De goede procesorde
Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/2.2.5:2.2.5 Art. 12 LRK
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/2.2.5
2.2.5 Art. 12 LRK
Documentgegevens:
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS382263:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Reglement van 19 juni 2003, gepubliceerd in Stcrt. 2003, 115. Te vinden op www.rechtspraak.nl.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
34. Voor civiele zaken die worden behandelde door de sector kanton van de rechtbank houdt het Landelijk Reglement voor de civiele rol van de Kantonsectoren (LRK)1 een nadere regeling in van de procesgang. Met de inwerkingtreding van het herziene procesrecht, moet daaronder worden verstaan alle met een dagvaarding ingeleide civiele zaken waarin partijen in persoon, dus zonder procesvertegenwoordiging, kunnen procederen.
In het tweede artikel van het reglement, art. 1.2 LRK, wordt de rechter al direct een algemene bevoegdheid gegeven om van het reglement af te wijken, onder meer indien dat naar het oordeel van de rechter in het belang is van een goede procesorde.
Art. 1.2 LRK
Voor alle in deze regeling opgenomen bepalingen geldt dat daarvan kan worden afgeweken, indien zulks naar het oordeel van de rechter in het belang is van een goede procesorde of noodzakelijk is voor een goede instructie van de zaak, alsook indien het onverkort vasthouden aan de bepalingen zou leiden tot een onredelijke vertraging van de procedure of strijd met wettelijke bepalingen [curs. vcal].
In het begeleidend commentaar op deze bepaling wordt de afwijkingsbevoegdheid gemotiveerd door erop te wijzen dat het reglement als 'recht' in de zin van art. 79 Wet RO wordt aangemerkt, en als zodanig de rechter in beginsel bindt. Daarom achtten de opstellers van het reglement het wenselijk in de rolregeling de criteria vast te leggen aan de hand waarvan de rechter zal beoordelen of er aanleiding bestaat om van die regeling af te wijken. Daarbij wordt tevens opgemerkt dat het geldingsbereik van dit artikel ruimer is dan het bovengenoemde art. 1.6 LRR. Dat artikel beoogt immers niet de rechter een algemene bevoegdheid te verschaffen af te wijken van het reglement, zoals art. 1.2. LRK, maar dient slechts als nooduitgang voor de rechter wanneer deze op grond van het reglement in enig verzoek van partijen zou moeten toestemmen. Dat de kantonrechter zich een ruimere afwijkingsbevoegdheid voorbehoudt, past bij het minder formele karakter van de procesgang in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen.
Voorts valt op dat in art. 1.2 LRK, anders dan in art. 1.6 LRR, ook het criterium 'een goede instructie van de zaak' is opgenomen. De toelichting noemt als voorbeeld van de toepassing van dit criterium, de mogelijkheid van het toestaan van nadere conclusies, iets waar de wet voor de herziening niet in voorzag. Men kan zich afvragen of de toevoeging van dit criterium ten opzichte van de afwijkingsmogelijkheden op grond van de andere twee genoemde criteria, een verruiming meebrengt. Zou een goede procesorde immers niet tevens een goede instructie van de zaak dienen?
Wat de opstellers van het reglement met de verwijzing naar de goede procesorde voor ogen hadden, wordt uit de tekst van het artikel zelf, noch uit het begeleidend commentaar duidelijk. Kennelijk achtten zij situaties bestaanbaar waarin de rechter van het reglement moet kunnen afwijken, niet omdat anders een onredelijke vertraging van het geding dreigt of omdat een goede instructie van de zaak dat vergt, maar in het belang van een goede procesorde. Wellicht dient men - ook hier - onder meer te denken aan situaties waarin een van de partijen onredelijk in haar procesvoering zou worden bemoeilijkt, indien strikt de hand wordt gehouden aan het reglement. Ook kan worden gedacht aan situaties waarin een strikte hantering van het reglement, gezien de bijzonderheden van de situatie, tot een ondoelmatige procesgang zou leiden.