De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.2.4:2.2.4 Vennootschapsrechtelijke medezeggenschap
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.2.4
2.2.4 Vennootschapsrechtelijke medezeggenschap
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS389699:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II, 1975-1976, 13954, nr. 3, p. 22, waarin de minister opmerkt dat een eventuele deelname van werknemers in het topbestuur van de vennootschap en medezeggenschap van de or twee naast elkaar bestaande zaken zijn.
De andere twee wetten waren de Wet op de jaarrekening en de wijziging van de Wet op de ondernemingsraden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de omstandigheid dat het belang van werknemers onderdeel uitmaakt van het belang van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming, hebben werknemers (vertegenwoordigers) specifieke bevoegdheden op grond van het vennootschapsrecht. De medezeggenschap van werknemers heeft een tweesporige ontwikkeling ondergaan.1 Enerzijds is er medezeggenschap in de onderneming op grond van de WOR en anderzijds is er vennootschapsrechtelijke medezeggenschap in Boek 2 BW. De laatstgenoemde vorm van medezeggenschap is in de jaren ’70 ontstaan op basis van de gedachte dat werknemers ook invloed dienden te hebben ten aanzien van de samenstelling van de organen van de vennootschap. Deze ontwikkeling begon met een onderzoek van de door de Minister van Justitie ingestelde Commissie Ondernemingsrecht (Commissie-Verdam) in 1965. De minister vroeg de commissie onder meer aandacht te besteden aan de medezeggenschap van werknemers. Ten aanzien van de ‘factor arbeid’ in de onderneming overwoog de commissie dat de werknemer meer erkenning dient toe te komen. De achtergrond van dit inzicht betrof de toenemende betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid van de werknemer bij het welvaren van de onderneming. Het personeel binnen de onderneming had zich meer gedifferentieerd en was beter geschoold en ontwikkeld. De eenzijdige inrichting van de onderneming, waarbij kapitaalverschaffers alle zeggenschap hadden, diende volgens de commissie te gewijzigd te worden. Volgens bepaalde leden van de commissie dienden de factoren kapitaal en arbeid zelfs gelijkberechtigd te worden in de onderneming.
Het rapport van de Commissie-Verdam heeft uiteindelijk geleid tot de invoering van vier wetten, ook wel het Verdam-kwartet genoemd. Twee daarvan, de Wet op het enquêterecht en de Structuurwet, creëerden vennootschapsrechtelijke medezeggenschap.2 Op basis van de structuurregeling (art. 2:152-164a BW en 2:262-274a BW) heeft de or aanbevelingsrechten ten aanzien van de samenstelling van de RVC. Op basis van de structuurregeling-1970 hadden zowel de aandeelhoudersvergadering als de or het recht aanbevelingen te doen en bezwaar te maken jegens iedere kandidaatcommissaris. Uiteindelijk was het de RVC die zichzelf benoemde (gecontroleerde coöptatie). Uit deze regeling blijkt het uitgangspunt van gelijkheid tussen arbeid en kapitaal. Dit uitgangspunt is in 2004 weer verlaten ten behoeve van de (maatschappelijke) wens aandeelhouders meer zeggenschap te geven. Sindsdien benoemt de aandeelhoudersvergadering de commissarissen en heeft de or een algemeen aanbevelingsrecht ten aanzien van alle commissarissen en een versterkt aanbevelingsrecht ten aanzien van een derde van de commissarissen. Naast de (versterkte) aanbevelingsrechten voorziet de structuurregeling in indirecte medezeggenschap via de aanbevolen commissaris. Deze op voordracht van de or benoemde commissaris maakt immers onderdeel uit van een orgaan van de vennootschap met vergaande bevoegdheden zoals het goedkeuringsrecht (art. 2:164/274 BW) en het recht om het bestuur te benoemen en te ontslaan (art. 2:162/272 BW). De aanbevolen commissaris kan echter mijns inziens niet beschouwd worden als ‘werknemersvertegenwoordiger’ nu hij een onafhankelijke positie inneemt (zie hierover meer in paragraaf 2.6.3).
Het enquêterecht komt niet de or, maar de vakbonden toe. Net als aandeelhouders kunnen vakbonden het beleid van de vennootschap laten toetsen door de Ondernemingskamer indien sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid. Ook in deze regeling is het uitgangspunt van gelijkheid tussen arbeid en kapitaal uit de jaren 70 terug te vinden.
In 2010 is er een nieuwe bevoegdheid voor de or van de NV toegevoegd in Boek 2 BW. Het gaat om het standpuntbepalingsrecht, ook wel spreekrecht genoemd. Ten aanzien van een aantal belangrijke besluiten die de vennootschap betreffen, moet de or voorafgaand aan de algemene vergadering in de gelegenheid worden gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Ook heeft de or de mogelijkheid dit standpunt toe te lichten in de AV(A). Het gaat om (bestuurs)besluiten waarover de AV(A) ex art. 2:107a BW een goedkeuringsrecht heeft (art. 2:107a lid 3 BW), benoeming en ontslag van bestuurders (art. 2:134a BW), bezoldiging van bestuurders (art. 2:135 lid 2 BW) en benoeming en ontslag van commissarissen (art. 2:144a en art. 2:158 lid 4 BW).
Naast de wettelijke bevoegdheden kan de or (vennootschapsrechtelijke) bevoegdheden ontlenen aan de statuten en/of een ondernemingsovereenkomst in de zin van art. 32 WOR. Een voorbeeld daarvan is het vrijwillig toepassen van het (verzwakte) structuurregime. De aanbevelingsrechten van de or worden dan in de statuten opgenomen en in de praktijk ook vaak in een ondernemingsovereenkomst (convenant).
De vennootschapsrechtelijke medezeggenschap onderscheidt zich van de ondernemingsrechtelijke medezeggenschap uit de WOR ten aanzien van het subject waarop de bevoegdheden zien. De invloed heeft geen betrekking op de onderneming (arbeidsorganisatie), maar op de inrichting van de ondernemer-rechtspersoon, de vennootschap. De vennootschapsrechtelijke medezeggenschapsbevoegdheden richten zich op de aandeelhoudersvergadering en niet op het bestuur. Een uitzondering daarop is het enquêterecht, dat veel breder is en kan zien op alle besluiten, zowel in de vennootschap als in de aan haar verbonden onderneming. Omdat vennootschapsrechtelijke medezeggenschap in zekere zin inbreuk maakt op de rechten van aandeelhouders om bijvoorbeeld het bestuur en de RVC naar eigen zin samen te stellen, is deze vorm van medezeggenschap niet onomstreden. In paragraaf 2.6 bespreek ik de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap.