rechterlijke toetsing van de fiscale bestuurlijke boete in feite een dode letter was geworden.8 Voortaan was de rechterlijke toetsing in volle omvang dus de norm.
Ook beleidsmatig werden de sporen van de voortgeschreden rechtsontwikkeling steeds duidelijker zichtbaar. In het VAB 1993 werd het strafkarakter van de fiscale bestuurlijke boete (en daarmee de toepasselijkheid van art. 6 EVRM) expliciet benoemd en op verschillende plaatsen werd de jurisprudentie over art. 6 EVRM geïncorporeerd in het boetebeleid.9 Speciale aandacht was er uiteraard voor de hieruit voortvloeiende, van de wet afwijkende bewijslastverdeling.10 Omdat de verhoging een strafkarakter had, sprak het VAB 1993 bovendien reeds van ‘boeten’.11 Verder was in het VAB 1993 expliciet opgenomen dat art. 6 EVRM ook voor ordeboeten gold.12