Zie artikel 23 Overleveringswet.
Rb. Amsterdam, 07-09-2023, nr. 13/161059-23 (EAB I)
ECLI:NL:RBAMS:2023:5795
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
07-09-2023
- Zaaknummer
13/161059-23 (EAB I)
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2023:5795, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 07‑09‑2023; (Tussenuitspraak)
Uitspraak 07‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Pools EAB ten behoeve van vervolging. Tussenuitspraak in verband met het voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De opgeëiste persoon wordt in Polen onder meer verdacht van het niet betalen van kinderalimentatie. Hij voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW met uitzondering van de voorwaarde dat hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB. Ingevolge artikel 6, eerste lid, OLW kan de overlevering van Nederlanders ten behoeve van strafvervolging afhankelijk worden gemaakt van een terugkeergarantie. Daarbij geldt niet de voorwaarde dat de Nederlandse opgeëiste persoon voor het strafbare feit dat aan het vervolgings-EAB ten grondslag ligt ook in Nederland kan worden vervolgd. De vraag rijst of het mogelijke onderscheid tussen de rechtspositie van Nederlanders en vreemdelingen als bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW in strijd is met het in artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie neergelegde verbod op discriminatie op grond van nationaliteit. De rechtbank is voornemens deze vraag voor te leggen aan het HvJ EU. De rechtbank ziet zich verder voor de vraag gesteld hoe, tegen de achtergrond van artikel 25 Kaderbesluit 2008/909/JBZ, de dwingende weigeringsgrond van artikel 2:13, eerste lid onder f, WETS zich verhoudt tot artikel 7, derde lid, Kaderbesluit 2008/909/JBZ en tot artikel 4, punt 1, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, waarin het ontbreken van dubbele strafbaarheid van niet-lijstfeiten als facultatieve weigeringsgrond is opgenomen. De rechtbank is voornemens hier een vraag over te stellen aan het HvJ EU. De verwachting is dat, als de rechtbank bij een nadere tussenuitspraak prejudiciële vragen gaat stellen aan het HvJ EU, die uitspraak zal worden gedaan na het verstrijken van de 90-dagentermijn. Omdat op dit moment de in artikel 22, vierde lid, OLW bedoelde omstandigheid zich nog niet voordoet, lijkt de beslistermijn op grond van die bepaling nog niet te kunnen worden verlengd. Naar de letter lijkt artikel 22 OLW eraan in de weg te staan dat de rechtbank, na het verstrijken van de voornoemde 90-dagentermijn, vragen aan het HvJ EU stelt. De rechtbank is voornemens ook hierover een vraag te stellen aan het HvJ EU.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/161059-23 (EAB I)
Datum uitspraak: 7 september 2023
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 3 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 november 2020 door the Regional Court in Jelenia Góra 3rd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.J. Linck, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest warrant:
- issued by the District Court in Lwówek Śląski of 20.02.2012, case no. II Kp/20/12;
- issued by the District Court in Lwówek Śląski of 19.09.2018, case no. II Kp 125/18.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.3.
4. Heropening onderzoek in verband met voornemen tot stellen prejudiciële vragen
De rechtbank zal het onderzoek heropenen in verband met het voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De aanleiding daartoe is het volgende.
4.1
Voorgenomen vraag over artikel 6 OLW
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvoerende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
Niet in geschil is de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste en de derde voorwaarde. Aan de hand van tijdig overgelegde stukken heeft de opgeëiste persoon onderbouwd dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Uit een brief van de IND van 7 augustus 2023 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen vanwege de feiten in het EAB.
Met betrekking tot de tweede voorwaarde rijst mogelijk wel een probleem. De overlevering van de opgeëiste persoon wordt onder meer verzocht vanwege het vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het naar Pools recht strafbare feit van het niet betalen van kinderalimentatie. Behoudens uitzonderlijke gevallen, die zich blijkens de informatie uit het EAB in dit geval niet voordoen, is het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht niet strafbaar. Het lijkt er daarom op dat de opgeëiste persoon niet aan de tweede voorwaarde voldoet, omdat hij in Nederland niet kan worden vervolgd voor het niet betalen van kinderalimentatie.
