Procestaal: Grieks.
HvJ EU, 26-06-2025, nr. C-555/23, nr. C-556/23
ECLI:EU:C:2025:484
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
26-06-2025
- Magistraten
M.L. Arastey Sahún, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer, B. Smulders
- Zaaknummer
C-555/23
C-556/23
- Conclusie
T. Ćapeta
- Roepnaam
Makeleio
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:484, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 26‑06‑2025
ECLI:EU:C:2025:49, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 30‑01‑2025
Uitspraak 26‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2010/13/EU — Aanbieders van audiovisuele mediadiensten — Nationale regeling die de verplichting inhoudt om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en die de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit verbiedt — Beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht — Grenzen — Legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen — Rechtzekerheidsbeginsel
M.L. Arastey Sahún, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer, B. Smulders
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-555/23 en C-556/23,*
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland) bij beslissingen van 2 augustus 2023, ingekomen bij het Hof op 4 september 2023, in de procedures
Makeleio EPE (C-555/23),
Zougla G.R. AE (C-556/23)
tegen
Ethniko Symvoulio Radiotileorasis (ESR),
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún (rapporteur), kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 oktober 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Makeleio EPE, vertegenwoordigd door S. Charalampous, dikigoros,
- —
Ethniko Symvoulio Radiotileorasis (ESR), vertegenwoordigd door Z. Chatzipavlou en A. Dimitrakopoulou als gemachtigden,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door Z. Chatzipavlou, K. Konsta, M. Tassopoulou en D. Tsagkaraki als gemachtigden,
- —
de Zweedse regering, vertegenwoordigd door F.-L. Göransson, J. Olsson, A. Runeskjöld en H. Shev als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Gariazzo, L. Malferrari, G. Meessen en D. Triantafyllou als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van, ten eerste, richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB 2010, L 95, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 (PB 2018, L 303, blz. 69) (hierna: ‘richtlijn 2010/13’), en ten tweede, de artikelen 20 en 21 en artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen, enerzijds, Makeleio EPE (zaak C-555/23) en Zougla G.R. AE (hierna: ‘Zougla’) (zaak C-556/23) en, anderzijds, Ethniko Symvoulio Radiotileorasis (nationale radio- en televisieraad, Griekenland; hierna: ‘ESR’) over de rechtmatigheid van twee besluiten waarbij aan die ondernemingen een administratieve sanctie is opgelegd wegens de uitzending van programma's van inferieure kwaliteit en de niet-nakoming van de verplichting om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen (hierna: ‘besluiten in het hoofdgeding’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2010/13
3
De overwegingen 11, 18, 21, 38, 41, 59, 83 en 104 van richtlijn 2010/13 luiden als volgt:
- ‘(11)
Het is noodzakelijk, teneinde concurrentievervalsing te voorkomen, de rechtszekerheid te vergroten, bij te dragen tot de voltooiing van de interne markt en het ontstaan van één enkele informatieruimte te vergemakkelijken, om voor alle audiovisuele mediadiensten, zowel televisieomroep (d.w.z. lineaire audiovisuele mediadiensten) als audiovisuele mediadiensten op aanvraag (d.w.z. non-lineaire audiovisuele mediadiensten), ten minste één basispakket van gecoördineerde voorschriften vast te stellen.
[…]
- (18)
Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) [(PB 2002, L 108, blz. 33)] laat volgens haar artikel 1, lid 3, de maatregelen onverlet die op het niveau van de Unie of op nationaal niveau zijn genomen voor de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder voor wat betreft regulering van de inhoud en audiovisueel beleid.
[…]
- (21)
Voor de toepassing van deze richtlijn dient de definitie van audiovisuele mediadienst alleen audiovisuele mediadiensten, televisieomroepdiensten of diensten op aanvraag, die massamedia zijn, te omvatten, dat wil zeggen, die bedoeld zijn voor ontvangst door, en een duidelijke impact kunnen hebben op, een significant deel van het publiek. Het bereik daarvan dient zich evenwel te beperken tot diensten als gedefinieerd door het [VWEU], waardoor het wel op alle vormen van economische activiteit betrekking heeft, met inbegrip van die van openbare-dienstverleningsbedrijven, doch niet op activiteiten die in hoofdzaak niet-economisch zijn en niet concurreren met televisie-uitzendingen, zoals particuliere websites en diensten die bestaan in het leveren of verspreiden van audiovisuele inhoud die door particuliere gebruikers wordt gegenereerd om te worden gedeeld en uitgewisseld met groepen met gemeenschappelijke belangen.
[…]
- (38)
Vanwege de technologische ontwikkelingen, met name op het gebied van digitale satellietuitzendingen, dienen de bijkomende criteria te worden aangepast teneinde een adequate regelgeving en een effectieve toepassing ervan te garanderen en om de marktspelers werkelijk greep op de inhoud van audiovisuele mediadiensten te geven.
[…]
- (41)
De lidstaten moeten op de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden meer gedetailleerde of strengere maatregelen kunnen toepassen op aanbieders van mediadiensten die onder hun bevoegdheid vallen, er evenwel op toezien dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van het recht van de Unie. […] Het begrip ‘regels van algemeen publiek belang’ is door het Hof van Justitie ontwikkeld in zijn rechtspraak betreffende de artikelen 43 en 49 [EG] (thans 49 en 56 [VWEU]), en omvat onder meer regels inzake consumentenbescherming, bescherming van minderjarigen en cultuurbeleid. De verzoekende lidstaat moet ervoor zorgen dat de specifieke nationale regels ter zake objectief noodzakelijk zijn, op niet-discriminerende wijze worden toegepast, geschikt zijn om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken en zich beperken tot hetgeen noodzakelijk is om deze te verwezenlijken.
[…]
- (59)
De beschikbaarheid van schadelijke inhoud via audiovisuele mediadiensten is een bron van zorg voor wetgevers, de media-industrie en ouders. Er zullen tevens nieuwe uitdagingen bijkomen, met name in verband met nieuwe platforms en nieuwe producten. Derhalve zijn er voorschriften nodig ter bescherming van de lichamelijke, geestelijke en zedelijke ontwikkeling van minderjarigen en de menselijke waardigheid in alle audiovisuele mediadiensten, met inbegrip van audiovisuele commerciële communicatie.
[…]
- (83)
Teneinde te waarborgen dat de belangen van de consumenten als kijkers naar uitzendingen volledig en naar behoren worden beschermd, moet televisiereclame aan minimumnormen en criteria worden onderworpen en moeten de lidstaten het recht behouden om voor televisie-omroepmaatschappijen die onder hun bevoegdheid vallen, meer gedetailleerde en strengere voorschriften uit te vaardigen en in bepaalde gevallen verschillende voorwaarden te stellen.
[…]
- (104)
Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het realiseren van een ruimte zonder binnengrenzen voor audiovisuele mediadiensten waarbij tegelijk een hoog beschermingsniveau wordt gewaarborgd wat betreft doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid, en de bevordering van de rechten van personen met een handicap, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van deze richtlijn beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 [VEU] neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.’
4
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2010/13 bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- a)
‘audiovisuele mediadienst’:
- i)
een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 [VWEU], indien het hoofddoel van de dienst of een losstaand gedeelte daarvan bestaat uit de levering van programma's voor het algemene publiek, onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, ter informatie, vermaak of educatie door middel van elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn [2002/21]; bedoelde audiovisuele mediadiensten zijn hetzij televisie-uitzendingen als gedefinieerd onder e) van dit lid hetzij audiovisuele mediadiensten op aanvraag als gedefinieerd onder g) van dit lid;
- ii)
audiovisuele commerciële communicatie;
[…]
- b)
‘programma’: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of een door een aanbieder van mediadiensten opgestelde catalogus, met inbegrip van bioscoopfilms, videoclips, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's en origineel drama;
[…]
- c)
‘redactionele verantwoordelijkheid’: het uitoefenen van effectieve controle over de keuze van programma's en de organisatie ervan in hetzij een chronologisch schema, in het geval van televisie-uitzendingen, hetzij een catalogus, in het geval van audiovisuele mediadiensten op aanvraag. Redactionele verantwoordelijkheid behelst niet noodzakelijkerwijs een wettelijke aansprakelijkheid voor de inhoud of de aangeboden diensten krachtens het nationale recht;
- d)
‘aanbieder van mediadiensten’: de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud van de audiovisuele mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd;
[…]
- e)
‘televisieomroep’ of ‘televisie-uitzending’: (d.w.z. een lineaire audiovisuele mediadienst): een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden audiovisuele mediadienst voor het gelijktijdig bekijken van programma's op basis van een programmaschema;
[…]
- g)
‘audiovisuele mediadienst op aanvraag’ (d.w.z. een niet-lineaire audiovisuele mediadienst): een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden audiovisuele mediadienst die de gebruiker de mogelijkheid biedt tot het bekijken van programma's op diens individueel verzoek en op het door hem gekozen moment op basis van een door de aanbieder van mediadiensten geselecteerde programmacatalogus;
[…]’
5
Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2010/13 luidt:
‘Elke lidstaat ziet erop toe dat alle audiovisuele mediadiensten, uitgezonden door onder zijn bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten, voldoen aan de regels van het rechtsstelsel dat van toepassing is op audiovisuele mediadiensten die bestemd zijn voor het publiek in die lidstaat.’
6
Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
‘Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van meer gedetailleerde of strengere regels te eisen op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd, op voorwaarde dat die regels in overeenstemming zijn met het Unierecht.’
7
In artikel 6, lid 1, van die richtlijn is het volgende bepaald:
‘Onverminderd de verplichting van de lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen, zorgen de lidstaten er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet het volgende omvatten:
- a)
het aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden;
- b)
het publiekelijk uitlokken tot het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 5 van richtlijn (EU) 2017/541 [van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB 2017, L 88, blz. 6)].’
8
Artikel 9, lid 1, van richtlijn 2010/13 luidt:
‘De lidstaten zien erop toe dat audiovisuele commerciële communicatie door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten aan de volgende voorschriften voldoet:
[…]
- c)
zij mag niet:
- i)
de menselijke waardigheid aantasten;
[…]
[…]’
Richtlijn 2018/1972
9
Overweging 7 van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB 2018, L 321, blz. 36) luidt als volgt:
‘[…] De inhoud van televisieprogramma's valt onder richtlijn [2010/13]. Het reguleren van audiovisueel beleid en audiovisuele inhoud strekt tot het verwezenlijken van doelstellingen van algemeen belang, zoals vrijheid van meningsuiting, pluralisme van de media, onpartijdigheid, culturele en taalkundige verscheidenheid, sociale insluiting, consumentenbescherming en de bescherming van minderjarigen. […]’
10
Artikel 2 van richtlijn 2018/1972, dat artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/21 heeft vervangen, luidt als volgt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
- 1)
‘elektronischecommunicatienetwerk’: de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of gecentraliseerde beheercapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele netwerken, elektriciteitsnetten voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie’.
Grieks recht
Wet 4779/2021
11
Nomos 4779/2021 Ensomatosi stin ethniki nomothesia tis Odigias (ΕΕ) 2010/13 tou Europaïkou Koinovouliou kai tou Symvouliou tis 10is Martíou 2010 gia ton syntonismo orismenon nomothetikon, kanonistikon kai dioikitikon diataxeon ton kraton melon skhetika me tin parochi ypiresion optikoakoustikon meson, opos echei tropopoiitheí me tin Odigía (ΕΕ) 2018/1808 tou Europaïkou Koinovouliou kai tou Symvouliou tis 14is Noemvríou 2018 kai alles diataxeis armodiotitas tis Genikis Grammateias Epikoinonías kai Enimerosis [wet 4779/2021 tot omzetting in nationale wetgeving van richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018, en houdende andere bepalingen onder de bevoegdheid van de Genikis Grammateias Epikoinonías kai Enimerosis (algemeen secretariaat communicatie en informatieverstrekking)] van 20 februari 2021 (FEK A' 27), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie ervan (hierna: ‘wet 4779/2021’), bepaalt in artikel 8 het volgende:
‘Audiovisuele mediadiensten mogen niet aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep op grond van hun ras, kleur, nationale of etnische afkomst, afstamming, godsdienst, handicap, seksuele gerichtheid, genderidentiteit of -kenmerken.’
12
Artikel 36, lid 1, van wet 4779/2021 luidt als volgt:
‘In geval van schending van artikel 8 […] door een aanbieder van mediadiensten met of zonder abonnement, legt de [ESR] de sancties op waarin is voorzien bij respectievelijk nomos 2644/1998 [— Gia tin parochi syndromitikon radiofonikon kai tileoptikon ypiresion kai synafeis diataxeis (wet 2644/1998 betreffende het aanbieden van radio- en televisiediensten tegen betaling en aanverwante bepalingen) van 13 oktober 1998 (FEK A' 233) en nomos 2328/1995 [— Nomiko kathestos tis idiotikis tileorasis kai tis topikis radiophonías, rythmisi thematon tis radiotileoptikis agoras kai alles diataxeis (wet 2328/1995 betreffende het wettelijk regime van de particuliere televisie en de plaatselijke radio en televisie, de regeling van de radio-/televisiemarkt en houdende andere bepalingen) van 3 augustus 1995 (FEK A' 159)].’
Wet 2328/1995
13
Artikel 1 van wet 2328/1995, in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie, bepaalt:
- ‘1.
Voor de oprichting, de inrichting en de exploitatie van particuliere televisiezenders die op de daartoe beschikbare kanalen of op de beschikbare radiofrequenties een signaal uitzenden dat de huishoudelijke ontvangtoestellen gewoonlijk ontvangen, is overeenkomstig de bepalingen van deze wet een vergunning vereist. Vergunningen worden verleend in het algemeen belang en het gebruik ervan is een openbare dienst. De zenders waaraan deze vergunningen worden verleend, moeten toezien op de kwaliteit van het programma, de objectiviteit van de informatie, de waarborging van pluralisme en de bevordering van cultuur door de uitzending van literaire en artistieke programma's.
- 2.
De vergunning voor de oprichting, de inrichting en de exploitatie heeft betrekking op de uitzending van een draadloos signaal, de radiofrequentiekanalen, het gebruik van grondstations of satellieten […].’
14
Artikel 4, lid 1, onder a), van wet 2328/1995 luidt als volgt:
‘In geval van schending van de bepalingen van de nationale wetgeving, [de wetgeving] van de Europese Unie en het internationale recht die rechtstreeks of onrechtstreeks de particuliere televisiezenders en, meer in het algemeen, de werking van de particuliere televisie beheersen, […] worden door de ESR de volgende sancties opgelegd […]. Bij de keuze van aard en omvang van de administratieve sancties wordt rekening gehouden met de ernst van de overtreding, het publiek van het programma in het kader waarvan de overtreding werd begaan, het aandeel in de markt voor radio- en televisieomroepdiensten dat de houder van de vergunning in voorkomend geval heeft verworven, de hoogte van de gerealiseerde of geplande investeringen en het mogelijk bestaan van recidive […].’
Wet 2863/2000
15
Artikel 4, lid 1, van de nomos 2863/2000 — Ethniko Symvoulio Radiotileorasis kai alles arches kai organa tou tomea parochis radiotileoptikon ypiresion (wet 2863/2000 met betrekking tot de nationale radio- en televisieraad en andere autoriteiten en organen in de radio-/televisieomroepsector) van 29 november 2000 (FEK A’ 262), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie, luidt:
‘De ESR oefent de door de Syntagma tis Elladas (grondwet van de Helleense Republiek) vastgestelde rechtstreekse controle door de staat uit op het gebied van de levering van radio- en televisiediensten van welke aard ook, door de vaststelling van uitvoerbare individuele bestuurshandelingen. In het bijzonder:
[…]
- e)
legt die raad de in artikel 4, lid 1, van [wet 2328/1995] en in artikel 12 en artikel 15, lid 3, van [wet 2644/1998] bedoelde administratieve sancties en maatregelen op […]’.
