De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/9.1:9.1 Inleiding
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/9.1
9.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS399964:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de hoofdstukken 7 en 8 is specifiek aandacht besteed aan de invulling van de vestigingsplaatsvormen, zetel van bedrijfsuitoefening, vaste inrichting en woon- en gebruikelijke verblijfplaats en de functie die zij vervullen bij de toepassing van de regels voor de plaats van dienst. De nadruk heeft in deze hoofdstukken niet gelegen op de onderlinge relatie tussen deze vestigingsplaatsvormen in het algemeen. Slechts hun onderlinge relatie in verband met de toerekening van een prestatie aan een van de vestigingen is aan bod gekomen. Een onderzoek naar de invulling van de woon- en vestigingsplaats in de omzetbelasting is echter niet compleet zonder deze onderlinge relatie onder de loep te nemen. Daarbij staat in de eerste plaats de vraag centraal of tussen de zetel van bedrijfsuitoefening en een vaste inrichting onderling belastbare prestaties voor de btw kunnen plaatsvinden. Ik spreek hier uitdrukkelijk van zetel van bedrijfsuitoefening in plaats van hoofdhuis. De maatschappelijke term hoofdhuis die vaak gebruikt wordt ter aanduiding van een hoofdvestiging van een ondernemer, is geen begrip dat in de btw-richtlijn voorkomt. Inhoudelijk zijn het begrip zetel van bedrijfsuitoefening en de maatschappelijke term hoofdhuis mijns inziens gelijk. In paragraaf 9.2 wordt de relatie zetel van bedrijfsuitoefening-vaste inrichting bekeken vanuit het perspectief van één entiteit. Omdat naar mijn mening tussen zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting onderling geen belastbare prestaties kunnen plaatsvinden, neemt de ondernemer met verscheidene vestigingen binnen de omzetbelasting een bijzondere positie in onder meer wanneer het gaat om het bepalen van het aftrekrecht. In paragraaf 9.3 wordt dan ook aandacht besteed aan de wijze waarop het aftrekrecht van deze ondernemer moet worden bepaald. Nadat aldus de positie van de individuele belastingplichtige onder de loep is genomen, wordt ingegaan op de situatie van bijvoorbeeld een vaste inrichting die deel uitmaakt van een fiscale eenheid. Opnieuw komt dan de vraag aan de orde of voor de btw belastbare prestaties tussen zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting kunnen worden erkend. Op deze vraag en de vraag naar een fiscale eenheid over de grenzen van een land heen zal worden ingegaan in paragraaf 9.4.