Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/13.1.4
13.1.4 Ontstaan van de huidige regeling
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300456:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook bij andere subjectieve rechten spelen echter dezelfde vragen. Zo stelt van Rijssen 2006, p. 31 dat de in art. 477 lid 4 Rv geregelde bevoegdheid van een derdenbeslaglegger de vordering jegens de schuldenaar van de beslagene door opzegging opeisbaar te maken “een onderdeel van het vorderingsrecht” vormt. Dat lijkt mij onjuist.
Zie Asser/Bartels & van Velten 2017, para. 17 en verder voetnoot 42 van hoofdstuk 9.
Zie bijvoorbeeld Asser/Scholten 1945, p. 242.
Meijers 1948, p. 143-144.
Zie in deze zin bijvoorbeeld van Acht 1990, p. 134-135. Zie ook Struycken 2007,p. 482: “In dit element van de redenering van Meijers is de totaliteit van het eigendomsbegrip herkenbaar”.
Meijers 1948, p. 85-86.
Meijers 1948, p. 146.
Zie voor een vergelijkbare ontwikkeling bij de beperkte rechten paragraaf 12.1.4.1.
Daarnaast zijn er kwalitatieve rechten die contractueel aan het eigendomsrecht kunnen worden toegevoegd in de zin van art. 6:251 BW. Deze voldoen echter ook aan de door Meijers gestelde eis dat ze een eigen regime hebben voor ontstaan, overgang en (mogelijkerwijs) tenietgaan; zie hoofdstuk 15.
Eggens 1960, p. 192.
Parlementaire Geschiedenis Invoering Boek 5, p. 1003 e.v. Daaraan wordt toegevoegd dat andere gevaltypen kunnen bestaan op grond van het ongeschreven recht.
Meijers 1948, p. 145 ziet het verschil tussen aanspraken die betrekking hebben op de eigen zaak en andermans zaak wel in, maar werkt niet uit hoe dit gerijmd dient te worden met zijn opvatting dat alle aanspraken als onderdeel van het eigendomsrecht dienen te worden beschouwd.
515. In paragraaf 12.1.4 heb ik de bespreking van de ‘kwalitatieve verbintenis’ deels vooruit geschoven. De reden om die bespreking hier weer op te pakken, is dat een heel aantal van deze kwalitatieve verbintenissen wilsrechten zijn die kunnen worden uitgeoefend door de rechthebbende van een subjectief recht. Daarom is de discussie over de kwalitatieve verbintenis relevant voor de vraag of wilsrechten een onderdeel uitmaken van het subjectieve recht in het kader waarvan zij verleend zijn, of dat zij daar los van staan. Ik zal dat laten zien aan de hand van de ontwikkeling in het denken over het eigendomsrecht.1
516. Het eigendomsrecht wordt gekarakteriseerd als het ‘meest omvattende’ recht dat een persoon op een zaak kan hebben (art. 5:1 BW). Daarmee wordt de vraag ontweken uit welke elementen een eigendomsrecht bestaat.2 Naar oud recht was de definitie van eigendom minder omvattend. Art. 625 OBW luidde:
“Eigendom is het regt om van eene zaak het vrij genot te hebben en daarover op de volstrektste wijze te beschikken, mits men er geen gebruik van make, strijdende tegen de wetten of de openbare verordeningen, daargesteld door zoodanige magt, die daartoe, volgens de Grondwet, de bevoegdheid heeft, en mits men aan de regten van anderen geen hinder toebrenge; alles behoudens de onteigening ten algemeenen nutte tegen behoorlijke schadeloosstelling, ingevolge de Grondwet.”