Wet 2644/1998
16
Artikel 1, lid 1, van wet 2644/1998 bepaalt:
‘Het aanbieden van radio- en televisiediensten tegen betaling is overeenkomstig artikel 15 van de grondwet van de Helleense Republiek onderworpen aan rechtstreekse controle door de staat en vormt een openbare dienst die tot doel heeft het publiek objectief en onpartijdig te informeren en een hoog niveau van permanente opleiding en vermaak te verzekeren. Voor de toepassing van deze wet wordt onder het aanbieden van radio- en televisiediensten tegen betaling verstaan de rechtstreekse transmissie aan het publiek, met welke technische middelen of methoden dan ook (zenders die uitsluitend via zendmasten uitzenden, kabel- of satellietzenders) van radio- en televisieprogramma's waartoe de toegang is onderworpen aan voorwaarden die worden opgelegd door de houder van de in deze wet bedoelde vergunning. Als het aanbieden van radio- en televisiediensten tegen betaling wordt ook beschouwd het aanbieden van televisiediensten via andere breedbandnetwerken, ongeacht of de aanbieder van de dienst een vergunning [van de ESR] heeft verkregen voor de programma's die hij doorgeeft, dan wel of hij daartoe op grond van een overeenkomst programma's doorgeeft waarvoor in een andere lidstaat een vergunning is verleend.’
17
Artikel 10 van wet 2644/1998 luidt als volgt:
- ‘1.
De bepalingen van artikel 3, leden 1 tot en met 12, 14, 17 en 22, van [wet 2328/1995] betreffende de eerbiediging van de waardigheid, de persoonlijke levenssfeer en de algemene deelname van het individu aan het economische, sociale en politieke leven, de uitvoeringsvoorwaarden en voorwaarden voor de uitzending van radio- en televisiereclame en aanverwante boodschappen, de bescherming van kinderen, de waarborging van politiek pluralisme en de toegang van partijen tot radio- en televisieprogramma's, alsmede de bescherming van de belangen van de consument en meer in het algemeen van de belangen van de burgers zijn ook van toepassing op de inhoud van de betaalradio- en televisiediensten.
- 2.
De gedragscodes die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 3, lid 2, van nomos 1866/1989 — Idrysi Ethinkou Symvouliou Radiotileoraseos kai parochi adeion gia tin idrysi kai leitourgia tileoptikon stathmon (wet 1866/1989 betreffende de oprichting van de nationale radio- en televisieraad en de afgifte van vergunningen voor de oprichting en exploitatie van televisiezenders) van 6 oktober 1989 (FEK A' 222), alsmede de bepalingen die zijn opgesteld door de ESR en zijn vastgesteld volgens de procedure van artikel 3, lid 15, van [wet 2328/1995] zijn ook van toepassing op audiovisuele inhoud die wordt uitgezonden door houders van een vergunning op grond van deze wet […].’
18
Krachtens artikel 12 van wet 2644/1998 legt de ESR administratieve sancties op in geval van schending van de bepalingen van die wet, van het Unierecht, en van het internationale recht, die van toepassing zijn op het aanbieden van radio- en televisiediensten waarop die wet betrekking heeft.
Presidentieel decreet 77/2003
19
Artikel 1 van de proedriko diatagma 77/2003 — Kodikas deontologias eidiseografikon kai allon dimosiografikon kai politikon ekpompon (presidentieel decreet 77/2003 houdende een gedragscode voor nieuws- en andere journalistieke en politieke uitzendingen) van 28 maart 2003 (FEK A' 75), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: ‘presidentieel decreet 77/2003’), bepaalt:
‘De bepalingen van deze code zijn van toepassing op nieuws-, journalistieke en politieke uitzendingen op openbare en particuliere radio- en televisiezenders […].’
20
Artikel 2, lid 1, van presidentieel decreet 77/2003 luidt:
‘Nieuws- en andere journalistieke en politieke uitzendingen moeten het kwaliteitsniveau waarborgen dat vereist is voor de sociale taak van de radio en de televisie en voor de culturele ontwikkeling van het land […].’
21
Artikel 4 van presidentieel besluit 77/2003 bepaalt:
- ‘1.
Personen mogen niet worden voorgesteld op een wijze die in de concrete omstandigheden kan aanzetten tot hun vernedering, sociaal isolement of discriminatie door een deel van het publiek op grond van onder meer geslacht, ras, nationaliteit, taal, godsdienst, ideologie, leeftijd, ziekte, handicap, seksuele gerichtheid of beroep.
- 2.
Het is verboden vernederende, racistische, xenofobe of seksistische boodschappen of kwalificaties alsook intolerante stellingen te verspreiden, en meer in het algemeen mogen etnische of religieuze minderheden en andere kwetsbare of zwakke groepen niet worden geschaad.’
22
Artikel 9, lid 2, van presidentieel decreet 77/2003 luidt als volgt:
‘Personen die deelnemen aan of vermeld worden in uitzendingen, moeten op billijke, correcte en waardige wijze worden behandeld. In het bijzonder mag hun persoonlijkheid, eer en waardigheid niet worden aangetast. Voorts moeten hun privé- en gezinsleven, beroepsactiviteiten en recht op vrijheid van meningsuiting worden geëerbiedigd. De uitoefening van kritiek is niet onverenigbaar met de eerbiediging van de rechten van de personen die worden getoond of genoemd.’
Hoofdgedingen, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
23
Makeleio en Zougla zijn vennootschappen naar Grieks recht die websites van kranten exploiteren waarop ook audiovisuele inhoud wordt aangeboden.
24
Op 29 juni 2021 heeft Makeleio op haar website www.makeleio.gr een programma uitgezonden waarin de presentator verslag uitbracht van het bezoek dat vertegenwoordigers van de lhbt+-gemeenschap brachten aan de Griekse minister-president, waarbij die presentator scheldwoorden gebruikte en zich in het bijzonder beledigend en denigrerend uitliet over homoseksuele personen. Die presentator maakte ironische opmerkingen over de seksuele gerichtheid van die personen en zette aldus indirect het publiek aan tot het plegen van verbaal en fysiek geweld jegens hen, in navolging van vergelijkbaar geweld dat hij naar eigen zeggen zelf had gepleegd toen hij jonger was.
25
Op 22 februari 2021 heeft Zougla op haar website www.zougla.gr een radioprogramma doorgegeven van een radiostation dat ook via het internet uitzendt. Dat programma is in audiovisuele vorm op de website van Zougla uitgezonden. In het kader van die uitzending heeft de presentator met betrekking tot een strafzaak inzake bepaalde aan derden ten laste gelegde pedofiliehandelingen, bepaalde politici mondeling aangevallen met lasterlijke en beledigende uitlatingen. In die context heeft die presentator meer bepaald over een van die personen gesteld dat hij ‘bewust verkrachters van minderjarigen en pedofielen heeft beschermd en hen verantwoordelijke functies heeft toegekend in het kader waarvan zij hun ziekelijke seksuele impulsen konden proberen te voldoen’. Voorts heeft hij gesteld dat de betrokken persoon ‘op zijn minst een aanstoker en een mededader [was]’ bij aan derden ten laste gelegde pedofiliehandelingen en verkrachting van minderjarigen.
26
Over elk van die twee programma's (hierna: ‘in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma's’) is voor de ESR een procedure gevoerd.
27
De ESR was van mening dat het door Makeleio uitgezonden programma herhaaldelijk en op duidelijk denigrerende en beledigende wijze had verwezen naar een specifieke bevolkingsgroep op basis van de seksuele gerichtheid van haar leden, waarbij die leden werden vernederd en sociaal gestigmatiseerd. In het licht van die feiten heeft de ESR in besluit nr. 140/2021 vastgesteld dat Makeleio inbreuk had gemaakt op, ten eerste, het verbod van artikel 8 van wet 4779/2021 tot het aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen wegens de seksuele gerichtheid van hun leden, en ten tweede, de verplichting tot eerbiediging van de menselijke waarde en waardigheid alsmede het verbod om inhoud van inferieure kwaliteit uit te zenden overeenkomstig artikel 1, lid 1, van wet 2328/1995 alsook artikel 2, lid 1, artikel 4 en artikel 9, lid 2, van presidentieel decreet 77/2003. Bijgevolg heeft de ESR Makeleio een geldboete van 30 000 EUR opgelegd voor elk van de twee begane inbreuken.
28
Wat het door Zougla uitgezonden programma betreft, was de ESR van mening dat het betreffende programma onder het mom van informatie en werkelijke feiten het publiek veronderstellingen en standpunten van de presentator had voorgeschoteld die totaal ongegrond waren en de daarin vermelde personen beledigden. Door dat programma was de doorgegeven radio-uitzending van ‘extreem inferieure kwaliteit’ en tastte zij de waardigheid van die personen aan. In het licht van die feiten heeft de ESR in besluit nr. 99/2021 vastgesteld dat Zougla krachtens artikel 1, lid 1, van wet 2328/1995 alsook artikel 2, lid 1, artikel 4 en artikel 9, lid 2, van presidentieel decreet 77/2003, de verplichting tot eerbiediging van de menselijke waarde en waardigheid en het verbod op de uitzending van programma's van inferieure kwaliteit had geschonden. Derhalve heeft de ESR wegens het begaan van deze twee inbreuken aan Zougla twee geldboeten — van respectievelijk 40 000 EUR en 80 000 EUR — opgelegd.
29
In de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde besluiten heeft de ESR vastgesteld dat uit de bewoordingen van de bepalingen van nationaal recht waarop hij die besluiten heeft gebaseerd, blijkt dat die bepalingen uitsluitend van toepassing zijn op de aanbieders van traditionele televisiediensten, namelijk de televisiediensten die door televisiezenders worden aangeboden, hetzij via analoge en digitale omroepfrequenties, hetzij per satelliet, hetzij via breedbandnetwerken.
30
De ESR heeft die bepalingen van nationaal recht echter in die zin uitgelegd dat zij, ondanks de bewoordingen ervan, ook van toepassing zijn op aanbieders van via het internet uitgezonden audiovisuele inhoud (hierna: ‘aanbieders van onlinetelevisiediensten’), waaronder Makeleio en Zougla. Daartoe heeft hij zich gebaseerd op de uitleggingscriteria voor het begrip ‘audiovisuele mediadiensten’ in de zin van richtlijn 2010/13 uit de rechtspraak die teruggaat op het arrest van 21 oktober 2015, New Media Online (C-347/14, EU:C:2015:709), waaruit blijkt dat audiovisuele inhoud die via het internet wordt uitgezonden door een marktdeelnemer die niet de exploitant van een televisiezender is, onder dat begrip valt.
31
Makeleio en Zougla hebben bij de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland), de verwijzende rechter, beroepen tot nietigverklaring ingediend tegen de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde besluiten.
32
Volgens het binnen de Symvoulio tis Epikrateias heersende standpunt moesten de nationale bepalingen waarop de ESR de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde besluiten had gebaseerd, zodanig worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op aanbieders van onlinetelevisiediensten.
33
In deze omstandigheden heeft de Symvoulio tis Epikrateias de behandeling van de zaken geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende in de zaken C-555/23 en C-556/23 gelijk geformuleerde vragen:
- ‘1)
Valt het waarborgen van de eerbiediging en bescherming van de menselijke waarde en waardigheid, en het tegengaan van de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit door aanbieders van televisiediensten, met name inhoud met de kenmerken van de uitzending van [de verzoeksters in de hoofdgedingen], onder de doelstellingen van richtlijn [2010/13], en derhalve binnen de werkingssfeer ervan?
- 2)
Indien de verplichting tot eerbiediging en bescherming van de menselijke waarde en waardigheid en/of het verbod op de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit, met name inhoud met de kenmerken van [de uitzendingen die in de hoofdgedingen aan de orde zijn], binnen de werkingssfeer van [richtlijn 2010/13] valt (vallen): is een nationale bepaling volgens welke de genoemde verplichtingen gelden voor alle aanbieders van televisiediensten behalve voor de aanbieders die hun televisieprogramma's slechts via het internet uitzenden, in strijd met artikel 4, lid 1, van [richtlijn 2010/13], gelezen in samenhang met het beginsel van gelijke behandeling, dat is verankerd in de artikelen 20 en 21 van het [Handvest]?
- 3)
Indien het antwoord op de eerste [en de tweede vraag] bevestigend luidt: dient de nationale regelgevende instantie dan — om te verzekeren dat [richtlijn 2010/13] daadwerkelijk doeltreffend is — de nationale regels waarbij de betreffende verplichtingen worden opgelegd, zonder onderscheid toe te passen op alle aanbieders van televisiediensten, ondanks dat deze verplichtingen en de daaraan verbonden sancties volgens het nationale recht gelden voor alle overige aanbieders van televisiediensten, maar niet voor degenen die hun televisieprogramma's slechts via het internet uitzenden? Of is het opleggen van administratieve sancties wegens schending van genoemde verplichtingen door een online televisie-uitzending indien dit gebeurt op grond van een ruime uitlegging of analoge toepassing van de nationale regels inzake andere televisiediensten, onverenigbaar met het beginsel ‘nullum crimen, nulla poena sine lege certa’, dat is verankerd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het [Handvest], gelezen in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel?
- 4)
Indien het antwoord op de eerste prejudiciële vraag ontkennend luidt en [door het Hof] wordt geoordeeld dat de verplichting tot eerbiediging en bescherming van de menselijke waarde en waardigheid en/of het verbod op de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit (met name inhoud zoals [de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma's]) niet vallen binnen de werkingssfeer van [richtlijn 2010/13] in de zin van artikel 4, lid 1: volgt dan uit artikel 2, lid 1, van [die richtlijn], in het geval dat de wettelijke regeling van een lidstaat deze verplichtingen op straffe van administratieve sancties oplegt aan aanbieders van televisiediensten via zendmasten, via satellietverbindingen of via breedbandnetwerken, maar niet aan aanbieders van onlinetelevisiediensten, dat de bevoegde nationale instantie uit hoofde van het beginsel van gelijke behandeling gehouden is om ook bij een online televisie-uitzending de mogelijkheid van oplegging van administratieve sancties wegens schending van bovengenoemde regels te overwegen?
- 5)
Indien het antwoord op de vierde vraag bevestigend luidt: is op grond van de voorgaande overwegingen en op basis van een uitlegging van het nationale recht die in overeenstemming is met het recht van de Unie en, in het bijzonder, met de genoemde bepalingen van [richtlijn 2010/13], de verplichting van de nationale regelgevende instantie om de regels van het nationale recht waarbij genoemde verplichtingen worden opgelegd, zonder onderscheid op alle televisiediensten toe te passen, ongeacht de wijze van transmissie, verenigbaar met het beginsel ‘nullum crimen, nulla poena sine lege certa’ en het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien deze verplichtingen, die het nationale recht aan alle overige aanbieders van televisiediensten oplegt, niet van toepassing zijn op onlinetelevisie?’
34
Bij beslissing van de president van het Hof van 2 oktober 2023 zijn de zaken C-555/23 en C-556/23 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Opmerkingen vooraf
Kwalificatie van verzoeksters in de hoofdgedingen als ‘aanbieders van audiovisuele mediadiensten’ in de zin van richtlijn 2010/13
35
Uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing blijkt dat de vragen van de verwijzende rechter berusten op de premisse dat de uitzending van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma's een audiovisuele mediadienst is die onder richtlijn 2010/13 valt en verzoeksters in de hoofdgedingen dus ‘aanbieders van mediadiensten’ zijn in de zin van die richtlijn.
36
In haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting heeft Makeleio evenwel aangevoerd dat zij geen ‘aanbieder van mediadiensten’ is in de zin van die richtlijn en dat die richtlijn derhalve niet op haar van toepassing is.
37
In dit verband zij eraan herinnerd dat het in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de Unierechter en de nationale rechterlijke instanties in beginsel aan de nationale rechterlijke instantie staat om te onderzoeken of in de bij haar aanhangige zaak aan de feitelijke voorwaarden voor toepasselijkheid van een Unierechtelijke norm is voldaan en dat het Hof in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing in voorkomend geval preciseringen kan geven teneinde de nationale rechterlijke instantie bij haar uitlegging te leiden (arrest van 15 maart 2012, SCF, C-135/10, EU:C:2012:140, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Het staat derhalve aan het Hof om de verwijzende rechter de nodige uitleggingselementen te verstrekken met betrekking tot het begrip ‘audiovisuele mediadienst’ in de zin van die richtlijn zodat hij kan nagaan of de uitzending van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma's daadwerkelijk onder dit begrip valt en of Makeleio en Zougla dus moeten worden beschouwd als ‘aanbieders van mediadiensten’ in de zin van die richtlijn.
39
In deze context zij eraan herinnerd dat overeenkomstig de in artikel 1, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2010/13 neergelegde definitie, het begrip ‘audiovisuele mediadienst’ ziet op een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 VWEU waarvan het hoofddoel of het hoofddoel van een losstaand gedeelte daarvan bestaat in de levering van programma's voor het algemene publiek, onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, ter informatie, vermaak of educatie door middel van elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/21.
40
Voorts wordt volgens artikel 1, lid 1, onder d), van richtlijn 2010/13 voor de toepassing van deze richtlijn onder ‘aanbieder van audiovisuele mediadiensten’ verstaan de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud van de audiovisuele mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd.
41
In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat — zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 1, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2010/13, gelezen in het licht van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2018/1972, dat artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/21 heeft vervangen — zowel de uitzending van programma's door middel van analoge en digitale omroepfrequenties als de uitzending van programma's via het internet onder het begrip ‘audiovisuele mediadiensten’ in de zin van richtlijn 2010/13 kunnen vallen.
42
Hieruit volgt dat het begrip ‘aanbieder van audiovisuele mediadiensten’ in de zin van die richtlijn zowel de in punt 29 vermelde aanbieders van traditionele televisiediensten omvat als de aanbieders van onlinetelevisiediensten.
43
In de tweede plaats wordt niet betwist dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma's zijn uitgezonden ter informatie of vermaak en voorts dat zij zijn uitgezonden via websites en dus via elektronischecommunicatienetwerken in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2018/1972.
44
In de derde plaats ziet het begrip ‘programma’ in de zin van richtlijn 2010/13 volgens de definitie in artikel 1, lid 1, onder b), ervan op ‘een reeks bewegende beelden, […] die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of een door een aanbieder van mediadiensten opgestelde catalogus, met inbegrip van bioscoopfilms, videoclips, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's en origineel drama’.
45
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de beschikbaarstelling van videofilms van korte duur met korte fragmenten van lokale nieuwsbulletins, sport of amusement op een website van een krant, onder het begrip ‘programma’ in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2010/13 valt (arrest van 21 oktober 2015, New Media Online, C-347/14, EU:C:2015:709, punt 24).
46
Het Hof kwam tot die vaststelling door zich met name te baseren op het feit dat — net zoals bij een televisie-uitzending — dergelijke video's gericht zijn op een massapubliek en daarop duidelijk een impact kunnen hebben in de zin van overweging 21 van die richtlijn. Voorts verschilt de wijze van selectie van die video's niet van de wijze van selectie bij audiovisuele mediadiensten op aanvraag die binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen. De internetgebruiker heeft immers de mogelijkheid om toegang te krijgen tot de video die hem interesseert op individueel verzoek en op het door hem gekozen moment op basis van een door de beheerder van de internetkrant opgestelde catalogus of lijst. Ten slotte concurreren de video's over de actualiteit met de informatiediensten die door de aanbieders van televisie-uitzendingen worden aangeboden en de video's over culturele evenementen, sportevenementen of die onderhoudende reportages brengen, met muziekzenders, sportzenders en amusementsprogramma's (zie in die zin arrest van 21 oktober 2015, New Media Online, C-347/14, EU:C:2015:709, punten 21 en 23).
47
In casu heeft de ESR ter terechtzitting opgemerkt dat het in geding zijnde programma van Makeleio een programma was dat dagelijks in audiovisuele vorm op de website van die entiteit werd uitgezonden, dat deze uitzending meerdere uren duurde, een eigen naam had, door dezelfde journalist werd gepresenteerd en met het logo van Makeleio werd uitgezonden, dat Makeleio op haar website het publiek informeerde over de dagelijkse uitzending van dat programma en de uitzendtijdstippen ervan, dat de uitzending van het programma aanvankelijk lineair was en vervolgens online werd geplaatst zodat de belangstellenden op verzoek toegang konden krijgen, en dat er op die website een lijst bestond aan de hand waarvan naar eerdere uitzendingen kon worden gezocht. De ESR heeft ook opgemerkt dat de in geding zijnde uitzending van Zougla dezelfde kenmerken vertoonde.
48
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter moet derhalve worden vastgesteld dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma's — als video's in het schema of in de catalogus van het audiovisuele aanbod dat in het kader van de elektronische versie van een krant wordt aangeboden — ‘programma's’ zijn in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2010/13.
49
In de vierde plaats heeft het Hof met betrekking tot de criteria die de verwijzende rechter in aanmerking moet nemen bij de beoordeling van het in artikel 1, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2010/13 bedoelde ‘hoofddoel’ van een dienst bestaande in de beschikbaarstelling van video's in het kader van de elektronische versie van een krant, vastgesteld dat moet worden onderzocht of die dienst als zodanig een autonome inhoud en functie heeft ten opzichte van de journalistieke activiteit van de beheerder van de betrokken website, en niet enkel een onlosmakelijke aanvulling op deze activiteit is, met name door de banden van het audiovisuele aanbod met de aangeboden teksten (arrest van 21 oktober 2015, New Media Online, C-347/14, EU:C:2015:709, punt 37).
50
Het staat dus aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma's een autonome inhoud en functie hebben ten opzichte van de artikelen in de geschreven pers van de uitgever van de onlinekrant. Indien dat het geval is, vallen die programma's binnen de werkingssfeer van richtlijn 2010/13. Als die programma's daarentegen alleen maar een onlosmakelijke nevenactiviteit zijn van de journalistieke activiteit van die uitgever, namelijk wegens de banden met de aangeboden teksten, vallen zij niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn.
51
In dit verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het feit dat de op de website van een krant aangeboden video's los van het raadplegen van de artikelen van de elektronische versie van die krant toegankelijk en consulteerbaar zijn, erop kan wijzen dat de op een dergelijke website aangeboden dienst van beschikbaarstelling van video's zou kunnen worden geacht een autonome inhoud en functie te hebben ten opzichte van de journalistieke activiteit van de beheerder van die website en dus een dienst te vormen die losstaat van de andere door die website aangeboden diensten (arrest van 21 oktober 2015, New Media Online, C-347/14, EU:C:2015:709, punt 36).
52
In de vijfde plaats behelst het begrip ‘redactionele verantwoordelijkheid’ volgens artikel 1, lid 1, onder c), van richtlijn 2010/13 het uitoefenen van effectieve controle over de keuze van programma's en de organisatie ervan in hetzij een chronologisch schema, in het geval van televisie-uitzendingen, hetzij een catalogus, in het geval van audiovisuele mediadiensten op aanvraag.
53
Bij een op de website van een krant aangeboden dienst van beschikbaarstelling van video's kan een dergelijke controle met name betrekking hebben op het online plaatsen en verwijderen van video's, het tijdschema en de tijdstippen voor de uitzending van de video's op deze website, de periode gedurende welke die voor internetgebruikers toegankelijk zijn, de structuur van die website, de wijze waarop de video's worden gepresenteerd en geselecteerd, het systeem voor het zoeken naar video's en het bijwerken van de inhoud van die website.
54
Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om te beoordelen of Makeleio en Zougla redactionele verantwoordelijkheid dragen in de zin van artikel 1, lid 1, onder c), van richtlijn 2010/13 voor de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma's, kunnen de in punt 47 van het onderhavige arrest genoemde elementen erop wijzen dat dit het geval is. Het door Makeleio ter terechtzitting bevestigde feit dat de presentator van haar in geding zijnde programma een journalist was die door die entiteit in dienst was genomen om live-uitzendingen te verzorgen en om dat programma dagelijks te presenteren, en dat Makeleio voorts had besloten haar in geding zijnde programma uit te zenden, bevestigt dat die entiteit de redactionele verantwoordelijkheid voor die uitzending op zich nam.
55
Gelet op de overwegingen in de punten 37 tot en met 54 van het onderhavige arrest en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, moeten de gestelde vragen dus worden beantwoord uitgaande van de premisse dat Makeleio en Zougla ‘aanbieders van mediadiensten’ zijn in de zin van richtlijn 2010/13, en meer bepaald aanbieders van onlinetelevisiediensten, en dat de uitzending van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma's een ‘audiovisuele mediadienst’ in de zin van deze richtlijn vormt.
Uitlegging van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling
56
In haar schriftelijke opmerkingen uit de Europese Commissie twijfels over de door de verwijzende rechter gegeven uitlegging van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling, volgens welke de nationale bepalingen die voorzien in de verplichting om op straffe van een sanctie de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en in het verbod om inhoud van inferieure kwaliteit uit te zenden, niet van toepassing zijn op aanbieders van onlinetelevisiediensten.
57
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het Hof volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van bepalingen van de nationale rechtsorde in beginsel de kwalificaties in de verwijzingsbeslissing tot uitgangspunt dient te nemen. Het Hof is namelijk niet bevoegd om het nationale recht van een lidstaat uit te leggen (arrest van 5 december 2023, Deutsche Wohnen, C-807/21, EU:C:2023:950, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Bijgevolg moeten de gestelde vragen worden beantwoord op basis van de premisse dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling niet van toepassing is op aanbieders van onlinetelevisiediensten.
Eerste vraag in beide zaken
59
Om te beginnen blijkt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter zich, gelet op de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling, afvraagt of de verplichting om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en het verbod op de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2010/13 vallen.
60
Blijkens het opschrift en overweging 11 van richtlijn 2010/13 beoogt die richtlijn de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten met het oog op de voltooiing van een echte interne markt voor deze diensten. Daartoe stelt die richtlijn een minimumpakket gecoördineerde regels vast die van toepassing zijn op alle audiovisuele mediadiensten, waarvan sommige, zoals blijkt uit overweging 18 van die richtlijn en overweging 7 van richtlijn 2018/1972, betrekking hebben op de inhoud van die diensten.
61
Zoals de advocaat-generaal in punt 72 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, grijpt richtlijn 2010/13 niet verder in op de inhoud van audiovisuele mediadiensten dan met de minimumeisen van die richtlijn. De afwezigheid van een dergelijk ingrijpen weerspiegelt bovendien de wens van de Uniewetgever om de aanbieders van die diensten werkelijk greep te geven op de inhoud van die diensten, zoals in overweging 38 van de richtlijn is vermeld.
62
Richtlijn 2010/13 bevat dus geen bepalingen over de kwaliteit op zich van de inhoud van de programma's die binnen haar werkingssfeer vallen, noch voorziet zij in enige verbodsgrond wegens een slechte of inferieure kwaliteit van de uitgezonden inhoud.
63
Het verbod op de uitzending van programma's van inferieure kwaliteit valt bijgevolg niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2010/13 omdat het verder gaat dat de minimumvereisten die door die richtlijn worden opgelegd.
64
In casu blijkt uit de gegevens in de verzoeken om een prejudiciële beslissing — en is door de ESR bovendien ter terechtzitting voor het Hof bevestigd — dat de inhoud van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde programma's op grond van het enkele feit dat dergelijke inhoud werd geacht de menselijke waardigheid aan te tasten is aangemerkt als ‘van inferieure kwaliteit’ en aldus werd geacht te vallen onder het verbod op de uitzending van inhoud van inferieure kwaliteit dat is neergelegd in de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling.
65
Gelet op de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde geschillen moet derhalve worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in beide zaken in wezen wenst te vernemen of richtlijn 2010/13 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.
66
In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13, dat deel uitmaakt van de voor alle audiovisuele mediadiensten geldende bepalingen in hoofdstuk III van deze richtlijn, de lidstaten verplicht om er met passende middelen voor te zorgen dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders worden aangeboden, niet aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep op basis van een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden, of publiekelijk het plegen van een terroristisch misdrijf uitlokken, ‘[o]nverminderd [hun] verplichting […] de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen’.
67
Met die laatste zinsnede heeft de Uniewetgever de lidstaten dus niet alleen verplicht om bij de uitvoering van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 de menselijke waardigheid te eerbiedigen, maar ook om de menselijke waardigheid te beschermen. Deze verplichting houdt in het bijzonder in dat, zoals blijkt uit de lezing van deze bepaling in haar geheel, de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de inhoud van de audiovisuele mediadiensten die door de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders wordt aangeboden, de waarde van de menselijke waardigheid niet aantast.
68
Derhalve volgt uit de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 dat de verplichting om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en het verbod om inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, onder die bepaling vallen.
69
In de tweede plaats bevestigt de context van artikel 6, lid 1, een dergelijke uitlegging.
70
Overeenkomstig artikel 1, lid 1, onder a), ii), van richtlijn 2010/13 valt audiovisuele commerciële communicatie namelijk onder het begrip ‘audiovisuele mediadienst’ in de zin van deze richtlijn. Het feit dat artikel 9 van de richtlijn, dat eveneens deel uitmaakt van de bepalingen van hoofdstuk III, de lidstaten verplicht erop toe te zien dat die communicatie aan bepaalde vereisten voldoet, waaronder met name — krachtens lid 1, onder c), i), ervan — dat de menselijke waardigheid niet mag worden aangetast, bevestigt dat de Uniewetgever in het kader van de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden heeft willen voorzien in een verbodsgrond die specifiek is gebaseerd op een aantasting van de waarde van de menselijke waardigheid als uitvloeisel van de verplichting om die waarde te eerbiedigen.
71
In de derde plaats moet worden opgemerkt dat richtlijn 2010/13, zoals blijkt uit overweging 104 ervan, tot doel heeft een ruimte zonder binnengrenzen voor audiovisuele mediadiensten te realiseren waarbij tegelijk een hoog beschermingsniveau wordt gewaarborgd wat betreft doelstellingen van algemeen belang en met name de bescherming van de menselijke waardigheid. Voorts volgt uit overweging 59 van die richtlijn dat voorschriften zoals die van artikel 6 van de richtlijn nodig zijn ter bescherming van in het bijzonder de menselijke waardigheid in alle audiovisuele mediadiensten.
72
Een uitlegging van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 volgens welke die bepaling de verplichting omvat om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en het verbod om inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, strookt dus zowel met de doelstellingen van die richtlijn als met die van de betreffende bepaling zelf.
73
Derhalve volgt uit de letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 dat de verplichting om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen alsmede het verbod om inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, onder die bepaling en dus binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen.
74
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag in beide zaken worden geantwoord dat richtlijn 2010/13 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn en met name van artikel 6, lid 1, ervan, valt.
Tweede vraag in beide zaken
75
Gelet op het antwoord op de eerste vraag in beide zaken en gelet op de overwegingen in punt 64 van het onderhavige arrest, moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in beide zaken in wezen wenst te vernemen of artikel 4, lid 1, van richtlijn 2010/13, gelezen in het licht van het gelijkheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast.
76
Er zij aan herinnerd dat het Hof op grond van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB 1989, L 298, blz. 23), waarvan de gewijzigde versie is gecodificeerd bij richtlijn 2010/13, heeft geoordeeld dat een dergelijke richtlijn de regels voor de gebieden waarop zij van toepassing is niet volledig harmoniseert, maar voorziet in minimumvoorschriften waaraan uitzendingen afkomstig uit en bedoeld voor ontvangst in de Europese Unie moeten voldoen (arrest van 18 juli 2013, Sky Italia, C-234/12, EU:C:2013:496, punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77
Zoals volgt uit artikel 4, lid 1, van richtlijn 2010/13 alsook uit de overwegingen 41 en 83 van die richtlijn, mogen de lidstaten in deze context, teneinde te waarborgen dat de belangen van de consumenten als kijkers naar uitzendingen volledig en naar behoren worden beschermd, voor aanbieders van mediadiensten die onder hun bevoegdheid vallen, meer gedetailleerde en strengere voorschriften uitvaardigen en in bepaalde gevallen verschillende voorwaarden stellen op de onder deze richtlijn vallende gebieden, mits die regels stroken met het Unierecht en, inzonderheid, met de algemene beginselen daarvan (arrest van 3 februari 2021, Fussl Modestraße Mayr, C-555/19, EU:C:2021:89, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78
Een nationale regeling op grond waarvan de waarde van de menselijke waardigheid moet worden geëerbiedigd en geen inhoud mag worden uitgezonden welke die waarde aantast, doet niet meer dan de verplichting om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en de verbodsgrond inzake de aantasting van de menselijke waardigheid uit artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 overnemen, zodat een dergelijke regeling geen ‘meer gedetailleerde’ of ‘strengere’ regels in de zin van artikel 4, lid 1, van die richtlijn bevat en bijgevolg niet onder laatstgenoemde bepaling valt.
79
Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord in het licht van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 en niet in het licht van artikel 4, lid 1, van die richtlijn.
80
Een nationale regeling die enkel een vereiste formuleert dat voortvloeit uit de minimumvoorschriften van die richtlijn, zoals de uit artikel 6, lid 1, van die richtlijn volgende verplichting om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, moet dwingend van toepassing zijn op alle aanbieders van mediadiensten die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallen.
81
Anders zou een dergelijke nationale regeling namelijk niet alleen indruisen tegen de personele werkingssfeer van richtlijn 2010/13 en met name van artikel 6, lid 1, ervan, maar ook de verwezenlijking in gevaar brengen van de door deze richtlijn nagestreefde doelstelling om een interne markt voor audiovisuele mediadiensten tot stand te brengen, alsmede de verwezenlijking van de in artikel 6, lid 1, bedoelde doelstelling van bescherming van de menselijke waardigheid in alle audiovisuele mediadiensten.
82
Hieruit volgt dat een nationale regeling die alleen bepaalde aanbieders van mediadiensten verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, in strijd is met artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13.
83
Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag in beide zaken worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast.
Derde vraag in beide zaken
84
Gelet op de antwoorden op de eerste en de tweede vraag in beide zaken, en gelet op de overwegingen in punt 64 van het onderhavige arrest, moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn derde vraag in beide zaken in wezen wenst te vernemen of het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, dat is neergelegd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, op grond van het beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht ruim wordt uitgelegd teneinde de categorie van de aanbieders van mediadiensten die hun inhoud via het internet uitzenden onder de werkingssfeer van die nationale regeling te brengen.
85
Volgens vaste rechtspraak moet de nationale rechter bij de toepassing van het interne recht dit zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht is namelijk inherent aan het systeem van het VWEU, aangezien de nationale rechter daardoor in staat wordt gesteld binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het Unierecht te verzekeren bij de beslechting van de bij hem aanhangige gedingen (arrest van 24 januari 2012, Dominguez, C-282/10, EU:C:2012:33, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86
Het beginsel van richtlijnconforme uitlegging vereist dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, rekening houdend met het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (arrest van 24 januari 2012, Dominguez, C-282/10, EU:C:2012:33, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87
Zoals het Hof ook heeft geoordeeld wordt het beginsel van conforme uitlegging echter begrensd door de algemene rechtsbeginselen, die een bestanddeel zijn van het Unierecht, en met name door het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen dat is neergelegd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest (zie in die zin arresten van 28 juni 2012, Caronna, C-7/11, EU:C:2012:396, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 24 maart 2021, Prefettura Ufficio territoriale del governo di Firenze, C-870/19 en C-871/19, EU:C:2021:233, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 oktober 2021, Ministerul Lucrărilor Publice, Dezvoltării şi Administraţiei, C-360/20, EU:C:2021:856, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88
Dat legaliteitsbeginsel vormt een bijzondere uitdrukking van het algemene rechtszekerheidsbeginsel en impliceert onder meer dat de wet een duidelijke omschrijving geeft van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen, teneinde de voorzienbaarheid van zowel de definitie van het strafbare feit als de strafbepaling te waarborgen (arrest van 10 september 2024, Neves 77 Solutions, C-351/22, EU:C:2024:723, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de door de betrokken rechterlijke instanties daaraan gegeven uitlegging, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld (arrest van 14 september 2023, Commissie en IGG/Dansk Erhverv, C-508/21 P en C-509/21 P, EU:C:2023:669, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89
Wat in dat verband in het bijzonder een geval betreft dat betrekking heeft op de draagwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid die voortvloeit uit een ter uitvoering van een richtlijn vastgestelde wet, heeft het Hof verduidelijkt dat het beginsel dat de toepassing van de strafwet niet ten nadele van de verdachte mag worden uitgebreid — dat zelf een uitvloeisel is van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, en meer in het algemeen van het rechtszekerheidsbeginsel — zich verzet tegen de instelling van een strafvervolging wegens een feit dat niet duidelijk bij wet strafbaar is gesteld (arrest van 12 december 1996, X, C-74/95 en C-129/95, EU:C:1996:491, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
90
Uiteindelijk wordt de voor de nationale rechter geldende verplichting tot conforme uitlegging van het nationale recht in het licht van een richtlijn, begrensd door het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, aangezien — zoals meermaals door het Hof is opgemerkt — een richtlijn uit zichzelf en onafhankelijk van een door een lidstaat ter uitvoering ervan vastgestelde nationale wet niet bepalend kan zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overtreders van de bepalingen ervan of hun aansprakelijkheid kan verzwaren (zie arrest van 28 juni 2012, Caronna, C-7/11, EU:C:2012:396, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91
Ten slotte moet worden opgemerkt dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen eveneens van toepassing is op overtredingen en sancties van niet-strafrechtelijke aard (zie in die zin arrest van 28 oktober 2010, SGS Belgium e.a., C-367/09, EU:C:2010:648, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92
Zoals blijkt uit punt 82 van het onderhavige arrest, is een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, in strijd met artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13.
93
Een dergelijke nationale regeling zou dus in overeenstemming met artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 moeten worden uitgelegd dat ook aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden zich moeten houden aan de in die regeling neergelegde verplichting en dus kunnen worden bestraft in geval van niet-nakoming van die verplichting.
94
Wanneer echter een nationale regeling niet voorziet in de verplichting voor de aanbieders van mediadiensten die hun inhoud via het internet uitzenden om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, en die regeling evenmin voorziet in de oplegging van een sanctie aan die aanbieders in geval van niet-nakoming van die verplichting, verbiedt het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen die aanbieders te bestraffen voor dergelijke gedragingen, ook al is een dergelijke nationale regeling in strijd met artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 (zie naar analogie arrest van 28 juni 2012, Caronna, C-7/11, EU:C:2012:396, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95
Bijgevolg zou een uitlegging als die bedoeld in punt 93 van het onderhavige arrest neerkomen op een schending van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen en dus in strijd zijn met de grenzen die voortvloeien uit de aard van richtlijnen, op grond waarvan, zoals blijkt uit de in punt 90 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, een richtlijn uit zichzelf en onafhankelijk van een door een lidstaat ter uitvoering ervan vastgestelde nationale wet niet bepalend kan zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overtreders van de bepalingen ervan of hun aansprakelijkheid kan verzwaren.
96
Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag in beide zaken worden geantwoord dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen dat is neergelegd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, op grond van het beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht ruim wordt uitgelegd teneinde de categorie van de aanbieders van mediadiensten die hun inhoud via het internet uitzenden onder de werkingssfeer van die nationale regeling te brengen.
Vierde en vijfde vraag in beide zaken
97
Gelet op de antwoorden op de eerste vraag in beide zaken en gelet op de overwegingen in punt 64 van het onderhavige arrest, hoeft niet te worden geantwoord op de vierde en de vijfde vraag in beide zaken.
Kosten
98
Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018,
moet aldus worden uitgelegd dat
een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2010/13, zoals gewijzigd, en met name van artikel 6, lid 1, ervan, valt.
- 2)
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/1808,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast.
- 3)
Het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen dat is neergelegd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich ertegen verzet dat een nationale regeling die op straffe van een sanctie alle aanbieders van mediadiensten, met uitzondering van de aanbieders die hun inhoud via het internet uitzenden, verplicht om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en om geen inhoud uit te zenden welke die waarde aantast, op grond van het beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht ruim wordt uitgelegd teneinde de categorie van de aanbieders van mediadiensten die hun inhoud via het internet uitzenden onder de werkingssfeer van die nationale regeling te brengen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑06‑2025
Conclusie 30‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2010/13 — Aanbieding van audiovisuele mediadiensten (AVMD) — Online nieuwsportaal dat ook AVMD aanbiedt — Eerbied voor de menselijke waardigheid — Verbod op de uitzending van programma's van slechte kwaliteit — Beginsel van conforme uitlegging — Grenzen — Legaliteitsbeginsel
T. Ćapeta
Partij(en)
Gevoegde zaken C-555/23 en C-556/231.
Makeleio EPE (C-555/23)
Zougla G.R. AE (C-556/23)
tegen
Ethniko Symvoulio Radiotileorasis (ESR)
[verzoeken van de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
De bevoegde nationale autoriteit voor audiovisuele mediadiensten (AVMD) heeft twee Griekse online nieuwsportalen een boete opgelegd voor uitzendingen die de menselijke waardigheid aantasten.
2.
Deze portalen hebben voor de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland), de verwijzende rechter in de onderhavige zaken, de hun opgelegde boeten betwist op grond dat de relevante wetgeving die dergelijke uitzendingen verbiedt niet was gericht op online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden.
3.
In het kader van deze nationale procedures zijn verschillende vragen gerezen over de uitlegging van de richtlijn audiovisuele mediadiensten2. en over de grenzen aan het beginsel van conforme uitlegging.
II. Hoofdgedingen, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
4.
Makeleio en Zougla (hierna: ‘verzoeksters in de hoofdgedingen’) zijn Griekse online nieuwsportalen die ook audiovisuele programma's op hun websites aanbieden. Het gaat niet om traditionele AVMD-aanbieders; met andere woorden, zij zijn niet vergelijkbaar met televisiezenders die ofwel via toegewezen frequenties of online, ofwel op beide manieren uitzenden. Deze online nieuwsportalen bieden het publiek echter soms programma's aan die onder de AVMD-richtlijn vallen. Ik zal naar deze aanbieders verwijzen als online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden.
5.
Op 29 juni 2021 heeft Makeleio een programma uitgezonden waarin de nieuwslezer verslag uitbracht van het bezoek dat vertegenwoordigers van de lhbt+-gemeenschap brachten aan het kantoor van de Griekse minister-president, waarbij die nieuwslezer zich denigrerend, beledigend en met gebruik van scheldwoorden uitliet over homoseksuele personen, ironische opmerkingen over hun seksuele gerichtheid maakte en aldus indirect tot verbaal en daadwerkelijk geweld jegens hen aanzette. Ten slotte uitte deze nieuwslezer herhaaldelijk duidelijke insinuaties over de seksuele gerichtheid van met naam genoemde politici (hierna: ‘eerste betrokken programma’).
6.
Op 22 februari 2022 heeft Zougla via haar website het programma uitgezonden van een radiozender die tevens via internet uitzendt. Tijdens die uitzending heeft de presentator een lopende strafprocedure wegens pedofilie tegen derden benut om zonder enige onderbouwing bepaalde politici onder vermelding van hun voor- en achternaam persoonlijk aan te vallen, waarbij hij een aantal lasterlijke en beledigende opmerkingen maakte over hun vermeende neiging om pedofielen en pederasten te beschermen, en over hun rol bij de bevordering van personen in verantwoordelijke posities zodat zij hun seksuele driften konden botvieren (hierna: ‘tweede betrokken programma’).
7.
De twee betrokken programma's zijn voorgelegd aan de Ethniko Symvoulio Radiotileorasis (nationale radio- en televisieraad, Griekenland; hierna: ‘ESR’), de Griekse onafhankelijke administratieve instantie die toezicht houdt op de AVMD-markt en deze reguleert.3.
8.
De ESR was van mening dat beide aan het publiek ter beschikking gestelde programma's onder zijn bevoegdheid vielen, omdat het zowel Makeleio als Zougla beschouwde als aanbieder van AVMD in de zin van de AVMD-richtlijn en wet 4779/20214., waarbij deze richtlijn in nationaal recht is omgezet.
9.
Voor de uitzending van het eerste betrokken programma5. heeft de ESR Makeleio twee administratieve sancties opgelegd. De eerste sanctie, ten belope van 30 000 EUR, is opgelegd wegens schending van het in artikel 8 van wet 4779/2021 vastgelegde verbod om aan te zetten tot geweld of haat jegens personen op grond van hun seksuele gerichtheid. Met deze bepaling van wet 4779/2021 is artikel 6 van de AVMD-richtlijn in Grieks recht omgezet. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat artikel 8 van wet 4779/2021 artikel 6, lid 1, van de AVMD-richtlijn niet volledig letterlijk heeft omgezet en het inleidende zinsdeel ervan, waarin in het algemeen wordt verwezen naar het verbod op schending van de menselijke waardigheid, heeft weggelaten.6.
10.
De tweede sanctie, eveneens ten belope van 30 000 EUR, is opgelegd wegens schending van het verbod om een programma van slechte kwaliteit uit te zenden. Dat verbod is vastgelegd in twee wetgevingsinstrumenten die voorafgaan aan wet 4779/2021, namelijk wet 2328/1995 en presidentieel decreet 77/2003.7. Beide handelingen leggen uitdrukkelijk de verplichting op om de menselijke waarde en persoonlijkheid te eerbiedigen en verbieden de uitzending van programma's van slechte inhoudelijke kwaliteit. Ter terechtzitting heeft de ESR uiteengezet dat de inhoud van het programma juist wegens schending van de menselijke waardigheid werd geacht van slechte kwaliteit te zijn.
11.
De ESR heeft eveneens Zougla twee administratieve sancties opgelegd wegens uitzending van het tweede betrokken programma. De eerste sanctie, ten belope van 80 000 EUR, is opgelegd voor het uitzenden van inhoud van slechte kwaliteit en de tweede sanctie, ten belope van 40 000 EUR, voor niet-nakoming van de verplichting om de menselijke waardigheid te eerbiedigen. Beide sancties waren gebaseerd op dezelfde twee wetten op grond waarvan aan Makeleio de tweede sanctie was opgelegd, namelijk wet 2328/1995 en presidentieel decreet 77/2003.
12.
Wet 2328/1995 en presidentieel decreet 77/2003, die als rechtsgrondslag hebben gediend voor een deel van de opgelegde sancties, zijn niet uitdrukkelijk van toepassing op online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden. De ESR was evenwel van mening dat de nationale wetten waarin de verplichting tot eerbiediging van de menselijke waardigheid en de persoonlijkheid is vastgelegd, ook al zijn zij vóór de AVMD-richtlijn vastgesteld, van toepassing moeten zijn op ‘elk audiovisueel materiaal dat via vrij toegankelijke websites aan het publiek wordt aangeboden en waarvan de mogelijke effecten voor de kijkers of luisteraars analoog zijn aan die van soortgelijk materiaal dat wordt uitgezonden door traditionele aanbieders’. Bijgevolg moeten volgens de ESR de uit deze nationale wetten voortvloeiende verplichtingen ook gelden voor online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden, ook al zijn deze niet uitdrukkelijk in de tekst van de relevante nationale bepalingen opgenomen.
13.
Bij twee afzonderlijke verzoekschriften hebben verzoeksters in de hoofdgedingen bij de verwijzende rechter een verzoek tot nietigverklaring van de besluiten van de ESR ingediend. Verzoeksters betogen dat hun geen sanctie kan worden opgelegd wegens niet-nakoming van de verplichting om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en wegens de uitzending van een programma van slechte kwaliteit, omdat de nationale wetgeving die in een dergelijke verplichting voorziet, niet van toepassing is op online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden.
14.
Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt niet dat verzoeksters betwisten dat de betrokken programma's de menselijke waardigheid aantasten of van slechte kwaliteit zijn. Zij betogen veeleer dat de Griekse wet die hun de verplichting oplegt om de menselijke waardigheid niet aan te tasten, niet op deze programma's van toepassing is.
15.
De leden van de Symvoulio tis Epikrateias zijn het niet eens over de vraag of het nationale recht schending van de menselijke waardigheid en uitzending van een programma van slechte kwaliteit verbiedt voor online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden. Enerzijds is de meerderheid van oordeel dat de relevante nationale wetgeving niet duidelijk en ondubbelzinnig betrekking heeft op online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden. Bijgevolg was het de nationale regelgevende instantie volgens die meerderheid niet toegestaan om de betrokken sancties aan verzoeksters op te leggen door de bepalingen van nationaal recht naar analogie toe te passen.
16.
Anderzijds is een minderheid van de formatie van de Symvoulio tis Epikrateias van oordeel dat het Griekse recht, met inbegrip van artikel 15, lid 2, van de Syntagma tis Elladas (Griekse grondwet)8., van toepassing is op de uitzending van elk programma, ongeacht de wijze van uitzending, dus met inbegrip van online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden. Die minderheid is derhalve van oordeel dat het huidige Griekse recht aanbieders zoals Makeleio en Zougla reeds een verbod op het aantasten van de menselijke waardigheid oplegt. Naar oordeel van die minderheid heeft de nationale regulerende instantie de betrokken sancties dus rechtmatig opgelegd.
17.
Ondanks dit meningsverschil zijn de leden van de Symvoulio tis Epikrateias unaniem van oordeel dat een van de doelstellingen van de AVMD-richtlijn erin bestaat de eerbiediging van de menselijke waardigheid te waarborgen en de uitzending van programma's van slechte kwaliteit, die in beide onderhavige zaken aan de orde is, te voorkomen. Deze rechter verzoekt het Hof evenwel te bevestigen dat een dergelijke uitlegging van de AVMD-richtlijn juist is.
18.
Bovendien is de Symvoulio tis Epikrateias, althans in meerderheid, van oordeel dat de betrokken sancties niet louter op grond van een uitlegging van het nationale recht die in overeenstemming is met de AVMD-richtlijn konden worden opgelegd aan online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden, ook al heeft de AVMD-richtlijn tot doel schending van de menselijke waardigheid te verbieden en valt dit verbod binnen de werkingssfeer van deze richtlijn. Het legaliteitsbeginsel, zoals uitgedrukt in het adagium ‘nullum crimen, nulla poena sine lege’, verzet zich daartegen.
19.
In deze omstandigheden heeft de Symvoulio tis Epikrateias de behandeling van de zaken geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Valt a) het waarborgen van de eerbiediging en bescherming van de menselijke waarde en waardigheid, en b) het tegengaan van vertoning van materiaal van inferieur gehalte door aanbieders van televisiediensten, met name materiaal met de kenmerken van de uitzending van verzoekster, onder de doelstellingen van richtlijn [2010/13], zoals gewijzigd bij richtlijn [2018/1808], en derhalve binnen de werkingssfeer ervan?
- 2)
Indien a) de verplichting tot eerbiediging en bescherming van de menselijke waarde en waardigheid en/of b) het verbod op vertoning van materiaal van inferieur gehalte, met name materiaal met de kenmerken van de litigieuze uitzending, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt (vallen): is een nationale bepaling volgens welke de genoemde verplichtingen gelden voor alle aanbieders van televisiediensten behalve voor degenen die televisieprogramma's slechts via het internet vertonen, in strijd met artikel 4, lid 1, van de richtlijn, gelezen in samenhang met het beginsel van gelijke behandeling, dat is verankerd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?
- 3)
Indien het antwoord op de eerste twee vragen bevestigend luidt: dient de nationale regelgevende instantie dan — om te verzekeren dat de richtlijn daadwerkelijk doeltreffend is — de nationale regels waarbij de betreffende verplichtingen worden opgelegd, zonder onderscheid toe te passen op alle aanbieders van televisiediensten, ondanks dat deze verplichtingen en de daaraan verbonden sancties volgens het nationale recht gelden voor alle overige aanbieders van televisiediensten, maar niet voor degenen die hun televisieprogramma's slechts via het internet vertonen, of is het opleggen van administratieve sancties wegens schending van genoemde verplichtingen door een online televisie-uitzending indien dit gebeurt op grond van een ruime uitlegging of analoge toepassing van de nationale regels inzake televisiediensten, onverenigbaar met het beginsel ‘nullum crimen, nulla poena sine lege certa’, dat is verankerd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel?
- 4)
Wanneer het antwoord op de eerste prejudiciële vraag ontkennend luidt en wordt geoordeeld dat a) de verplichting tot eerbiediging en bescherming van de menselijke waarde en waardigheid en/of b) het verbod op vertoning van materiaal van inferieur gehalte (met name materiaal met de inhoud van de litigieuze uitzending) niet vallen binnen de werkingssfeer van de richtlijn in de zin van artikel 4, lid 1: volgt dan uit artikel 2, lid 1, van richtlijn 2010/13, zoals van kracht, in het geval dat de wettelijke regeling van een lidstaat deze verplichtingen (op straffe van administratieve sancties) oplegt aan aanbieders van televisiediensten via zendmasten, via satellietverbindingen of via breedbandnetwerken, maar niet aan aanbieders van televisiediensten via internet, dat de bevoegde nationale instantie uit hoofde van het beginsel van gelijke behandeling gehouden is om ook bij een online televisie-uitzending de mogelijkheid van oplegging van administratieve sancties wegens schending van bovengenoemde regels te overwegen?
- 5)
Indien het antwoord op de vierde vraag bevestigend luidt: is op grond van de voorgaande overwegingen en op basis van een uitlegging van het nationale recht die in overeenstemming is met het recht van de Unie en, in het bijzonder, met de genoemde bepalingen van de richtlijn, de verplichting van de nationale regelgevende instantie om de regels van het nationale recht waarbij genoemde verplichtingen worden opgelegd, zonder onderscheid op alle televisiediensten toe te passen, ongeacht de wijze van transmissie, verenigbaar met het beginsel ‘nullum crimen, nulla poena sine lege certa’ en het rechtszekerheidsbeginsel, gezien het feit dat deze verplichtingen, die het nationale recht aan alle overige aanbieders van televisiediensten oplegt, niet van toepassing zijn op online televisie?’
20.
Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Makeleio, de ESR, de Griekse en de Zweedse regering, en de Europese Commissie.
21.
Ter terechtzitting van 16 oktober 2024 hebben Makeleio, de ESR, de Griekse en de Zweedse regering, en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
III. Analyse
A. Voorafgaande vragen
1. Kunnen websites zoals Makeleio en Zougla worden beschouwd als AVMD-aanbieders?
22.
Om te beginnen moet worden vastgesteld of Makeleio en Zougla in verband met de betrokken programma's, waarvoor hun een boete is opgelegd, konden worden beschouwd als AVMD-aanbieders die onder de AVMD-richtlijn vallen.
23.
Uit het arrest New Media Online9. volgt mijns inziens duidelijk dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Dit arrest dateert van vóór de wijzigingen die in 2018 in de AVMD-richtlijn zijn aangebracht. Het is echter nog steeds relevant, temeer daar sommige bevindingen in dat arrest zelfs zijn overgenomen in de versie van 2018 van de AVMD-richtlijn.
24.
Die zaak betrof een dienst die werd aangeboden door een onderneming die, zoals verzoeksters in de onderhavige zaken, een onlinekrant beheert. Naast haar hoofddienst bood deze onderneming echter ook korte videofilms aan met korte fragmenten van nieuwsbulletins die in deze vorm niet voorkomen bij de ‘klassieke’ televisieomroep. Die video's hielden geen verband met de nieuwsberichten van deze onlinekranten.
25.
In die omstandigheden heeft het Hof om te beginnen geoordeeld dat ‘het begrip ‘programma’ in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2010/13 aldus moet worden uitgelegd dat het de beschikbaarstelling omvat van videofilms van korte duur met korte fragmenten van lokale nieuwsbulletins, sport of amusement op een subdomein van de website van een krant’.10.
26.
Na de wijziging van 2018 is de definitie van ‘programma’ in artikel 1, lid 1, onder b), van de AVMD-richtlijn ongewijzigd gebleven. Dit artikel bepaalt het volgende:
‘‘programma’: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of een door een aanbieder van mediadiensten opgestelde catalogus, met inbegrip van bioscoopfilms, videoclips, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's en origineel drama’.
27.
In het arrest New Media Online heeft het Hof bovendien geoordeeld dat een dergelijk programma een audiovisuele mediadienst is in de zin van artikel 1, lid 1, onder a), i), van de AVMD-richtlijn, ook al bestaat de hoofdactiviteit van de onderneming in het aanbieden van onlinekranten, indien een dergelijk programma los kan worden gezien van het door haar aangeboden nieuws.11.
28.
Artikel 1, lid 1, onder a), i), van de AVMD-richtlijn, waarin de betekenis van audiovisuele mediadiensten wordt gedefinieerd, is aldus gewijzigd om die rechtspraak erin op te nemen en luidt nu als volgt:
- ‘a)
‘audiovisuele mediadienst’:
- i)
een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, indien het hoofddoel van de dienst of een losstaand gedeelte daarvan bestaat uit de levering van programma's voor het algemene publiek, onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, ter informatie, vermaak of educatie door middel van elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/21/EG; bedoelde audiovisuele mediadiensten zijn hetzij televisie-uitzendingen als gedefinieerd onder e) van dit lid hetzij audiovisuele mediadiensten op aanvraag als gedefinieerd onder g) van dit lid’.
29.
In het licht van het voorgaande lijdt het mijns inziens geen twijfel dat websites die geen klassieke televisiezenders zijn, binnen de werkingssfeer van de AVMD-richtlijn vallen wanneer zij programma's in de zin van artikel 1, lid 1, onder a), i), van de AVMD-richtlijn uitzenden, hetzij als hoofddienst, hetzij als losstaand gedeelte van het andere soort dienst dat zij aanbieden.
30.
De video's die door Makeleio en Zougla openbaar zijn gemaakt, lijken geen verband te houden met het nieuws op hun websites. Bijgevolg lijken de in de onderhavige zaken aan de orde zijnde programma's onder de definitie van een audiovisuele mediadienst te vallen.
31.
Ter terechtzitting heeft Makeleio aangevoerd dat het betrokken programma niet onder haar redactionele verantwoordelijkheid werd aangeboden.
32.
Het Hof heeft geoordeeld dat ‘een in een lidstaat gevestigde natuurlijke of rechtspersoon de redactionele verantwoordelijkheid […] [draagt] indien hij de programma's van die zender kiest en in een chronologisch schema organiseert’.12. Dit komt ook tot uiting in de definitie van ‘redactionele verantwoordelijkheid’ in artikel 1, lid 1, onder c), van de AVMD-richtlijn.13.
33.
Wat betreft de verdeling van bevoegdheden tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties in het kader van de prejudiciële procedure staat het aan de verwijzende rechter om de feiten vast te stellen. Het Hof is in beginsel gebonden aan de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van de feiten in de zaak en van het toepasselijke nationale recht.14.
34.
In dit verband is het relevant dat Symvoulio tis Epikrateias in zijn verwijzingsbeslissingen rekening heeft gehouden met de AVMD-richtlijn en het arrest New Media Online, en unaniem heeft geoordeeld dat de twee verzoeksters met betrekking tot de programma's voor de uitzending waarvan hun een boete is opgelegd, AVMD-aanbieders in de zin van de AVMD-richtlijn zijn.
35.
Onder voorbehoud van definitieve bevestiging door de verwijzende rechter lijken de omstandigheden van de hoofdgedingen dus binnen de personele werkingssfeer van de AVMD-richtlijn, zoals in 2018 gewijzigd, te vallen.
2. Meningsverschil tussen de leden van de formatie van de Symvoulio tis Epikrateias
36.
Zoals ik heb uiteengezet, zijn de leden van de verwijzende kamer van de Symvoulio tis Epikrateias het niet eens over de uitlegging van het Griekse recht zoals dat op de onderhavige zaken betrekking heeft (zie de punten 15 en 16 van deze conclusie).
37.
Enerzijds is de meerderheid van oordeel dat de Griekse wetgeving het algemene verbod op het aantasten van de menselijke waardigheid en het aanbieden van programma's van slechte kwaliteit niet oplegt aan online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden. Anderzijds is de minderheid van oordeel dat dergelijke verplichtingen krachtens de geldende Griekse wet wel aan deze internetzenders worden opgelegd.
38.
In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof wat betreft de verdeling van de bevoegdheden in het kader van de prejudiciële procedure niet bevoegd is om het nationale recht uit te leggen. Het Hof kan uitsluitend de relevante bepalingen van het Unierecht uitleggen.15. Wanneer richtlijnen aan de orde zijn, zoals in de onderhavige zaken het geval is, kan het Hof de verplichtingen toelichten die de lidstaten krachtens die richtlijnen aan onder hun bevoegdheid vallende subjecten moeten opleggen door nationale omzettingsbepalingen aan te nemen.
39.
Het staat dan aan de verwijzende rechter om vast te stellen of de nationale uitvoeringswet een richtlijn al dan niet correct heeft omgezet. In dit verband staat het in de onderhavige zaken niet aan het Hof om het meningsverschil tussen de meerderheid en de minderheid van de verwijzende kamer van de Symvoulio tis Epikrateias te beslechten.
40.
Niettemin zij eraan herinnerd dat volgens artikel 288, derde alinea, VWEU een richtlijn verbindend is voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch de nationale instanties de bevoegdheid laat vorm en middelen te kiezen.
41.
