Hof Amsterdam, 14-08-2020, nr. 200.252.663/01 OK
ECLI:NL:GHAMS:2020:2465
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
14-08-2020
- Zaaknummer
200.252.663/01 OK
- Roepnaam
Cavari
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2020:2465, Uitspraak, Hof Amsterdam, 14‑08‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2020:1531, Uitspraak, Hof Amsterdam, 29‑05‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2020:1528, Uitspraak, Hof Amsterdam, 27‑05‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2020:1526, Uitspraak, Hof Amsterdam, 12‑05‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2019:3243, Uitspraak, Hof Amsterdam, 12‑08‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2019:1604, Uitspraak, Hof Amsterdam, 08‑04‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2019:1603, Uitspraak, Hof Amsterdam, 05‑04‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
OR-Updates.nl 2020-0274
OR-Updates.nl 2019-0080
Uitspraak 14‑08‑2020
Inhoudsindicatie
opheffing onmiddellijke voorziening
Partij(en)
beschikking ___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.252.663/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 14 augustus 2020
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IC HOLDING B.V.,
gevestigd te Peize,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKSTERS,
advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudende te Leeuwarden,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Groningen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS GRONINGEN B.V.,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTERS,
niet verschenen,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIGITALIS B.V.,
gevestigd te Groningen,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. R.G. Luinstra en mr. J. Biesheuvel-Hoitinga, beiden kantoorhoudende te Groningen.
1. Het verloop van het geding
1.1 In het vervolg zullen de hierna te vermelden (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
verzoeksters sub 1 en 2 gezamenlijk met IC Holding c.s.;
verweerster sub 1 met Cavari Nederland;
verweersters sub 1 en 2 gezamenlijk met Cavari Clinics c.s.;
belanghebbende met Digitalis.
1.2 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 5 april 2019, 8 april 2019, 12 augustus 2019, 12 mei 2020, 27 mei 2020 en 29 mei 2020 in deze zaak.
1.3 Bij de beschikking van 5 april 2019 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics c.s. over de periode vanaf 1 januari 2015 en een nader door de Ondernemingskamer aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding heeft de Ondernemingskamer bepaald dat een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van Cavari Nederland met beslissende stem in het bestuur wordt benoemd, dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Cavari Nederland te vertegenwoordigen, dat zonder deze bestuurder Cavari Nederland niet vertegenwoordigd kan worden en dat ten aanzien van de besluiten van deze bestuurder het bepaalde in artikel 16 lid 6 van de statuten van Cavari Nederland en het bepaalde in artikel 6 van de aandeelhoudersovereenkomst geen werking toekomt.
1.4 Bij de beschikking van 8 april 2019 heeft de Ondernemingskamer mr. J.T. Stekelenburg (hierna: mr. Stekelenburg) als bestuurder aangewezen van Cavari Nederland.
1.5 Bij de beschikking van 12 augustus 2019 heeft de Ondernemingskamer mr. J.G. Molenaar als onderzoeker aangewezen.
1.6 Bij beschikking van 12 mei 2020 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het verslag met bijlagen van het bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics c.s. ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
1.7 Bij beschikking van 27 mei 2020 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat Cavari Nederland de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van mr. Stekelenburg ter zake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling, betaalt en dat dit ook geldt voor de kosten van verweer tegen de tuchtklacht van [A] van 8 april 2020.
1.8 Bij beschikking van 29 mei 2020 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat de vergoeding van de onderzoeker € 36.300, de daarover verschuldigde omzetbelasting daarin begrepen, bedraagt.
1.9 Bij brief met bijlage van 21 juli 2020 heeft mr. Stekelenburg de Ondernemingskamer verzocht om hem te ontheffen uit zijn functie van bestuurder van Cavari Nederland. De brief vermeldt onder meer:
“Cavari Clinics Nederland B.V. beschikt thans over onvoldoende middelen om het salaris en de kosten van de bestuurder nog langer zelf te kunnen dragen. Ik verwijs naar de bijlage (de print van de diverse rekeningen Cavari per heden). Uit deze bijlage blijkt dat er nagenoeg geen liquide middelen meer voorhanden zijn. De kans dat dit op korte termijn zal veranderen is klein vanwege het feit dat Cavari Clinics Nederland BV. inmiddels de activiteiten heeft gestaakt. Er is weliswaar nog een forse vordering op een aan één van de aandeelhouders van Cavari Clinics Nederland B.V. gelieerde rechtspersoon, maar de middelen ontbreken om deze vordering te incasseren. Daarbij speelt mee dat genoemde rechtspersoon betwist nog enig bedrag aan Cavari Clinics Nederland B.V. verschuldigd te zijn.
Op mijn verzoek aan de beide aandeelhouders van Cavari Clinics Nederland B.V. om extra middelen aan de vennootschap ter beschikking te stellen is door hen in afwijzende zin gereageerd.
Omdat Cavari Nederland B.V. zelf niet bij machte is om het salaris en de kosten van de bestuurder nog langer zelf te kunnen dragen verzoek ik de Ondernemingskamer om mij (per direct) te ontheffen uit mijn functie van bestuurder, zo nodig nadat de (mogelijk) belanghebbenden zijn gehoord.”
1.10 De secretaris van de Ondernemingskamer heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek van mr. Stekelenburg bedoeld onder 1.9.
1.11 De Ondernemingskamer heeft op 26 juli 2020 een e-mail van mr. Van der Spek namens IC Holding c.s. ontvangen. De e-mail houdt in dat IC Holding c.s. geen bezwaar hebben tegen het verzoek van mr. Stekelenburg bedoeld onder 1.9.
1.12 De Ondernemingskamer heeft op 29 juli 2020 een e-mail van mr. Luinstra namens Digitalis ontvangen. De e-mail houdt in dat Digitalis geen bezwaar heeft tegen het verzoek van mr. Stekelenburg bedoeld onder 1.9.
1.13 Bij e-mail van 6 augustus 2020 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de voortzetting van de getroffen onmiddellijke voorziening en indien voortzetting van de getroffen onmiddellijke voorziening gewenst wordt over de financiering daarvan.
1.14 Bij e-mail van 6 augustus 2020 heeft mr. Van der Spek namens IC Holding c.s. aan de Ondernemingskamer bericht dat de getroffen onmiddellijke voorziening niet voortgezet hoeft te worden.