Artikel 6, eerste lid, OLW bepaalt, zakelijk weergegeven, dat de overlevering van Nederlanders ten behoeve van strafvervolging kan worden geweigerd indien door de uitvaardigende lidstaat geen terugkeergarantie is verstrekt. Daarbij geldt niet de voorwaarde dat de Nederlandse opgeëiste persoon voor het strafbare feit dat aan het vervolgings-EAB ten grondslag ligt ook in Nederland kan worden vervolgd.
De vraag rijst of het hiervoor omschreven mogelijke onderscheid tussen de rechtspositie van Nederlanders en vreemdelingen als bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW in strijd is met het in artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie neergelegde verbod op discriminatie op grond van nationaliteit. De rechtbank is voornemens deze vraag voor te leggen aan het HvJ EU.
4.2
Voorgenomen vraag over 2.13, eerste lid onder f, WETS
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering met betrekking tot het niet betalen van kinderalimentatie moet worden geweigerd op grond van artikel 7, eerste lid onder a sub 2˚, OLW, vanwege het ontbreken van de in die bepaling vereiste dubbele strafbaarheid. Als argument om niet af te zien van deze facultatieve weigeringsgrond, zo begrijpt de rechtbank, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het ontbreken van die dubbele strafbaarheid voor de opgeëiste persoon tot gevolg zal hebben dat een door Polen verstrekte terugkeergarantie, in het geval aan de opgeëiste persoon een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt opgelegd door de Poolse rechter, in Nederland niet geëffectueerd kan worden. Artikel 2.13, eerste lid onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) bepaalt immers dat de erkenning van een dergelijke Poolse rechterlijke uitspraak wordt geweigerd indien het feit waarvoor de vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd, indien het in Nederland was begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe, tegen de achtergrond van artikel 25 Kaderbesluit 2008/909/JBZ, de dwingende weigeringsgrond van artikel 2:13, eerste lid onder f, WETS zich verhoudt tot artikel 7, derde lid, Kaderbesluit 2008/909/JBZ en tot artikel 4, punt 1, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, waarin het ontbreken van dubbele strafbaarheid van niet-lijstfeiten als facultatieve weigeringsgrond is opgenomen. De rechtbank is voornemens hier een vraag over te stellen aan het HvJ EU.
4.3
Voorgenomen vraag over artikel 22 OLW
De rechtbank zal het onderzoek heropenen en schorsen tot de zitting van 28 september 2023 om partijen in de gelegenheid te stellen zich op die zitting uit te laten over het voornemen van de rechtbank om vragen te stellen aan het HvJ EU. In deze zaak verloopt de beslistermijn van 90 dagen als bedoeld in artikel 22, leden 1 en 3, OLW op 29 september 2023. De verwachting is dat, als de rechtbank bij een nadere tussenuitspraak prejudiciële vragen gaat stellen aan het HvJ EU, die uitspraak zal worden gedaan na het verstrijken van de 90-dagentermijn. Omdat op dit moment de in artikel 22, vierde lid, OLW bedoelde omstandigheid zich nog niet voordoet, lijkt de beslistermijn op grond van die bepaling nog niet te kunnen worden verlengd. Naar de letter lijkt artikel 22 OLW eraan in de weg te staan dat de rechtbank, na het verstrijken van de voornoemde 90-dagentermijn, vragen aan het HvJ EU stelt. De rechtbank is voornemens ook hierover een vraag te stellen aan het HvJ EU.
5. Conclusie
De rechtbank zal het onderzoek heropenen zodat partijen zich ter zitting kunnen uitlaten over het voornemen van de rechtbank om de hiervoor genoemde prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Voor een goede en efficiënte discussie ter zitting verzoekt de rechtbank aan partijen om uiterlijk één week voor de zitting alvast een schriftelijk standpunt aan de rechtbank kenbaar te maken.
6. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek tot 28 september 2023 om 11.00 uur om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen over de drie onder 4. genoemde onderwerpen;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen voornoemde datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman en van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.