Vaststelling van wetgeving tot omzetting van een richtlijn impliceert dus niet noodzakelijkerwijs dat een wet moet worden vastgesteld die specifiek de omzetting van een bepaalde richtlijn tot doel heeft.
42.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof ‘kunnen bestaande algemene beginselen of regels de omzetting door aanvullende specifieke wet- of regelgeving overbodig maken, op voorwaarde evenwel dat deze normen de volledige toepassing van de richtlijn daadwerkelijk garanderen en dat, ingeval de betrokken bepaling van die richtlijn rechten voor particulieren beoogt te scheppen, de uit deze beginselen voortvloeiende rechtssituatie voldoende bepaald en duidelijk is, alsook dat de begunstigden kennis kunnen nemen van al hun rechten en deze zo nodig geldend kunnen maken voor de nationale rechterlijke instanties’.16.
43.
Hieruit volgt dat ‘voor de vaststelling of de uit een bepaalde richtlijn voortvloeiende verplichtingen door een nationale regeling adequaat ten uitvoer worden gelegd, niet alleen moet worden gekeken naar de speciaal ter omzetting van deze richtlijn vastgestelde regeling, maar naar alle beschikbare en toepasselijke rechtsnormen’.17.
44.
Bijgevolg kan wetgeving die vóór de vaststelling van een richtlijn bestond of de nationale grondwet als voldoende voor de omzetting van de richtlijn worden beschouwd, mits de rechtssubjecten zich er met voldoende zekerheid van kunnen vergewissen dat zij rechten genieten of dat hun verplichtingen worden opgelegd door die richtlijn. Ook zouden de bestaande regels enkel kunnen worden aangevuld met nieuwe wetgeving voor het gedeelte dat nog niet door de bestaande regels wordt bestreken. De geschikte techniek voor de omzetting van richtlijnen hangt dus af van de specifieke regelgevende methoden in elke lidstaat.
45.
De vraag of wet 4779/2021, waarbij de AVMD-richtlijn in Grieks recht is omgezet, slechts een aanvulling vormt op het complexe netwerk van wetten die de audiovisuele mediadiensten in Griekenland regelen18. en enkel de normen heeft ingevoerd die nog niet bestonden (zoals de ESR en de Griekse regering ter terechtzitting hebben aangevoerd), kan enkel door de nationale rechter worden beantwoord.
46.
De eerste en de tweede prejudiciële vraag kunnen evenwel aldus worden opgevat dat het Hof wordt verzocht uit te leggen welke verplichtingen voor aanbieders van AVMD de lidstaten in hun rechtsstelsel moesten opnemen om de AVMD-richtlijn correct om te zetten. Op basis van die uitlegging kan de verwijzende rechter beslissen of deze richtlijn correct in nationaal recht is omgezet.
47.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter vervolgens te vernemen of de nationale rechter, ingeval de AVMD-richtlijn niet volledig in nationaal recht is omgezet, in de onderhavige zaken gehouden is het geldende nationale recht aldus uit te leggen dat het door deze richtlijn vereiste resultaat wordt bereikt. In deze zaken houdt dit resultaat in dat het alle aanbieders van audiovisuele mediadiensten, met inbegrip van de online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden, verboden is om de menselijke waardigheid aan te tasten. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in het bijzonder te vernemen of de verplichting tot conforme uitlegging haar grens zou bereiken wanneer zij ertoe zou leiden dat aan een individu een verplichting wordt opgelegd voor de niet-nakoming waarvan een strafrechtelijke sanctie kan worden opgelegd.
48.
Zoals ik zal aantonen, hoeven de vierde en de vijfde vraag in het licht van de beantwoording van de eerste drie vragen niet te worden behandeld.
B. Beantwoording van de prejudiciële vragen
1. Eerste prejudiciële vraag — Werkingssfeer van de AVMD-richtlijn
49.
Met zijn eerste vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof te bevestigen dat de doelstelling — en dus de werkingssfeer — van de AVMD-richtlijn zich mede uitstrekt tot a) het verbod op schending van de menselijke waardigheid en b) het verbod op programma's van slechte inhoudelijke kwaliteit.
50.
In dit verband verzoekt de verwijzende rechter in wezen om uitlegging van artikel 6, lid 1, van de AVMD-richtlijn.
51.
In dit artikel wordt bepaald:
- ‘1.
Onverminderd de verplichting van de lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen, zorgen de lidstaten er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet het volgende omvatten:
- a)
het aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden;
- b)
het publiekelijk uitlokken tot het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 5 van richtlijn (EU) 2017/541.’
a) Verbod op schending van de menselijke waardigheid
52.
In de eerste plaats rijst de vraag naar de betekenis van het inleidende zinsdeel van artikel 6, lid 1, van de AVMD-richtlijn: ‘[o]nverminderd de verplichting van de lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen’. Moet dat zinsdeel aldus worden opgevat dat het de lidstaten verplicht om aan AVMD-aanbieders een algemeen verbod op het aantasten van de menselijke waardigheid in hun programma's op te leggen? Of zijn de twee concrete onder a) en b) van dit artikel genoemde verplichtingen de enige verplichtingen die de lidstaten aan aanbieders van AVMD moeten opleggen?
53.
In het voorstel van de Commissie voor richtlijn 2018/1808 bestond dit inleidende zinsdeel niet.19.
54.
De Commissie heeft ter terechtzitting uiteengezet dat dit zinsdeel het resultaat is van een compromis tussen de uitdrukkelijke opneming van het algemene verbod op schending van de menselijke waardigheid waarop door het Europees Parlement werd aangedrongen en het verzet tegen deze algemene bewoordingen in de AVMD-richtlijn door de Raad van de Europese Unie.
55.
Op basis van het enige beschikbare document dat deel uitmaakt van de ontstaansgeschiedenis van die richtlijn, kan het Hof enkel bevestigen dat dit zinsdeel door zowel het Parlement als de Raad is aanvaard tijdens de eerste lezing van het wetgevingsproces dat heeft geleid tot de gewijzigde AVMD-richtlijn.20. Noch de redenen waarom het Parlement het algemene verbod op schending van de menselijke waardigheid uitdrukkelijk in de tekst van de richtlijn wenste op te nemen, noch — belangrijker nog — de redenen waarom de Raad zich tegen een dergelijke oplossing heeft verzet, zijn evenwel te vinden in de beschikbare documenten die de ontstaansgeschiedenis van de AVMD-richtlijn chronologisch weergeven.
56.
Derhalve zijn er, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, ten minste twee mogelijke lezingen. Enerzijds kan artikel 6, lid 1, van de AVMD-richtlijn aldus worden opgevat dat het geen algemene verplichting tot het niet aantasten van de menselijke waardigheid oplegt, maar slechts twee specifieke verboden (aanzetten tot haat en geweld [artikel 6, lid 1, onder a)] en het publiekelijk uitlokken tot het plegen van een terroristisch misdrijf [artikel 6, lid 1, onder b)]). Anderzijds kan deze bepaling aldus worden opgevat dat zij naast deze twee voornoemde specifieke verboden een algemeen verbod op het aantasten van de menselijke waardigheid, oplegt.
57.
Ter terechtzitting heeft de Commissie de voorkeur gegeven aan de eerste lezing, namelijk dat de AVMD-richtlijn geen algemeen verbod op schending van de menselijke waardigheid bevat dat moet worden opgelegd aan aanbieders van AVMD. Niettemin heeft zij overwogen dat specifieke verplichtingen om inhoud te verbieden die aanzet tot geweld, haat of terrorisme, de uitdrukking vormen van het vereiste van eerbiediging van de menselijke waardigheid.
58.
Alle andere deelnemers aan de onderhavige procedure (Makeleio, de ESR, en de Griekse en de Zweedse regering) zijn het er daarentegen over eens dat de AVMD-richtlijn de verplichting oplegt om de eerbiediging en bescherming van de menselijke waardigheid te waarborgen. Dit is ook het standpunt van de verwijzende rechter.
59.
Ik geef het Hof in overweging de aanhef van artikel 6, lid 1, van de AVMD-richtlijn aldus uit te leggen dat de lidstaten verplicht zijn om in hun nationale wetgeving te voorzien in een algemeen verbod op programma's die de menselijke waardigheid aantasten.
60.
Het doel van de AVMD-richtlijn en de juridische context van artikel 6, lid 1, daarvan, met inbegrip van andere bepalingen van de richtlijn zelf, en het ruimere Unierecht en internationale recht dragen er allemaal toe bij dat het inleidende zinsdeel van artikel 6, lid 1, aldus wordt opgevat dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de aanbieders van AVMD de algemene verplichting nakomen om in hun programma's de menselijke waardigheid niet aan te tasten.
61.
De AVMD-richtlijn heeft met name tot doel de interne markt voor AVMD mogelijk te maken, waarbij tegelijk een hoog beschermingsniveau wordt gewaarborgd wat betreft doelstellingen van algemeen belang.21. In dit verband beroept zij zich op het land-van-oorsprongbeginsel, volgens hetwelk de lidstaat onder de bevoegdheid waarvan de aanbieders van AVMD vallen, erop moet toezien dat zij voldoen aan de regels die deze staat oplegt ten aanzien van voor het publiek bestemde AVMD.22. De AVMD-richtlijn legt de minimumvoorschriften23. op waaraan alle aanbieders van AVMD zich moeten houden (op de ‘door de richtlijn gecoördineerde gebieden’). Dit maakt het mogelijk om alle lidstaten de verplichting op te leggen om de grensoverschrijdende ontvangst mogelijk te maken van door aanbieders uit andere lidstaten aangeboden AVMD. Geen enkele lidstaat mag in beginsel belemmeringen opleggen om redenen die binnen de door de richtlijn gecoördineerde gebieden vallen.24.
62.
De richtlijn voert dus een reeks gemeenschappelijke eisen in voor aanbieders van AVMD die het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten versterken en zonder welke het voor hen moeilijk zou zijn om grensoverschrijdende AVMD te aanvaarden zonder voorafgaande controle en vergunning. Deze vereisten omvatten de eerbiediging van de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) verankerde grondrechten25., waaronder de in artikel 1 daarvan genoemde eerbiediging van de menselijke waardigheid.
63.
Wat de bewoordingen van de AVMD-richtlijn betreft, verwijzen de overwegingen 59, 60 en 104 ervan, naast het inleidende zinsdeel van artikel 6, lid 1, naar de bescherming van de menselijke waardigheid als waarde die de AVMD-richtlijn moet waarborgen. Hoewel het Handvest op zichzelf geen verplichtingen aan de lidstaten kan opleggen, bevat de AVMD-richtlijn dus duidelijk de verplichting om de menselijke waardigheid te eerbiedigen als een van de vereisten waaraan de lidstaten moeten voldoen om de goede werking van de interne markt op het gebied van AVMD mogelijk te maken.26.
64.
Overweging 3 van de AVMD-richtlijn verwijst naar het Europees Verdrag over grensoverschrijdende televisie van de Raad van Europa, dat op 5 mei 1989 is vastgesteld.27. Dit verdrag, waarop het Hof zich reeds heeft gebaseerd bij de uitlegging van de AVMD-richtlijn28., bevat een artikel 7, met als opschrift ‘Verantwoordelijkheden van de omroeporganisaties’, dat bepaalt dat ‘[w]at betreft de presentatie en inhoud van alle programmaonderdelen, […] de waardigheid van de mens en de grondrechten van anderen in acht [moeten] worden genomen’.
65.
Bovenal is de menselijke waardigheid een waarde die is vervat in artikel 2 VEU, dat een opsomming bevat van de waarden waarop de Unie berust.29. Dit Verdrag preciseert dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben.
66.
Bovendien zijn alle lidstaten van de Unie ook partij bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). Hoewel dit verdrag geen uitdrukkelijke bepaling bevat die de eerbiediging van de menselijke waardigheid vereist, bepaalt de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat de eerbiediging van de menselijke waardigheid en de menselijke vrijheid het wezen van het EVRM vormt.30.
67.
De centrale rol van de menselijke waardigheid wordt nog eens benadrukt door verschillende internationale instrumenten, waaronder de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties van 1948, waarvan de preambule en artikel 1 verwijzen naar het begrip ‘menselijke waardigheid’.
68.
Hieruit volgt dat het inleidende zinsdeel van artikel 6, lid 1, van de AVMD-richtlijn logischerwijs aldus moet worden uitgelegd dat daarin louter wordt herinnerd aan de reeds op de lidstaten rustende verplichting. In die bepaling wordt de algemene verplichting van de lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen louter toegepast op het gebied van audiovisuele mediadiensten, waarbij duidelijk wordt gemaakt dat de lidstaten deze verplichting bij het opstellen van hun AVMD-wetgeving aan aanbieders moeten opleggen.31.
69.
Om die reden ben ik, in antwoord op het eerste deel van de eerste prejudiciële vraag, van mening dat het Hof dient vast te stellen dat artikel 6, lid 1, van de AVMD-richtlijn de lidstaten verplicht om in hun wetgeving inzake AVMD aan AVMD-aanbieders een algemeen verbod op te leggen op het aantasten van de menselijke waardigheid in hun programma's.
b) Verbod op programma's van inhoudelijk slechte kwaliteit
70.
In de tweede plaats wenst de verwijzende rechter met zijn eerste vraag ook te vernemen of de AVMD-richtlijn de lidstaten verplicht om programma's van slechte kwaliteit te verbieden. Met deze vraag had de verwijzende rechter waarschijnlijk programma's voor ogen zoals de twee betrokken uitzendingen, die de menselijke waardigheid aantasten.
71.
Naar mijn mening, en zoals de Zweedse regering ter terechtzitting heeft betoogd, regelt de AVMD-richtlijn niet de inhoudelijke kwaliteit van programma's.
72.
Niettemin kan ook worden gesteld dat het verbod op schending van de menselijke waardigheid van invloed is op de inhoud van de programma's, aangezien die inhoud de menselijke waardigheid niet mag aantasten, en dat de AVMD-richtlijn in die zin ingrijpt in de inhoud van de programma's. Afgezien van het vereiste dat een programma de menselijke waardigheid niet mag aantasten en de andere verplichtingen uit hoofde van gecoördineerde voorschriften van de AVMD-richtlijn moet naleven, grijpt deze handeling verder niet in de inhoud van het programma in.
73.
Kortom, een nationale maatregel die het mogelijk maakt sancties op te leggen aan aanbieders van AVMD van wie de uitzendingen afbreuk doen aan de waarde van menselijke waardigheid, valt binnen de werkingssfeer van de AVMD-richtlijn.
74.
Een nationale maatregel die voorziet in de bestraffing van programma's van louter slechte kwaliteit, valt daarentegen niet binnen de door de richtlijn gecoördineerde gebieden.
75.
Het is aan de verwijzende rechter om vast te stellen of aan verzoeksters in de hoofdgedingen een boete is opgelegd wegens schending van de menselijke waardigheid dan wel wegens de slechte kwaliteit van hun programma's.
76.
Ik geef het Hof derhalve in overweging de eerste vraag als volgt te beantwoorden. De werkingssfeer van de AVMD-richtlijn, gelezen in het licht van de doelstellingen ervan, omvat het algemene verbod op programma's die de menselijke waardigheid aantasten. De AVMD-richtlijn regelt de inhoud van de programma's niet verder dan een dergelijk verbod op schending van de menselijke waardigheid en andere voorwaarden die worden opgelegd op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd.
2. Tweede prejudiciële vraag — Meer gedetailleerde of strengere nationale regels
77.