1.15 Bij e-mail van 14 augustus 2020 heeft mr. Luinstra namens Digitalis aan de Ondernemingskamer bericht dat de getroffen onmiddellijke voorziening niet voortgezet hoeft te worden.
2. De gronden van de beslissing
IC Holding c.s. en Digitalis hebben de Ondernemingskamer bericht dat zij geen voortzetting van de getroffen onmiddellijke voorziening wensen en het is de Ondernemingskamer niet gebleken van enig belang dat zich tegen opheffing van de getroffen onmiddellijke voorziening verzet. De Ondernemingskamer zal daarom de getroffen onmiddellijke voorziening beëindigen met ingang van heden. Daarmee zal eveneens voldaan zijn aan het verzoek van mr. Stekelenburg om uit zijn functie als bestuurder van Cavari Nederland zoals bedoeld in de beschikking van 5 april 2019 ontheven te worden.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
heft met ingang van heden de bij haar beschikking van 5 april 2019 getroffen onmiddellijke voorziening op;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en mr. drs. G. Boon RA en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Sterk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2020.
Uitspraak 29‑05‑2020
Inhoudsindicatie
vaststelling onderzoeksvergoeding
Partij(en)
beschikking ___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.252.663/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 29 mei 2020
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IC HOLDING B.V.,
gevestigd te Peize,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKSTERS,
advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudende te Leeuwarden,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Groningen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS GRONINGEN B.V.,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTERS,
niet verschenen,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIGITALIS B.V.,
gevestigd te Groningen,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. R.G. Luinstra en mr. J. Biesheuvel-Hoitinga, beiden kantoorhoudende te Groningen.
1. Het verloop van het geding
1.1 In het vervolg zullen de hierna te vermelden (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
verzoeksters sub 1 en 2 gezamenlijk met IC Holding c.s.;
verweersters sub 1 en 2 gezamenlijk met Cavari Clinics c.s.
1.2 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 5 april 2019, 8 april 2019, 12 augustus 2019 , 12 mei 2020 en 27 mei 2020 in deze zaak.
1.3 Bij de beschikking van 5 april 2019 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics c.s. over de periode vanaf 1 januari 2015 en een nader door de Ondernemingskamer aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft daarbij overwogen dat de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog zal worden aanhouden opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. In de beschikking staat dat onder andere ieder der partijen op elk moment de Ondernemingskamer kan verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.
1.4 IC Holding c.s. hebben bij brief van hun advocaat van 5 augustus 2019 de Ondernemingskamer verzocht de onderzoeker alsnog aan te wijzen.
1.5 Bij de beschikking van 12 augustus 2019 heeft de Ondernemingskamer mr. J.G. Molenaar als onderzoeker aangewezen.
1.6 Bij brief van 11 mei 2020 heeft de onderzoeker het verslag met bijlagen van het in 1.3 bedoelde onderzoek aan de Ondernemingskamer doen toekomen. Eveneens op 11 mei 2020 2019 heeft de Ondernemingskamer van de onderzoeker een e-mail met specificatie van de in deze zaak in verband met het onderzoek gemaakte kosten ontvangen. De onderzoeker heeft de Ondernemingskamer daarbij verzocht de kosten van het onderzoek vast te stellen op € 36.300, de daarover verschuldigde omzetbelasting daarin begrepen.
1.7 Bij beschikking van 12 mei 2020 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het verslag met bijlagen van het bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics c.s. ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
1.8 De secretaris van de Ondernemingskamer heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek van de onderzoeker bedoeld onder 1.6.
1.9 De Ondernemingskamer heeft op 22 mei 2020 een e-mail van mr. Luinstra namens Digitalis ontvangen. De e-mail houdt - kort samengevat - in dat Digitalis het onderzoeksverslag niet vindt getuigen van een degelijk en objectief onderzoek, zoals beschreven in de Leidraad voor onderzoekers, en het feit dat de onderzoeker ruim 201 uur heeft gestoken om tot het onderzoeksverslag te komen is volgens Digitalis verbazingwekkend. Het verslag is op ondeugdelijke wijze opgesteld en het aspect hoor en wederhoor is op onvoldoende wijze toegepast. Onder de gegeven omstandigheden zou het juist zijn dat binnen het kader van het door de Ondernemingskamer gegeven budget, de onderzoeker alsnog wordt gevraagd om de repliek van Digitalis serieus te lezen en te verwerken in het definitieve rapport en daar waar de onderzoeker geen feitelijke onderbouwing heeft gevonden voor alle beschuldigingen van [A] , dit duidelijk te vermelden, dan wel de beschuldigingen weg te laten, aldus Digitalis.
1.10 De Ondernemingskamer heeft op 25 mei 2020 een reactie van mr. Van der Spek namens IC Holding c.s. ontvangen. De reactie van mr. Van der Spek houdt in dat IC Holding c.s. geen bezwaar hebben tegen toewijzing van het verzoek van Molenaar.
2. De gronden van de beslissing
2.1
De onderzoeker heeft aan zijn verzoek de kosten van het onderzoek vast te stellen op € 36.300, de daarover verschuldigde omzetbelasting daarin begrepen, een urenspecificatie van zijn werkzaamheden ten grondslag gelegd en daarbij uiteengezet dat het bij de beschikking van 5 april 2019 bepaalde budget toereikend is.
2.2
IC Holding c.s. hebben geen bezwaar tegen het verzoek van de onderzoeker gemaakt. Digitalis heeft wel bezwaren naar voren gebracht tegen het verzoek van de onderzoeker. Deze bezwaren betreffen inhoudelijke bezwaren tegen (de totstandkoming van) het onderzoeksverslag. De bezwaren van Digitalis kunnen pas aan de orde komen in een eventuele procedure op de voet van artikel 2:355 BW (verzoek vaststelling wanbeleid), waarin de inhoud van het onderzoeksverslag centraal staat. De overige opmerking van IC Holding c.s. over de door de onderzoeker gemaakte uren rechtvaardigt evenmin de conclusie dat de gespecificeerde werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen.
2.3
Nu de door de onderzoeker overgelegde specificatie de Ondernemingskamer ook verder niet onjuist of onredelijk voorkomt, zal zij de vergoeding van de onderzoeker – overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW – bepalen als hierna te vermelden.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 36.300, de daarover verschuldigde omzetbelasting daarin begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en mr. drs. G. Boon RA en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Sterk, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.J Wolfs op 29 mei 2020.
Uitspraak 27‑05‑2020
Inhoudsindicatie
kosten van verweer tijdelijke bestuurder
Partij(en)
beschikking ___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.252.663/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 27 mei 2020
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IC HOLDING B.V.,
gevestigd te Peize,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKSTERS,
advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudende te Leeuwarden,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Groningen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS GRONINGEN B.V.,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTERS,
niet verschenen,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIGITALIS B.V.,
gevestigd te Groningen,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. R.G. Luinstra en mr. J. Biesheuvel-Hoitinga, beiden kantoorhoudende te Groningen.
1. Het verloop van het geding
1.1 In het vervolg zullen de hierna te vermelden (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
verzoeksters sub 1 en 2 gezamenlijk met IC Holding c.s.;
verweersters sub 1 en 2 gezamenlijk met Cavari Clinics c.s.
1.2 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 5 april 2019, 8 april 2019, 12 augustus 2019 en 12 mei 2020 in deze zaak.
1.3 Bij de beschikking van 5 april 2019 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics c.s. over de periode vanaf 1 januari 2015 en een nader door de Ondernemingskamer aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Bij wijze van onmiddellijke voorzieningen en vooralsnog voor de duur van het geding heeft de Ondernemingskamer bepaald dat een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van Cavari Clinics Nederland B.V. (hierna: Cavari Nederland) met beslissende stem in het bestuur wordt benoemd, dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Cavari Nederland te vertegenwoordigen, en dat zonder deze bestuurder Cavari Nederland niet vertegenwoordigd kan worden. Bij de beschikking van 8 april 2019 heeft de Ondernemingskamer mr. J.T. Stekelenburg (hierna: mr. Stekelenburg) als bestuurder aangewezen van Cavari Nederland.
1.4 Bij brief met bijlagen van 30 april 2020 heeft mr. Stekelenburg de Ondernemingskamer verzocht op de voet van artikel 2:357 lid 6 BW te bepalen dat Cavari Nederland de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van hem als bestuurder van Cavari Nederland ter zake van de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling tijdens de aanstelling betaalt. De brief vermeldt onder meer dat mr. Stekelenburg in aanvaring is gekomen met een van de overige bestuurders van Cavari Nederland, [A] (hierna: [A] ) en dat [A] op 8 april 2020 een klachtbrief bij de deken van de Orde van Advocaten heeft ingediend en dat de advocaat van [A] , mr. Van der Spek, mr. Stekelenburg een aantal keren heeft gedreigd met persoonlijke aansprakelijkheidsstelling. Tot een formele aansprakelijkheidsstelling is het tot op heden niet gekomen, aldus mr. Stekelenburg. De brief vermeldt onder meer:
Omdat een dergelijke klacht [de tuchtklacht van [A] ], indien deze zou worden toegewezen, naar verwachting de opmaat vormt voor een civiele aansprakelijkheidsstelling van ondergetekende [mr. Stekelenburg] door [A] , verzoek ik de Ondernemingskamer, nadat zij de overige belanghebbenden in deze kwestie heeft gehoord, op voet van artikel 2:357 lid 6 BW te bepalen dat de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer ter vaststelling van aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling tijdens mijn tijdelijke aanstelling, in zowel de klachtzaak als de daarop volgende aansprakelijkheidszaak (mocht die er van komen) door de vennootschap (in dit geval Cavari Clinics Nederland B.V.) dienen te worden betaald.”
Als bijlage bij de brief van mr. Stekelenburg zijn de e-mail van mr. Van der Spek aan Stekelenburg van 15 november 2019 en de klachtbrief van [A] aan de deken van de Orde van Advocaten van 8 april 2020 gevoegd. In de e-mail van mr. Van der Spek van 15 november 2019 staat onder meer:
“Naar aanleiding van onderstaande email bericht ik je dat de opschorting van de betaling van salaris juridisch ongegrond en ongerechtvaardigd is en dus in rechte geen stand zal houden. Dorien is in loondienst en als werknemer behoeft zij geenszins welke achterstelling ook te aanvaarden. Ik verzoek je dan ook en voor zover nodig ik je [sic] om de salarisbetaling tijdig te laten plaatsvinden, bij gebreke waarvan je persoonlijk aansprakelijk zult zijn voor de schade die daaruit voortvloeit.”
In de klachtbrief van [A] van 8 april 2020 staat onder meer:
“Ik ben van mening dat de heer Stekelenburg zijn rol als bestuurder van Cavari Clinics Nederland B.V. op diverse onderdelen niet goed heeft vervuld. De heer Stekelenburg acteert
daarbij echter niet als advocaat en daarover kan en zal ik dus ook niet bij u klagen. Wat hij
onder andere heeft gedaan, is dat hij mij niet heeft betrokken bij diverse beslissingen over
het bestuur van Cavari Clinics Nederland B.V. Twee onderdelen daarvan raken het functioneren van de heer Stekelenburg als advocaat.
(…)
Bijgaand zend ik u de dagafschriften van de bankrekeningen van Cavari Clinics Nederland B.V. en haar dochtervennootschap Cavari Clinics Groningen B.V. Zoals u daaruit kunt opmaken heeft de heer Stekelenburg tot twee keer toe bedragen overgemaakt naar de bankrekening van de Stichting Derdengelden van Nysingh Advocaten met als omschrijving ‘veiligstellen’ (28 februari 2020). (…) Dat is mijns inziens klachtwaardig en dat is de reden van onderhavige brief.
Het tweede is dat, zoals u uit de dagafschriften kunt opmaken, de heer Stekelenburg op 13 en 31 maart 2020 eigen declaraties heeft betaald van de bankrekening van Cavari Clinics Nederland B.V. Ook in dat geval is er geen sprake van geweest dat hij mij om mijn akkoord heeft gevraagd. Hij heeft mij de betreffende facturen niet eens toegezonden. Ook dat lijkt mij in strijd met de gedragsregels voor advocaten.”
1.5 Bij e-mail van 1 mei 2020 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek van mr. Stekelenburg.
1.6 Bij brief aan de Ondernemingskamer van 4 mei 2020 heeft mr. Van der Spek namens IC Holding c.s. bericht dat het verzoek van mr. Stekelenburg moet worden afgewezen. De brief vermeldt onder meer dat [A] bezwaar heeft gemaakt tegen de overboeking van mr. Stekelenburg van gelden op de derdenrekening die hij als advocaat aanhoudt alsmede tegen de betaling van declaraties van zijn eigen kantoor vanaf de bankrekening van Cavari Nederland zonder dat mr. Stekelenburg [A] daarover heeft geïnformeerd. [A] is niet tevreden over het handelen van mr. Stekelenburg als bestuurder van Cavari Nederland maar dat is niet hetgeen waarover ze nu klaagt. [A] klaagt over zijn functioneren als advocaat. Volgens IC Holding c.s. is het niet redelijk indien de kosten van verweer van mr. Stekelenburg tegen de klacht van [A] door Cavari Nederland zouden moeten worden gedragen. De klacht van [A] heeft geen verband met de e-mail van mr. Van der Spek aan Stekelenburg van 15 november 2019 waarin mr. Van der Spek namens [A] heeft bericht dat mr. Stekelenburg persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld indien hij het salaris van [A] over november 2019 niet betaalt. De brief vermeldt verder: “Dat salaris over november is overigens ook betaald. (…) Een aansprakelijkheidszaak daarover zal dus sowieso niet volgen.”
1.7 Bij e-mail aan de Ondernemingskamer van 7 mei 2020 heeft mr. Luinstra namens Digitalis de Ondernemingskamer onder meer het volgende bericht:
“Het is hoogst opmerkelijk dat een door de Ondernemingskamer toegewezen bestuurder, die daarnaast tevens de advocatuur bedrijft, een derdenrekening van zijn kantoor gebruikt in de uitoefening van zijn functie als bestuurder. Ik meen te kunnen veronderstellen dat de Orde een dergelijke gang van zaken met betrekking tot het gebruik van een derdenrekening opmerkelijk acht en daar ook consequenties aan verbind [sic]. Voorts is het ongebruikelijk dat een verweer terzake ten laste wordt gebracht van de vennootschap. Cliënte acht het redelijk en billijk dat achteraf zal worden beoordeeld of het redelijk en billijk is dat Stekelenburg gegeven zijn optreden en een mogelijke uitspraak kosten verband houdende met het verweer ten laste zal brengen van Cavari Clinics. Cliënte merkt wel op dat haar liquiditeitspositie dusdanig is dat een honorering van het verzoek van Stekelenburg zal leiden tot een mogelijk faillissement.”
1.8 Bij e-mail met bijlagen van 8 mei 2020 heeft mr. Stekelenburg aan de Ondernemingskamer onder andere geschreven:
“2. Cavari zal geen schade lijden indien men nu eens stopt met het opwerpen van allerhande obstakels in een poging mij de voet dwars te zetten. Door dit (wel) te doen word ik bemoeilijkt om mijn taak als (tijdelijk) bestuurder van Cavari naar behoren uit te kunnen voeren. Tegen deze achtergrond betwist ik de opmerking van mr. Luinstra dat mijn verzoek dient te worden afgewezen omdat dit tot het faillissement van Cavari al leiden. Voor zover dit al juist zou zijn: men is daar zelf bij en is daar zelf debet aan.
3. Het indienen van een klacht, door mevrouw [A] , vormt een dergelijk obstakel, temeer daar het in de rede ligt dat er in de toekomst persoonlijke aansprakelijkheidsstellingen zullen volgen. Ten onrechte probeert mr. Van der Spek deze aansprakelijkheid te koppelen aan mijn weigerachtige houding, op enig moment, de salarissen van de directieleden uit te betalen. Een dergelijke koppeling is door mij echter niet aangebracht. Het voorbeeld van aansprakelijkheidstelling in verband met mijn weigering om de salarissen te betalen is slechts door mij genoemd om duidelijk te maken dat mevrouw [A] bij het minste of geringste dreigt met persoonlijke aansprakelijkheidstelling, in een poging mijn werkzaamheden als bestuurder te bemoeilijken en te sturen op wijze die haar voor ogen staat, ook al is dit niet in het belang van de vennootschap.
4. De suggestie dat ik een greep in de kas zou hebben gedaan door gelden over te hevelen naar de derdengeldrekening van mijn kantoor is vanzelfsprekend uit de lucht gegrepen, hetgeen mevrouw [A] ook weet. Ik heb de gelden, zoals ook uit de omschrijving op de bankafschriften blijkt, welke afschriften in het bezit zijn van mevrouw [A] , tijdelijk veilig gesteld, in afwachting van het doorvoeren van een blokkade op de bankpas van mevrouw [A] , zodat zij geen betalingen meer kan verricht. Ik zal u niet vermoeien met de achterliggende reden van deze actie. Direct nadat de pas van mevrouw [A] was geblokkeerd, heb ik opdracht gegeven om de gelden terug te laten storten (zie bijlage) wat ook is gebeurd (zie bijlagen). Dit laatste moet mevrouw [A] geweten hebben, nu zij onbeperkt toegang heeft tot de rekeningen (hetgeen blijkt uit haar klachtbrief). Desondanks heeft zij nagelaten om dit in de klachtbrief te vermelden. Met deze korte toelichting beoog ik niet ten overstaande van de OK te komen tot een inhoudelijke behandeling van de klacht, maar enkel aandacht te vragen voor het optreden van mevrouw [A] waardoor ik geconfronteerd word met onverzekerde en anderszins ongedekte kosten van verweer. Juist om dit optreden een halt toe te roepen heeft de Wetgever artikel 2:357 lid 6 BW in het leven geroepen.”
Dezelfde dag heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de e-mail van Stekelenburg.
1.9 Bij brief met bijlage van 13 mei 2020 heeft mr. Luinstra namens Digitalis aan de Ondernemingskamer bericht dat het verzoek van mr. Stekelenburg moet worden afgewezen. Volgens Digitalis is het klachtwaardig wat mr. Stekelenburg heeft gedaan en hoeft Cavari Nederland daarvoor niet te boeten. Digitalis meent dat zij mr. Stekelenburg vanaf zijn aantreden heeft ondersteund in al datgeen wat nodig was en dat zij mr. Stekelenburg ook steeds nauwkeurig heeft geïnformeerd over de financiële situatie. Uit de bijlage bij de brief blijkt volgens Digitalis dat er binnen Cavari Nederland nu al niet voldoende fondsen zijn om haar wettelijke verplichtingen na te komen, laat staan om extra kosten of verplichtingen aan te gaan welke zijn gemaakt door fouten van mr. Stekelenburg.