517. In vergelijking met de huidige definitie van het ‘meestomvattende recht op een zaak’ ontbreekt de mogelijkheid voor de eigenaar om van anderen bepaald gedrag af te dwingen (anders dan het zich onthouden van inbreuk, dat werd geregeld in art. 629 OBW). Voorbeelden hiervan worden vooral gevonden in het burenrecht; het op vordering van de eigenaar moeten meebetalen door de buurman aan het onderhoud van een gezamenlijke scheidsmuur, het dicht moeten maken van vensters die zich dichtbij de erfgrens bevinden, het moeten dulden van ladders en steigers, etc. Er bestond weinig discussie over de vraag hoe zulke verplichtingen, die voor anderen dan de eigenaar uit het eigendomsrecht voortvloeiden, dienden te worden gekarakteriseerd. Algemeen werd geaccepteerd dat dergelijke verplichtingen kwalitatieve verbintenissen vormden, die de eigenaar in diens hoedanigheid toekwamen.3
518. Waar wél discussie over bestond, is de vraag of deze kwalitatieve verbintenissen allemaal onderdeel waren van het eigendomsrecht, allemaal los van het eigendomsrecht bestonden, of dat sommige onderdeel van het eigendomsrecht vormden en andere niet. Meijers heeft bepleit dat kwalitatieve verbintenissen zoveel mogelijk onderdeel moeten zijn van het eigendomsrecht:
“Bij al deze bevoegdheden kan de vraag gesteld worden: zijn dit bevoegdheden, die in het eigendomsrecht begrepen zijn, of zijn het zelfstandige bevoegdheden of rechten, die met het eigendomsrecht door wet of overeenkomst verbonden zijn, zogenaamde qualitatieve rechten of bevoegdheden. De vraag is als interpretatieve vraag vooral behandeld ten aanzien der rechten en verplichtingen tussen naburen. Daarbij is zowel de mening verdedigd, dat deze bevoegdheden deel van het eigendomsrecht uitmaken, als dat zij naast het eigendomsrecht staande bevoegdheden of rechten zijn […]. Voor de algemene rechtsleer valt er het meest voor te zeggen om zodanige bevoegdheden als onderdeel van één eigendomsrecht aan te merken; het valt niet in te zien, waarom ten aanzien dezer bevoegdheden, wat competentie, verjaring enz. betreft, andere regels zullen gelden dan ten aanzien der bevoegdheden die de eigenaar krachtens zijn eigendomsrechten tegenover derden heeft.”4
519. In deze opvatting worden de bevoegdheden die een eigenaar heeft zoveel als mogelijk door het eigendomsrecht ‘opgeslokt’.5 Meijers oppert criteria om te onderscheiden tussen bevoegdheden die onderdeel uitmaken van het eigendomsrecht en bevoegdheden die zelfstandige subjectieve rechten vormen:
“De bevoegdheid om over de eigendom te beschikken is onderdeel van het eigendomsrecht, de bevoegdheid om beslag op goederen van zijn schuldenaar te leggen is onderdeel van een vorderingsrecht, geen daarvan te onderscheiden zelfstandig subjectief recht. Slechts dan zal men wederom een zodanige bevoegdheid als een subjectief recht kunnen aanmerken, wanneer zij een speciaal en zelfstandig karakter draagt, zodat zij noch aan een ieder toekomt, noch regelmatig aan een bepaalde rechtsbetrekking verbonden is. Deze eigenschappen der bevoegdheid treden vooral dan duidelijk naar voren, wanneer de bevoegdheid qua talis voor overdracht vatbaar is, geëxecuteerd kan worden, enz.”6
En
“Slechts wanneer een bevoegdheid zijn eigen wijzen van ontstaan en tenietgaan, onafhankelijk van die van het eigendomsrecht, heeft, gelijk b.v. bij de erfdienstbaarheden het geval is, bestaat er voldoende grond om van een bijzonder recht, staande naast het eigendomsrecht, te spreken.”7
520. Met het nieuwe BW is deze opvatting onderdeel van het geldende recht geworden.8 Er bestaan naast het eigendomsrecht geen ‘losse’ kwalitatieve verbintenissen die aan de eigenaar toekomen in hoedanigheid, tenzij deze onderdeel zijn van een Ánder recht (zoals een recht van erfdienstbaarheid).9 In de plaats daarvoor is de opslok-formule van het ‘meest omvattende recht’ gekomen. Hetzelfde doet Meijers met andere aanspraken die een subjectief gerechtigde toekomen omdat hij het subjectieve recht heeft. Zo kwalificeert hij de bevoegdheid om voor een vordering beslag te leggen als onderdeel van het vorderingsrecht.
521. Een dergelijke aanpak is gewrongen. Door het gebruik van de opslok-formule worden aanspraken bij elkaar gevoegd die niet bij elkaar horen. Zo kan een eigenaar ook bevoegdheden uitoefenen en verplichtingen opleggen die geen betrekking hebben op zijn eigen zaak, maar op die van iemand anders. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bevoegdheid om een noodweg te vorderen, waardoor de buurman verplicht wordt zijn perceel te laten gebruiken (art. 5:57 BW).10 In de parlementaire geschiedenis worden daarnaast als voorbeelden genoemd de verplichting voor de buurman om licht door te laten en de verplichting voor de buurman om steun te blijven bieden om instorting te voorkomen.11 Zulke verplichtingen (en de daarmee corresponderende aanspraken) laten zich gemakkelijk verklaren wanneer men subjectieve rechten ziet als een samenstel van aanspraken tussen personen, die om redenen van efficiëntie bij elkaar gebundeld zijn (zie paragraaf 5.3.6) en waaraan de overheid nog aanspraken toe kan voegen door ze toe te delen aan de rechthebbende van het subjectieve recht (zie hoofdstuk 13). De opvatting dat een goederenrechtelijk recht een recht ‘op’ een rechtsobject is, waar alle met het rechtsobject samenhangende aanspraken onderdeel van uitmaken, kan met de in de wet genoemde verplichtingen maar lastig uit de voeten.12