Artikel 4, lid 1, van de AVMD-richtlijn stelt lidstaten in staat strengere regels te introduceren op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd, onder bepaalde voorwaarden. Dit artikel luidt:
‘Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van meer gedetailleerde of strengere regels te eisen op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd, op voorwaarde dat die regels in overeenstemming zijn met het Unierecht.’
78.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen hoe deze bepaling moet worden uitgelegd, en meer in het bijzonder of de lidstaten op grond van dergelijke strengere regels een onderscheid mogen maken tussen de verschillende soorten aanbieders van AVMD.
79.
Naar mijn mening is deze vraag slechts ontvankelijk indien bepaalde regels van nationaal recht die in de onderhavige zaken aan de orde zijn — te weten het verbod op schending van de menselijke waardigheid of het verbod op programma's van slechte kwaliteit — als dergelijke strengere of meer gedetailleerde regels zouden kunnen worden opgevat.
80.
Dat is hier evenwel niet het geval.
81.
Het verbod op schending van de menselijke waardigheid is een algemeen vereiste van artikel 6, lid 1, van de AVMD-richtlijn en is geen ‘strengere’ regel.
82.
Het verbod op programma's van slechte kwaliteit behoort niet tot de door de AVMD-richtlijn gecoördineerde gebieden en valt dus niet binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 1, ervan.
83.
Een antwoord op deze tweede vraag lijkt voor de verwijzende rechter dus niet nuttig te zijn32., zodat het Hof de beantwoording ervan op grond van niet-ontvankelijkheid dient te weigeren.
84.
Aangezien de tweede vraag echter ook betrekking heeft op de vraag of verschillende AVMD-aanbieders verschillend kunnen worden behandeld, voeg ik hieraan toe dat het verbod op schending van de menselijke waardigheid zonder onderscheid aan alle aanbieders van AVMD moet worden opgelegd.
85.
Wat betreft het opleggen van strengere regels op de door de AVMD-richtlijn gecoördineerde gebieden, hetgeen in de onderhavige zaken niet het geval is, heeft het Hof evenwel uitgelegd dat het mogelijk is om een onderscheid te maken tussen verschillende soorten aanbieders van AVMD. Wanneer verschillende aanbieders zich in objectief verschillende situaties bevinden, staat niets eraan in de weg dat hun verschillende regels worden opgelegd.33. Zo heeft het Hof in het arrest Sky Italia geoordeeld dat het mogelijk is om aan betaalzenders minder reclamezendtijd per uur toe te kennen dan aan vrij toegankelijke zenders. Een dergelijke differentiatie was gerechtvaardigd omdat eerstgenoemden hun kosten door abonnementen van hun klanten konden dekken, terwijl laatstgenoemden alleen met andere middelen konden worden gefinancierd.34.
86.
Indien het verbod op schending van de menselijke waardigheid zou zijn beschouwd als de strengere regel op het door de AVMD-richtlijn gecoördineerde gebied (wat niet het geval is), zou er geen rechtvaardiging zijn om online-aanbieders anders te behandelen dan andere soorten AVMD-aanbieders. Wat het doel van een dergelijke regel betreft, bevinden de AVMD-aanbieders zich niet in een objectief verschillende situatie.
87.
Wat betreft het verbod op programma's van inhoudelijk slechte kwaliteit, belet de AVMD-richtlijn de lidstaten niet om traditionele omroepen anders te behandelen dan online-aanbieders die geen klassieke televisiezender zijn. Deze kwestie valt buiten de werkingssfeer van deze richtlijn.
88.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de tweede vraag niet te beantwoorden.
3. Derde prejudiciële vraag — Grenzen aan conforme uitlegging
89.
De derde vraag van de verwijzende rechter berust op de door de meerderheid van de formatie van Symvoulio tis Epikrateias onderschreven premisse dat het geldende Griekse recht geen algemene verplichting tot eerbiediging van de menselijke waardigheid oplegt aan online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden. Het Griekse recht, zoals door de meerderheid uitgelegd, bevat dus geen rechtsgrondslag om de betrokken sancties op te leggen.35.
90.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij het nationale recht aldus moet uitleggen dat het ook aan online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden een verbod op schending van de menselijke waardigheid oplegt, ook al zou dit tot het opleggen van sancties leiden.
91.
Er bestaat een lange reeks arresten die bevestigen dat richtlijnen op zichzelf geen verplichtingen aan particulieren kunnen opleggen.36. Dit kan alleen door richtlijnen om te zetten in nationaal recht. Bijgevolg kan de AVMD-richtlijn zelf niet aan Makeleio en Zougla de verplichting opleggen om de menselijke waardigheid niet aan te tasten.
92.
Wanneer het nationale recht een richtlijn niet correct of volledig heeft omgezet, zijn de nationale rechterlijke instanties verplicht het nationale recht door middel van uitlegging met die richtlijn in overeenstemming te brengen, zoals het Hof aanvankelijk in het arrest Von Colson en Kamman heeft uiteengezet.37. De nationale rechter moet ‘al het mogelijke doen’ om in een specifiek geval uitvoering te geven aan de richtlijn.38. Hij zou zijn vaste rechtspraak zelfs moeten wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van een richtlijn onverenigbare uitlegging van het nationale recht.39.
93.
De richtlijnconforme uitlegging heeft dus tot doel in een specifiek geval tot een oplossing te komen die het resultaat bereikt dat bij een correcte uitvoering van de richtlijn zou zijn bereikt.40.
94.
In de onderhavige zaken is het vereiste resultaat dat Makeleio en Zougla de verplichting wordt opgelegd om de menselijke waardigheid niet aan te tasten in de audiovisuele programma's die zij ter beschikking van het publiek stellen.
95.
Een dergelijke lezing van het nationale recht zou in de onderhavige zaken echter leiden tot quasi-strafrechtelijke aansprakelijkheid, aangezien op die manier administratieve sancties kunnen worden opgelegd voor de niet-nakoming van de aldus opgevatte verplichtingen.
96.
Zeer snel nadat het Hof de verplichting tot conforme uitlegging had vastgesteld, heeft het ook gepreciseerd dat deze verplichting haar grenzen heeft.41. Eén van die grenzen zou worden bereikt wanneer de richtlijnconforme uitlegging bepalend zou zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die in strijd met de bepalingen van de richtlijn handelen, of deze aansprakelijkheid zou kunnen verzwaren.42.
97.
Deze beperking weerspiegelt het legaliteitsbeginsel, zoals uitgedrukt in het adagium ‘nullum crimen, nulla poena sine lege’. Dit beginsel is verankerd in artikel 49 van het Handvest en artikel 7 EVRM.
98.
Kort gezegd houdt het legaliteitsbeginsel in dat een persoon niet strafrechtelijk of quasi-strafrechtelijk43. aansprakelijk kan worden gesteld voor een handeling die ten tijde van het handelen niet bij wet verboden was.
99.
Aangezien de richtlijnconforme uitlegging zich voordoet nadat het strafbare feit is gepleegd, zou zij aldus kunnen worden opgevat dat daarmee achteraf strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt opgelegd.44.
100.
In de onderhavige zaken lijken zowel de meerderheid van de formatie van de Symvoulio tis Epikrateias als verzoeksters in de hoofdgedingen ervan uit te gaan dat het legaliteitsbeginsel steeds vereist dat het legaliteitsbeginsel in elk geval een uitdrukkelijke verwijzing in de toepasselijke wettelijke bepalingen naar de adressaten van die bepalingen vereist. Aangezien dit in de Griekse wetgeving, waarin niet uitdrukkelijk melding werd gemaakt van online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden, niet het geval was, zou de gevolgtrekking moeten worden gemaakt dat verzoeksters niet wisten dat het verbod op uitzending van programma's die de menselijke waardigheid aantasten, ook op hen van toepassing was. De grens aan de conforme uitlegging zou daarmee dus worden bereikt.
101.
De rechtspraak van het Hof of van het EHRM vereist evenwel geen uitdrukkelijke vermelding in de wetgeving om aan de vereisten van het legaliteitsbeginsel te voldoen. Doorslaggevend is dat de betrokken persoon kon voorzien dat het verbod ook betrekking had op zijn activiteiten.
102.
Zo heeft het EHRM uitgelegd dat ‘[d]oor gebruik te maken van de term ‘recht’ […] artikel 7 [verwijst] naar hetzelfde begrip als dat waarnaar elders in het verdrag met die term wordt verwezen, een begrip dat zowel op wetgeving als op rechtspraak slaat en dat duidt op de toepassing van kwalitatieve vereisten zoals die van toegankelijkheid en voorzienbaarheid’.45.
103.
Het Hof oordeelde eveneens, zich baserend op de rechtspraak van het EHRM, dat aan het vereiste dat een strafbaar feit en een straf duidelijk worden vastgelegd in de wet ‘is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de door de rechterlijke instanties daaraan gegeven interpretatie, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld’.46.
104.
Derhalve kan het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen niet aldus worden uitgelegd dat het de geleidelijke verduidelijking van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid door rechterlijke uitlegging in achtereenvolgende zaken verbiedt, op voorwaarde dat het resultaat redelijkerwijs kon worden voorzien toen de inbreuk werd gepleegd, met name gelet op de uitlegging die toentertijd werd gegeven in de rechtspraak betreffende de wettelijke bepaling in kwestie.47.
105.
Kortom, de kern van het legaliteitsbeginsel is het vereiste dat de bestrafte persoon wist of niet onkundig kon zijn van het feit dat zijn handeling verboden was.
106.
Zoals het Hof verder heeft toegelicht, is de omvang van de aldus verlangde voorzienbaarheid grotendeels afhankelijk van de inhoud van de betrokken bepaling, van de door die bepaling bestreken materie en van het aantal en de hoedanigheid van haar adressaten. De voorzienbaarheid van de wet betekent niet dat de betrokkene niet genoopt mag zijn deskundig advies in te winnen om in een mate die in de gegeven omstandigheden redelijk is, de mogelijke gevolgen van een bepaalde handeling te kunnen beoordelen. Dit is vooral het geval voor beroepsbeoefenaren, die gewoon zijn bij de uitoefening van hun beroep grote voorzichtigheid aan de dag te leggen. Van hen mag dus worden verwacht dat zij grote zorg besteden aan de beoordeling van het daaraan verbonden risico.48.
107.
In casu is het voor de verwijzende rechter dan ook in beginsel onmogelijk om verzoeksters op basis van een conforme uitlegging van het nationale recht strafbaar te verklaren wegens schending van de menselijke waardigheid. Dit is het geval tenzij de verwijzende rechter het standpunt inneemt dat deze verzoeksters op grond van de ten tijde van de feiten geldende Griekse wet hadden kunnen voorzien dat het verbod om programma's met verboden inhoud uit te zenden ook voor hen gold, ook al verwees deze wet niet uitdrukkelijk naar online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden.49.
108.
Het is aan de verwijzende rechter om vast te stellen of verzoeksters in de hoofdgedingen ten tijde van de uitzending van de betrokken programma's hadden kunnen voorzien dat het verbod op schending van de menselijke waardigheid en de bestraffing van de niet-nakoming van dat verbod ook betrekking hadden op hun activiteiten, ook al zijn zij online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden.50. Indien zij van een dergelijk verbod op de hoogte moeten zijn geweest, overschrijdt de bevestiging van een dergelijke verplichting door een interpretatieve verduidelijking van de Griekse regels niet noodzakelijkerwijs de door het legaliteitsbeginsel opgelegde grens van conforme uitlegging.
4. Vierde en vijfde prejudiciële vraag
109.
De vierde en de vijfde vraag worden gesteld voor het geval dat het Hof de eerste vraag ontkennend beantwoordt, namelijk in die zin dat de AVMD-richtlijn niet vereist dat een algemeen verbod op programma's die de menselijke waardigheid aantasten en een verbod op programma's van slechte kwaliteit worden ingevoerd.
110.
Aangezien ik het Hof in overweging geef deze vraag bevestigend te beantwoorden, hoeven de vierde en de vijfde vraag niet te worden beantwoord.
111.
Naar mijn mening zou het Hof in zijn antwoord op de eerste vraag namelijk moeten uitleggen dat de AVMD-richtlijn de kwaliteit van de uitgezonden programma's niet regelt en derhalve programma's van slechte kwaliteit niet verbiedt. Aangezien de verwijzende rechter echter heeft uiteengezet dat deel b) van de eerste vraag, waarin wordt verwezen naar programma's van slechte inhoudelijke kwaliteit, doelt op programma's zoals die welke in de onderhavige zaken aan de orde zijn, vraagt hij in feite hetzelfde als in deel a) van deze vraag, dat betrekking heeft op schendingen van de menselijke waardigheid. In de onderhavige zaken heeft de verwijzende rechter dus geen vragen gesteld over het nationaalrechtelijke verbod op programma's van slechte kwaliteit, dat verder gaat dan het verbod op schending van de menselijke waardigheid.
112.
Om deze redenen ben ik van mening dat de vierde en de vijfde vraag niet hoeven te worden beantwoord.
IV. Conclusie
113.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Symvoulio tis Epikrateias te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
De werkingssfeer van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018, gelezen in het licht van de doelstellingen van deze richtlijn,
moet aldus worden uitgelegd dat
zij het algemene verbod omvat op programma's die de menselijke waardigheid aantasten.
Afgezien van een dergelijk verbod op schending van de menselijke waardigheid en andere voorwaarden die op de door de AVMD-richtlijn gecoördineerde gebieden worden gesteld, regelt deze richtlijn niet de inhoud van de programma's.
- 2)
Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft het Hof de tweede vraag niet te beantwoorden.
- 3)
Het legaliteitsbeginsel, dat is neergelegd in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, verzet zich ertegen dat de verwijzende rechter een persoon op basis van een conforme uitlegging van het nationale recht strafbaar verklaart wegens schending van de menselijke waardigheid, tenzij die persoon op grond van de ten tijde van de feiten geldende Griekse wet had kunnen voorzien dat het verbod om programma's met inhoud die de menselijke waardigheid schendt uit te zenden ook voor hem gold, ook al werden online nieuwsportalen die ook AVMD aanbieden niet uitdrukkelijk als adressaten van deze wet vermeld.
Het is aan de verwijzende rechter om vast te stellen of verzoeksters in de hoofdgedingen ten tijde van de uitzending van de betrokken programma's hadden kunnen voorzien dat het verbod op schending van de menselijke waardigheid en de bestraffing van de niet-nakoming van dat verbod ook betrekking hadden op hun activiteiten. Indien zij van een dergelijk verbod op de hoogte moeten zijn geweest, overschrijdt de bevestiging van een dergelijke verplichting door een interpretatieve verduidelijking van de Griekse regels niet noodzakelijkerwijs de door het legaliteitsbeginsel opgelegde grens van conforme uitlegging.
- 4)
De vierde en de vijfde vraag hoeven niet te worden beantwoord.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑01‑2025
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB 2010, L 95, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 (in de geconsolideerde versie; hierna: ‘AVMD-richtlijn’).
De ESR is de nationale regulerende instantie in de zin van artikel 30 van de AVMD-richtlijn.
Nomos 4779/2021, Ensomatosi stin ethniki nomothesia tis Odigias (ΕΕ) 2010/13 tou Europaikou Koinovouliou kai tou Symvouliou tis 10is Martiou 2010 gia ton syntonismo orismenon nomothetikon, kanonistikon kai dioikitikon diatakseon ton kraton melon schetika me tin parochi ypiresion optikoakoustikon meson, opos echei tropopoiithi me tin Odigia (ΕΕ) 2018/1808 tou Europaikou Koinovouliou kai tou Symvouliou tis 14is Noemvriou 2018 kai alles diatakseis armodiotitas tis Genikis Grammateias Epikoinonias kai Enimerosis (wet 4779/2021 tot omzetting in nationale wetgeving van richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 en andere bepalingen onder de bevoegdheid van de Geniki Grammateia Epikoinonias kai Enimerosis (algemeen secretariaat communicatie en informatieverstrekking) (FEK A’ 27/20.2.2021) (hierna: ‘wet 4779/2021’).