1.10 Van IC Holding c.s. is geen reactie door de Ondernemingskamer ontvangen.
2. De gronden van de beslissing
2.1
Mr. Stekelenburg heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de 1.4 genoemde dreiging van aansprakelijkheidstelling en de tuchtklacht van [A] hem raakt in zijn rechtspositie en vermogen en kennelijk een middel is om op oneigenlijke wijze zijn functioneren als tijdelijk bestuurder van Cavari Nederland te beïnvloeden.
2.2
Zowel IC Holding c.s. als Digitalis hebben de Ondernemingskamer gemotiveerd verzocht het verzoek af te wijzen.
2.3
De Ondernemingskamer overweegt als volgt.
2.4
De Ondernemingskamer stelt voorop dat mr. Stekelenburg als tijdelijk bestuurder van Cavari Nederland in een omgeving opereert die als gevolg van de verstoorde relatie tussen IC Holding c.s. en Digitalis conflictueus en gespannen is, een omgeving waarin een voortdurende dreiging van persoonlijke aansprakelijkstelling op de achtergrond aanwezig is, mede gelet op de uitlatingen van mr. Van der Spek in zijn e-mail aan mr. Stekelenburg van 15 november 2019 en de klachtbrief van [A] van 8 april 2020. Dat geldt voor handelingen die mr. Stekelenburg als bestuurder in het belang van Cavari Nederland verricht en nog zal verrichten. Cavari Nederland heeft er belang bij dat het functioneren van haar tijdelijk bestuurder zo min mogelijk wordt belemmerd door de dreiging dat hij onverzekerde of anderszins ongedekte kosten van verweer zal moeten maken, in reactie op verwijten en aansprakelijkstellingen. Onder deze omstandigheden acht de Ondernemingskamer het noodzakelijk om – met overeenkomstige toepassing van artikel 2:357 lid 6 BW (https://www.navigator.nl/document/openCitation/idb92318f37c7419a45d2a78f31ea84ec2/burgerlijk-wetboek-boek-2-artikel-357) – te bepalen dat Cavari Nederland de redelijke en in redelijkheid te maken kosten van verweer van de tijdelijk bestuurder van Cavari Nederland, ter zake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling, betaalt. De redelijke en in redelijkheid te maken kosten van verweer tegen de tuchtklacht van [A] worden, voor zover nodig op de voet van artikel 2:357 lid 2 BW, daaronder ook verstaan. De tuchtklacht van [A] van 8 april 2020 heeft immers betrekking op een handeling van mr. Stekelenburg als tijdelijk bestuurder van Cavari Nederland, nu de klachten van [A] zien op (i) twee betalingen die Stekelenburg als bestuurder van Cavari Nederland heeft gedaan vanaf de bankrekening van Cavari Nederland naar de derdengeldrekening van zijn advocatenkantoor en (ii) de betaling van declaraties op 13 en 31 maart 2020 ter zake van door hem als tijdelijk bestuurder van Cavari Nederland verrichte werkzaamheden. De Ondernemingskamer vermeldt ten overvloede dat zij hiermee niet oordeelt of de tuchtklacht van [A] jegens mr. Stekelenburg gegrond is.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt dat Cavari Clinics Nederland B.V. de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van de tijdelijk bestuurder, mr. J.T. Stekelenburg, ter zake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling, betaalt en dat dit ook geldt voor de kosten van verweer tegen de tuchtklacht van [A] van 8 april 2020;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en mr. drs. G. Boon RA en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Sterk, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.J. Wolfs op 27 mei 2020.
Uitspraak 12‑05‑2020
Inhoudsindicatie
deponering onderzoeksverslag
Partij(en)
beschikking ___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.252.663/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 12 mei 2020
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IC HOLDING B.V.,
gevestigd te Peize,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKSTERS,
advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudende te Leeuwarden,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Groningen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS GRONINGEN B.V.,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTERS,
niet verschenen,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIGITALIS B.V.,
gevestigd te Groningen,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. R.G. Luinstra en mr. J. Biesheuvel-Hoitinga, beiden kantoorhoudende te Groningen.
1. Het verloop van het geding
1.1 In het vervolg zullen de hierna te vermelden (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
verzoeksters sub 1 en 2 gezamenlijk met IC Holding c.s.;
verweersters sub 1 en 2 gezamenlijk met Cavari Clinics c.s.
1.2 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 5 april 2019, 8 april 2019 en 12 augustus 2019 in deze zaak.
1.3 Bij de beschikking van 5 april 2019 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics c.s. over de periode vanaf 1 januari 2015 en een nader door de Ondernemingskamer aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft daarbij overwogen dat de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog zal worden aanhouden opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. In de beschikking staat dat onder andere ieder der partijen op elk moment de Ondernemingskamer kan verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.
1.4 IC Holding c.s. hebben bij brief van hun advocaat van 5 augustus 2019 de Ondernemingskamer verzocht de onderzoeker alsnog aan te wijzen.
1.5 Bij de beschikking van 12 augustus 2019 heeft de Ondernemingskamer mr. J.G. Molenaar als onderzoeker aangewezen.
1.6 Bij brief van 11 mei 2020 heeft de onderzoeker het verslag met bijlagen van het in 1.3 bedoelde onderzoek aan de Ondernemingskamer doen toekomen.
1.7 De griffier heeft het verslag met bijlagen heden ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd.
2. De gronden van de beslissing
De Ondernemingskamer heeft kennis genomen van het verslag met bijlagen van het onderzoek. Gelet op de inhoud daarvan en op de overigens in deze zaak betrokken belangen, acht de Ondernemingskamer termen aanwezig om op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW te bepalen dat het verslag met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt dat het verslag met bijlagen van het bij de beschikking van 5 april 2019 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics Nederland B.V. en Cavari Clinics Groningen B.V. ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en mr. drs. G. Boon RA en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Sterk, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.J Wolfs op 12 mei 2020.
Uitspraak 12‑08‑2019
Inhoudsindicatie
OK; enquêterecht; de Ondernemingskamer wijst een onderzoeker aan
Partij(en)
beschikking ___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.252.663/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 12 augustus 2019
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IC HOLDING B.V.,
gevestigd te Peize,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKSTERS,
advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudende te Leeuwarden,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Groningen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS GRONINGEN B.V.,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTERS,
niet verschenen,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIGITALIS B.V.,
gevestigd te Groningen,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. R.G. Luinstra en mr. J. Biesheuvel-Hoitinga, beiden kantoorhoudende te Groningen.
1. Het verloop van het geding
1.1 In het vervolg zullen de hierna te vermelden (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
verzoeksters sub 1 en 2 gezamenlijk met IC Holding c.s.;
verweersters sub 1 en 2 gezamenlijk met Cavari Clinics c.s.
1.2 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 5 en 8 april 2019 in deze zaak.
1.3 Bij de beschikking van 5 april 2019 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics c.s. over de periode vanaf 1 januari 2015 en een nader door de Ondernemingskamer aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft daarbij overwogen dat de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog zal worden aanhouden opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. In de beschikking staat dat onder andere ieder der partijen op elk moment de Ondernemingskamer kan verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.
1.4 IC Holding c.s. hebben bij brief van hun advocaat van 5 augustus 2019 de Ondernemingskamer verzocht de onderzoeker alsnog aan te wijzen.
2. De gronden van de beslissing
De Ondernemingskamer zal thans de hierna te vermelden persoon aanwijzen als onderzoeker zoals bedoeld in de beschikking van 5 april 2019.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst aan als onderzoeker zoals bedoeld in de beschikking van 5 april 2019 in deze zaak:
mr. J.G. Molenaar te Utrecht;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en mr. drs. G. Boon RA en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. M.M.M. Tillema op 12 augustus 2019.
Uitspraak 08‑04‑2019
Inhoudsindicatie
aanwijzing bestuurder
Partij(en)
beschikking ___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.252.663/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 8 april 2019
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IC HOLDING B.V.,
gevestigd te Peize,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKSTERS,
advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudende te Leeuwarden,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Groningen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS GRONINGEN B.V.,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTERS,
niet verschenen,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIGITALIS B.V.,
gevestigd te Groningen,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. R.G. Luinstra en mr. J. Biesheuvel-Hoitinga, beiden kantoorhoudende te Groningen.
1. Het verloop van het geding
1.1 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikking van 5 april 2019 in deze zaak.
1.2 Bij die beschikking heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics Nederland B.V. (verder: Cavari Clinics) en Cavari Clinics Groningen B.V. over de periode vanaf 1 januari 2015, een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten, alsmede – bij wijze van onmiddellijke voorzieningen en vooralsnog voor de duur van het geding – bepaald dat een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van Cavari Clinics met beslissende stem in het bestuur wordt benoemd, dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Cavari Clinics te vertegenwoordigen, dat zonder deze bestuurder Cavari Clinics niet vertegenwoordigd kan worden en dat ten aanzien van de besluiten van deze bestuurder het bepaalde in artikel 16 lid 6 van de statuten van Cavari Clinics en het bepaalde in artikel 6 van de aandeelhoudersovereenkomst geen werking toekomt.
2. De gronden van de beslissing
De Ondernemingskamer zal thans de hierna te vermelden persoon aanwijzen als bestuurder zoals bedoeld in de beschikking van 5 april 2019.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst aan als bestuurder zoals bedoeld in de beschikking van 5 april 2019 in deze zaak:
mr. J.T. Stekelenburg te Holten;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en mr. drs. G. Boon RA en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Sterk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 8 april 2019.
Uitspraak 05‑04‑2019
Inhoudsindicatie
De ondernemings wijst enq verzoek en onmiddellijke voorzieningen toe.
Partij(en)
beschikking ___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.252.663/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 5 april 2019
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IC HOLDING B.V.,
gevestigd te Peize,
2. [A],
wonende te [....] ,
VERZOEKSTERS,
advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudende te Leeuwarden,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Groningen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CAVARI CLINICS GRONINGEN B.V.,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTERS,
niet verschenen,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIGITALIS B.V.,
gevestigd te Groningen,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. R.G. Luinstra en mr. J. Biesheuvel-Hoitinga, beiden kantoorhoudende te Groningen.
1. Het verloop van het geding
1.1 In het vervolg zullen de hierna te vermelden (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
verzoekster sub 1 met IC Holding;
verzoekster sub 2 met [A] ;
IC Holding en [A] gezamenlijk met IC Holding c.s.;
verweerster sub 1 met Cavari Clinics;
verweerster sub 2 met Cavari Groningen;
verweersters gezamenlijk met Cavari Clinics c.s.;
belanghebbende met Digitalis;
[B] met [B] ;
[C] met [C] ;
[B] en [C] gezamenlijk met [B] c.s.;
[D] met [D] .
1.2 IC Holding c.s. hebben bij verzoekschrift met producties, ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen op 14 januari 2019, de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - bij beschikking een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics en Cavari Groningen vanaf 1 januari 2015 en bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding een door de Ondernemingskamer aan te wijzen persoon te benoemen als bestuurder van Cavari Clinics met doorslaggevende stem en de door Digitalis in Cavari Clinics gehouden aandelen ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer aan te wijzen persoon, met veroordeling van Digitalis en [B] c.s. in de kosten van het geding.
1.3 [D] heeft bij brief van 3 februari 2018, ingekomen ter griffie op 8 februari 2019, gereageerd op het verzoekschrift van IC Holding c.s.
1.4 Digitalis heeft bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 februari 2019, geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van IC Holding c.s. althans afwijzing van hun verzoek en de Ondernemingskamer meer subsidiair verzocht, indien de Ondernemingskamer van oordeel is dat het belang van Cavari Clinics het treffen van bepaalde onmiddellijke voorzieningen vergt, de door IC Holding c.s. gevraagde onmiddellijke voorzieningen af te wijzen en bij wijze van onmiddellijke voorzieningen een persoon tot zelfstandig bevoegde bestuurder van Cavari Clinics te benoemen voor de duur van de enquêteprocedure dan wel voor de tijd die nodig is om tot een ontvlechting van Cavari Clinics te komen en het stemrecht van IC Holding en Digitalis op hun aandelen in Cavari Clinics ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer aan te wijzen persoon, met veroordeling van IC Holding op grond van artikel 2:350 lid 2 BW om alle schade te vergoeden die Cavari Clinics ten gevolge van het oneigenlijke verzoek lijdt en heeft geleden.
1.5 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 28 februari 2019. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen, en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen toegezonden aanvullende producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
2 De feiten
2.1
Cavari Clinics is op 31 december 2008 opgericht door Digitalis. [B] c.s. zijn enig bestuurders en enig aandeelhouders van Digitalis.
2.2
[A] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van IC Holding.
2.3
Op 27 september 2011 heeft IC Holding 6.001 van de geplaatste 18.000 aandelen in Cavari Clinics van Digitalis geleverd gekregen. De koopsom voor deze aandelen bedroeg € 352.666. Sindsdien houdt Digitalis 11.999 aandelen in Cavari Clinics en zijn [A] en [B] c.s. bestuurders van Cavari Clinics. Volgens artikel 16 lid 6 en artikel 27 van de sinds 27 september 2011 geldende statuten van Cavari Clinics is voor diverse bestuurs- en aandeelhoudersbesluiten de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van 2/3e van het geplaatste kapitaal van Cavari Clinics vereist. Eveneens op 27 september 2011 is tussen [B] c.s., [A] , Digitalis en IC Holding een aandeelhoudersovereenkomst tot stand gekomen. In artikel 6 van de aandeelhoudersovereenkomst staat welke bestuursbesluiten, in afwijking van de statuten, de goedkeuring van beide aandeelhouders behoeven.
2.4
Cavari Clinics houdt 95% van de aandelen in Cavari Groningen. [D] houdt 5% van de aandelen in Cavari Groningen. Enig bestuurder van Cavari Groningen is Cavari Clinics.
2.5
Cavari Clinics is een zelfstandig behandelcentrum (ZBC). Een ZBC is een samenwerkingsverband van ten minste twee medisch specialisten. [B] , cardioloog, en [A] , psychiater, vormen samen het samenwerkingsverband van Cavari Clinics met behulp van diverse medische specialisten, die Cavari Clinics kan inhuren. Cavari Clinics c.s. leveren zogenaamde integrated care (“ontschotte zorg”) op het gebied van psychiatrie en somatiek, zowel in de zin van medisch specialistische zorg als arbo-curatieve zorg. Incidenteel wordt cardiologische en psychiatrische hulp geboden zonder onderlinge integratie.
2.6
De inkomsten van Cavari Clinics bestaan onder andere uit vergoedingen voor verzekerde zorg en niet-verzekerde zorg. Cavari Clinics kan verzekerde zorg alleen verrichten vanwege haar relatie met Stichting Cavari Clinics IC (verder: de stichting), een erkende WTZi-instelling, die formeel de verzekerde zorg levert en de werkzaamheden uitbesteedt aan Cavari Clinics c.s. onder de voorwaarden van de op 1 juli 2011 tussen de stichting en Cavari Clinics gesloten samenwerkingsovereenkomst. [B] en [A] vormen het bestuur van de stichting. De stichting kent voorts een uit drie personen bestaande raad van toezicht (verder: de raad van toezicht).
2.7
Digitalis houdt alle aandelen in Curit B.V. (verder: Curit). Curit is de ICT leverancier van Cavari Clinics en Cavari Groningen.
2.8
Op 19 januari 2017 heeft [A] aan [B] c.s. een e-mail gestuurd. In de e-mail staat dat [A] een aantal facturen van Curit heeft gezien en dat zij niet akkoord gaat met betaling daarvan. [B] heeft op diezelfde datum op de e-mail gereageerd en aan [A] onder meer geschreven: “Over inhoud van facturen [is] met ons geen discussie mogelijk, wel over factuur datum en we willen zoals aangeven in acc overleg ze in 2015 kwijt omdat dan de winst nog wat gedrukt kan worden.” Het bedrag is door Cavari Clinics aan Curit betaald.
2.9
Op 11 februari 2018 hebben [B] c.s. en [A] een document getiteld “Administratieve organisatie en interne controle Cavari Clinics” (AO IC) ondertekend, waarin onder meer staat beschreven op welke wijze zakelijke afspraken worden gemaakt, facturen worden geaccordeerd en betalingen worden gedaan.
2.10
In een gesprek op 20 april 2018 tussen de accountant, [B] c.s. en [A] , heeft [A] kenbaar gemaakt dat zij een aantal bezwaren had tegen de concept-jaarrekening 2016 en dat zij de jaarrekening daarom niet wilde tekenen.
2.11
Bij brief van 27 april 2018 heeft [B] aan [A] onder meer geschreven dat [B] c.s. het “zat zijn” dat zij door [A] worden zwart gemaakt, dat zij constateren dat er een vertrouwenscrisis is en dat zij nog maar één weg zien, te weten “onze gezamenlijke activiteiten binnen de B.V. ’s met jou te staken en om vanaf nu onder passende begeleiding scenario’s te bekijken, waarbij we onze gezamenlijke participatie in de bedrijven afbouwen en mogelijkheden onderzoeken om zakelijk separaat verder te gaan. Zolang dit niet geregeld is, zullen we ook hulp nodig hebben bij het verbeteren c.q. weer normaliseren van een normale bedrijfsvoering.”
2.12
Op 30 april 2018 heeft [B] een memo aan de raad van toezicht gestuurd, waarin hij melding maakt van de door hem aan [A] gestuurde brief en schrijft dat Cavari Clinics volgens hem ontvlochten dient te worden en dat hij graag met de raad van toezicht in overleg wil “in het licht van vigerende Governancecode Zorg”. In het memo staat verder onder meer dat het [B] de afgelopen jaren gaandeweg duidelijk is geworden dat “door volstrekt verschillende overtuigingen, uitgangspunten, managementstijl, persoonlijke doelen, enz. enz., en het niet hebben kunnen opzetten van een normale overlegstructuur, we uiteindelijk gezamenlijk niet in staat zijn gebleken om succesvol te ondernemen. Hiernaast is er, en ik denk dat dit het belangrijkste is, geen vertrouwensbasis meer. Het lijkt erop dat we over alles andere gedachten en meningen hebben, behalve (meestal) over de zorg voor de individuele patiënt. (…) Ik heb het gevoel dat [de] patiëntenzorg actueel nog niet in gevaar komt, maar bij zo door gaan zal dat weldra zeker het geval zijn.”
2.13
Bij brief van 23 mei 2018 heeft [A] aan de raad van toezicht medegedeeld dat wat haar betreft ontvlechting niet aan de orde is. In haar brief staat, na de constatering dat Cavari Clinics een in medisch opzicht goed lopende organisatie is, onder meer: “Dit laat onverlet dat er reeds sinds mijn intrede in 2011 als aandeelhouder en bestuurder zakelijke spanningen zijn (…) Cavari was voor 2011 een familiebedrijf met een onzichtbare kleine andere aandeelhouder en er was en is een zeer nauwe verwevenheid met het ICT bedrijf Curit waar de andere twee aandeelhouders – [B] en [C] – eigenaar van zijn. Dit heeft zeker voordelen maar er is ook een duidelijke belangenverstrengeling waar de overige stakeholders, waaronder ik als bestuurder van Cavari, maar mijns inziens ook u als toezichthouder alert op dienen te zijn en dienen te zorgen dat de belangen van Cavari hierdoor niet worden benadeeld.