Ter terechtzitting is uiteengezet dat het programma aanvankelijk als livestream werd aangeboden, waarna het op de website van Makeleio bleef en op aanvraag kon worden bekeken.
Volgens bijlage II bij elk van de twee verwijzingsbeslissingen bepaalt artikel 8 van wet 4779/2021: ‘Audiovisuele mediadiensten mogen niet aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep op grond van hun ras, kleur, nationale of etnische afkomst, afstamming, godsdienst, handicap, seksuele gerichtheid, genderidentiteit of -kenmerken.’
De verwijzingsbeslissingen verwijzen naar artikel 1, lid 1, van nomos 2328/1995, nomiko kathestos tis idiotikis tileorasis kai tis topikis radiofonias, rythmisi thematon tis radiotileoptikis agoras kai alles diatakseis (wet 2328/1995 inzake het wettelijk regime van de particuliere televisie en de plaatselijke radio, regeling van de radio- en televisiemarkt en andere bepalingen) (FEK A’ 159/3.8.1995) (hierna: ‘wet 2328/1995’) en artikel 2, lid 1, artikel 4 en artikel 9, lid 2, van Proedriko diatagma 77/2003, kodikas deontologias eidiseografikon kai allon dimosiografikon kai politikon ekpompon (presidentieel decreet 77/2003 inzake de gedragscode voor nieuws- en andere journalistieke en politieke uitzendingen) (FEK A’ 75/28.3.2003) (hierna: ‘presidentieel decreet 77/2003’).
Artikel 14 van de Griekse grondwet heeft betrekking op de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. Artikel 15, lid 1, daarvan bepaalt dat ‘[d]e bepalingen ter bescherming van de pers in het voorgaande artikel […] niet van toepassing [zijn] op films, geluidsopnamen, radio, televisie of een soortgelijk medium voor het uitzenden van spraak of beelden’.
Arrest van 21 oktober 2015 (C-347/14, EU:C:2015:709; hierna: ‘arrest New Media Online’).
Arrest New Media Online, punt 24.
Arrest New Media Online, punten 26, 28 en 33.
Zie in die zin arrest van 4 juli 2019, Baltic Media Alliance (C-622/17, EU:C:2019:566, punt 41).
In de onderhavige zaak heeft Makeleio desgevraagd ter terechtzitting bevestigd dat een werknemer van Makeleio de AVMD koos en organiseerde onder toezicht van deze onderneming.
Zie in die zin arresten van 16 maart 1978, Oehlschläger (104/77, EU:C:1978:69, punt 4), en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2023:57, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arresten van 1 december 1965, Dekker (33/65, EU:C:1965:118, blz. 904), en 26 oktober 2023, EDP — Energias de Portugal e.a. (C-331/21, EU:C:2023:812, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Ultimo Portfolio Investment (Luxembourg) (C-303/20, EU:C:2021:479, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 10 juni 2021, Ultimo Portfolio Investment (Luxembourg) (C-303/20, EU:C:2021:479, punt 35).
Ter terechtzitting heeft de Griekse regering uiteengezet dat de verschillende lagen van de nationale wettelijke regeling inzake AVMD moeten worden gezien in een historische context, vanaf de nieuwe grondwet en de eerste privatisering van publieke televisie, vervolgens de uitbreiding tot pay-per-view-televisie en de komst van digitale televisie — die in de plaats is gekomen van analoge televisie —, en ten slotte de AVMD op aanvraag. Naast de drie reeds genoemde wetten zijn ook andere Griekse wetten, waarnaar in de verwijzingsbeslissingen wordt verwezen, voor de hoofdgedingen relevant.
Europese Commissie, Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie [COM(2016) 287 final]. In de oorspronkelijke versie van de AVMD-richtlijn van 2010 luidde artikel 6 als volgt: ‘De lidstaten zorgen er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet aanzetten tot haat op grond van ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit.’ De richtlijn bevatte dus geen verwijzing naar een algemeen verbod op programma's die de menselijke waardigheid aantasten.
Raad van de Europese Unie, Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie — Resultaat van de eerste lezing door het Europees Parlement (Straatsburg, 1–4oktober 2018) (ST 12689 2018 INIT), blz. 63. Hetzelfde zinsdeel is ook opgenomen in overweging 60 van richtlijn 2018/1808.
Zie overweging 104 van de AVMD-richtlijn.
Artikel 2, lid 1, van de AVMD-richtlijn.
Zie arresten van 22 september 2011, Mesopotamia Broadcast en Roj TV (C-244/10 en C-245/10, EU:C:2011:607, punt 34), en 18 juli 2013, Sky Italia (C-234/12, EU:C:2013:496, punt 12; hierna: ‘arrest Sky Italia’).
Artikel 3 van de AVMD-richtlijn.
Overweging 16 van de AVMD-richtlijn.
Gelet op de omstandigheden van de hoofdgedingen kan hieraan worden toegevoegd dat de Raad in 1998 aanbeveling 98/560/EG van 24 september 1998 heeft aangenomen betreffende de ontwikkeling van de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en informatiediensten door de bevordering van nationale kaders teneinde een vergelijkbaar en doeltreffend niveau van bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid te bereiken (PB 1998, L 270, blz. 48).
European Treaty Series,nr. 132.
Zie in die zin arresten van 2 juni 2005, Mediakabel (C-89/04, EU:C:2005:348, punt 41), waarin een uitlegging wordt gegeven van de richtlijnen 89/552 en 98/34/EG — voorlopers van de AVMD-richtlijn —, en 4 juli 2019, Baltic Media Alliance (C-622/17, EU:C:2019:566, punten 69 en 70).
Het belang van artikel 2 VEU is herhaaldelijk door het Hof benadrukt, onder meer in het arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses (C-64/16, EU:C:2018:117, punten 30 en 32). In het arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad (C-156/21, EU:C:2022:97, punt 232), heeft het Hof geoordeeld dat ‘eraan [zij] herinnerd dat artikel 2 VEU niet gewoon een politieke koers of intentie verwoordt, maar waarden bevat die […] tot de wezenlijke identiteit van de Unie als gemeenschappelijke rechtsorde behoren en zijn geconcretiseerd in beginselen die juridisch bindende verplichtingen voor de lidstaten bevatten’.
Zie bijvoorbeeld EHRM, 22 november 1995, S.W. tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1995:1122JUD002016692, § 44); 29 april 2002, Pretty tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2002:0429JUD000234602, § 65), en 25 juni 2024, Oekraïne tegen Rusland (Krim) (CE:ECHR:2024:0625JUD002095814, § 1290).
Zoals advocaat-generaal Trstenjak het elegant heeft verwoord in haar conclusie in de gevoegde zaken NS (C-411/10, EU:C:2011:610, punt 112), ‘dient de menselijke waardigheid namelijk niet alleen te worden ‘geëerbiedigd’, maar ook te worden ‘beschermd’’.
Zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny (C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Een dergelijke oplossing is namelijk in overeenstemming met het in artikel 20 van het Handvest verankerde algemene gelijkheidsbeginsel. In de Toelichtingen bij het [Handvest] (PB 2007, C 303, blz. 17) luidt de toelichting bij artikel 20, Gelijkheid voor de wet: ‘Dit artikel komt overeen met een algemeen rechtsbeginsel dat in alle Europese grondwetten is opgenomen en dat door het Hof is aangemerkt als een fundamenteel beginsel van het Gemeenschapsrecht (arrest van 13 november 1984, Racke, zaak 283/83, Jurispr. 1984, blz. 3791, arrest van 17 april 1997, zaak C-15/95, EARL, Jurispr. 1997, blz. I-1961, en arrest van 13 april 2000, zaak 292/97, Karlsson, Jurispr. 2000, blz. 2737).’ Krachtens het gelijkheidsbeginsel moeten niet alleen gelijke situaties gelijk worden behandeld, maar moeten ook verschillende situaties verschillend worden behandeld, tenzij er een reden is om hen gelijk te behandelen. Zie in die zin arrest van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie e.a. (C-550/07 P, EU:C:2010:512, punt 55).
Zie in die zin arrest Sky Italia, punten 20 en 21.
De Commissie heeft twijfels geuit over de ontvankelijkheid van deze (en de tweede) vraag. Zij is van mening dat de verwijzende rechter deze vraag heeft gebaseerd op de op het eerste gezicht onjuiste premisse dat de omzetting van de AVMD-richtlijn in nationaal recht niet geldt voor online-aanbieders die niet ook een klassieke televisiezender zijn. In het kader van de prejudiciële procedure bestaat er echter geen enkele mogelijkheid voor het Hof om de betekenis van het nationale recht vast te stellen. De verwijzende rechter heeft duidelijk uiteengezet dat er tussen de rechters van de rechtsprekende kamer onenigheid bestaat over de uitlegging van het nationale recht, maar dat de meerderheid het standpunt inneemt waarop deze vraag gebaseerd is. Het Hof dient bij de beantwoording van deze vraag dus uit te gaan van de premisse dat het gaat om hetgeen de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissing heeft aangegeven.
Die reeks arresten begon met het arrest van 26 februari 1986, Marshall (152/84, EU:C:1986:84, punt 48). Zie voor een recentere bevestiging van deze rechtspraak arresten van 7 augustus 2018, Smith (C-122/17, EU:C:2018:631, punten 42 en 43), en 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin (C-261/20, EU:C:2022:33, punt 32).
Zie in die zin arrest van 10 april 1984, Von Colson en Kamann (14/83, EU:C:1984:153).
Zie in die zin arrest van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a. (C-397/01—C-403/01, EU:C:2004:584, punt 118).
Arrest van 19 april 2016, DI (C-441/14, EU:C:2016:278, punt 33).
Zie in die zin arrest van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a. (C-397/01—C-403/01, EU:C:2004:584, punt 119).
Zo heeft het Hof in het arrest van 13 november 1990, Marleasing (C-106/89, EU:C:1990:395, punt 8), verklaard dat de nationale rechter verplicht is om ‘zoveel mogelijk’ een oplossing te zoeken door middel van uitlegging. Sinds het arrest van 16 juni 2005, Pupino (C-105/03, EU:C:2005:386), wordt de grens aan conforme uitlegging tot uitdrukking gebracht door het begrip ‘contra legem’ [ibidem, punt 47, en, meer recentelijk, arrest van 25 januari 2024, Sofiyski gradski sad (C-722/22, EU:C:2024:80, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
Zie in die zin arrest van 8 oktober 1987, Kolpinghuis Nijmegen (80/86, EU:C:1987:431, punt 13). Zie ook arresten van 3 mei 2005, Berlusconi e.a. (C-387/02, C-391/02 en C-403/02, EU:C:2005:270, punt 74), en 20 december 2017, Vaditrans (C-102/16, EU:C:2017:1012, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Het Hof heeft reeds vastgesteld dat het legaliteitsbeginsel, dat in het algemeen relevant is op het gebied van het strafrecht, ook van toepassing is op administratieve sancties. Zie in die zin arresten van 28 oktober 2010, SGS Belgium e.a. (C-367/09, EU:C:2010:648, punten 39 en 61), en 24 maart 2021, Prefettura Ufficio territoriale del governo di Firenze (C-870/19 en C-871/19, EU:C:2021:233, punten 49 en 50). Zoals advocaat-generaal Kokott heeft aangevoerd, staat namelijk niets eraan in de weg dat ter oriëntering van administratieve straffen ook wordt verwezen naar de inhoud van het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen (zie haar conclusie in de zaak SGS Belgium e.a., C-367/09, EU:C:2010:440, punt 37).
Een dergelijke verklaring bevat een zekere paradox. De rechterlijke uitlegging creëert namelijk geen nieuwe wetgeving, maar geeft enkel aan wat de wetgeving sinds de vaststelling ervan is geweest. Derhalve kan ook worden gesteld dat de betrokken wettelijke verplichting wel bestond op het tijdstip waarop de strafbare handeling werd verricht. Een ander belangrijk element is echter ook het subjectieve element, namelijk dat personen op wie rechtsregels van toepassing zijn, voldoende duidelijk op de hoogte hadden kunnen zijn van de verplichtingen die hun bij de toegankelijke wet zijn opgelegd. Zo zou een creatieve rechterlijke uitlegging inderdaad in verband kunnen worden gebracht met het creëren van wetgeving.
EHRM, 22 juni 2000, Coëme e.a. tegen België (CE:ECHR:2000:0622JUD003249296, § 145 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld (C-303/05, EU:C:2007:261, punt 50). Zie ook arrest van 24 maart 2021, Prefettura Ufficio territoriale del governo di Firenze (C-870/19 en C-871/19, EU:C:2021:233, punt 49).
Arresten van 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie (C-194/14 P, EU:C:2015:717, punt 41), en 27 juni 2024, Mylan Laboratories en Mylan/Commissie (C-197/19 P, EU:C:2024:550, punt 156 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arresten van 5 mei 2022, BV (C-570/20, EU:C:2022:348, punt 43), en 27 juni 2024, Mylan Laboratories en Mylan/Commissie (C-197/19 P, EU:C:2024:550, punt 157 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Er zij aan herinnerd dat de ESR in de onderhavige zaken vier boeten heeft opgelegd. Aan Makeleio werd de eerste boete opgelegd voor het aanzetten tot geweld of haat jegens personen wegens hun seksuele gerichtheid. Deze boete levert geen problemen op, aangezien zij was gebaseerd op het duidelijke verbod van wet 4779/2021 tot omzetting van de AVMD-richtlijn, die voorzag in sancties onder verwijzing naar eerdere wetten. De tweede aan Makeleio opgelegde boete en beide aan Zougla opgelegde boeten waren evenwel gebaseerd op de eerdere wetgevingsinstrumenten, waarin niet uitdrukkelijk dergelijke verplichtingen werden opgelegd aan dat soort online-aanbieders. Om die reden was de meerderheid van de formatie van de Symvoulio tis Epikrateias van oordeel dat de betrokken boeten in strijd waren met het legaliteitsbeginsel.
Ter ondersteuning van deze vaststelling benadrukt de Commissie dat verzoeksters niet onkundig kunnen zijn geweest van het feit dat de in presidentieel decreet 77/2003 vastgestelde gedragscode voor journalistieke uitzendingen een verbod oplegt op inhoud die de menselijke waardigheid aantast en het uitzenden van inhoud van slechte kwaliteit. Deze gedragscode is weliswaar geen bindend rechtsinstrument, maar kan wel in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de voorzienbaarheid van wettelijke verplichtingen. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt namelijk dat dergelijke handelingen een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de vraag of een verplichting ‘bij de wet voorzien’ is in de zin van artikel 10 EVRM. In het arrest van het EHRM van 6 april 2010, Flinkkilä e.a. tegen Finland (CE:ECHR:2010:0406JUD002557604, §§ 63‑68), heeft het EHRM geoordeeld dat hoewel de wetgeving niet precies was, de richtlijnen voor journalisten en de praktijk van de Finse raad voor de massamedia nog strengere regels oplegden dan het strafrecht zelf. Om die reden heeft het EHRM geoordeeld dat de in die zaak aan de orde zijnde verplichting ‘bij de wet voorzien’ was en dat de sanctie dus in overeenstemming was met het legaliteitsbeginsel.