Ondanks herhaalde pogingen van mijn kant om Cavari te transformeren van een zuiver familiebedrijf naar een organisatie met een zakelijke en professionele bedrijfsvoering (…) heeft dit steeds op veel weerstand gestuit. (…) De druppel was echter dat er in 2016 een aantal financiële transacties hebben plaatsgevonden waarbij ik door mijn medeaandeelhouders bewust niet bij de besluitvorming betrokken ben en die niet mijn goedkeuring hebben. Ik heb mijn bezwaren kenbaar gemaakt en aan mijn medeaandeelhouders medegedeeld. (…) Op 20 april 2018 (…) vond de bespreking van de BV jaarrekeningen 2016 plaats en heb ik de jaarrekeningen na overleg met mijn eigen accountant niet getekend. Reden was o.a. dat de AO-IC wel ondertekend is maar uit recente voorvallen gebleken is dat hij nog niet nageleefd wordt. Daarnaast zijn er tussen Cavari en Curit nog steeds geen contracten (…).
Ik heb aangegeven de jaarrekening wel te zullen tekenen als voornoemde punten op een overtuigende wijze opgelost zijn. (…)
Mijns inziens dienen de werkelijke problemen opgelost te worden door het verbeteren van de bedrijfsvoering en niet door een mooi bedrijf als Cavari met een uniek zorgaanbod feitelijk te beëindigen. Daar kan ik niet mee akkoord gaan. (…)
Rest mij te beklemtonen dat de patiëntenzorg geen gevaar loopt (…) ik heb er alle vertrouwen in dat onze verschillen van mening door geen van ons beiden ten laste van de patiëntenzorg zal komen.”
2.14
Bij brief van 20 juni 2018 hebben [A] en [B] aan de raad van toezicht geschreven dat zij gesprekken willen voeren “met als doel een structuur te bedenken/afspraken te maken, die continuering [van de] samenwerking binnen Cavari tot doel hebben (in huidige organisatiestructuur). Onderdeel van de structuur/afspraken zal zijn een periodieke evaluatie van de verbeterpunten onder begeleiding van twee adviseurs met desgewenst periodieke rapportage aan de RvT.”
2.15
Op 22 augustus 2018 heeft [B] -Zonder namens Curit een ‘Toelichting en offerte ICT-dienstverlening aan Cavari Clinics’ aan [A] gestuurd. Dit heeft niet geleid tot de totstandkoming van een contract tussen Cavari Clinics en Curit.
2.16
Bij brief van 1 november 2018 hebben [B] c.s. aan mr. Van der Spek geschreven dat “de gesprekken, die de afgelopen maanden zijn gevoerd in het kader van een ultieme poging om de verhoudingen tussen de DGA’s binnen Cavari Clinics te normaliseren, niet het gewenste doel hebben gehad. Eerder hebben deze gesprekken en nieuwe incidenten de verhouding verder verslechterd. (…) Wij beschouwen het ‘mediationtraject’ (…) als mislukt. Derhalve hebben wij besloten om de 11.999 aandelen Cavari Clinics Nederland B.V., die in het bezit zijn van Digitalis B.V. conform de statutaire regeling aan IC Holding aan te bieden. Ons voorstel is dat de waarde van de door ons geboden aandelen wordt bepaald door een of meer onafhankelijke deskundigen.”
2.17
Bij brief van 8 november 2018 heeft mr. Van der Spek aan [B] c.s. onder andere bericht dat [B] c.s. een tegenstrijdig belang hebben bij de activiteiten van Curit voor Cavari Clinics, dat [B] c.s. in gebreke blijven om er voor te zorgen dat Curit een fatsoenlijk voorstel doet inzake de samenwerking met Cavari Clinics en dat Cavari Clinics daardoor een subsidie ad € 24.000 misloopt, en dat Cavari risico loopt “een subsidie van € 40.000 voor de A1 module mis te lopen, indien Curit niet volgens de VIPP-module levert”. In de brief staat verder dat IC Holding c.s. een aantal ernstige bezwaren hebben “over financiële transacties tussen Cavari en u c.q. Curit, welke een bedrag van afgerond € 60.000 betroffen. De bezwaren van cliënte, inhoudende dat voor deze betaling geen grondslag aanwezig was, wimpelde de heer [B] weg. Dat is ernstig verwijtbaar. Bovendien heeft u beiden nadien, zonder instemming van cliënte, gemeend aan mevrouw [B] een salaris vanuit Cavari te moeten gaan betalen”. De brief vermeldt verder dat [B] c.s. een probleem met [A] hebben gecreëerd, dat zich door toedoen van [B] c.s. zelfs tot op de werkvloer uitbreidt, dat [B] zich aan zijn verplichtingen onttrekt om te participeren in de projecten die binnen Cavari Clinics plaatsvinden, en dat het niet toelaatbaar is om als bestuurder overleg met een medebestuurder te weigeren. In de slotalinea van de brief wordt een enquêteprocedure in het vooruitzicht gesteld.
2.18
Bij brief van 14 november 2018 heeft mr. Van der Spek aan [B] c.s. onder andere bericht: “(…) cliënte verklaart zich conform het bepaalde in de statutaire aanbiedingsregeling geïnteresseerd in de koop van de aandelen. (…)”.
2.19
In een e-mail van 24 november 2018 heeft de raad van toezicht aan het bestuur van Cavari Clinics vooropgesteld dat naar aanleiding van een eerder verzoek op 1 mei 2018 om met een zodanige oplossing te komen dat het voor de raad van toezicht duidelijk wordt dat de patiëntenzorg op verantwoorde wijze voortgezet kan worden geen signalen zijn ontvangen dat er zodanige verbeteringen zijn dat met vertrouwen naar de toekomst gekeken kan worden. De raad van toezicht heeft het bestuur verzocht om binnen een termijn van twee weken met een rapportage te komen over hetgeen in de afgelopen periode al dan niet is bereikt. In de e-mail staat verder: “als er een impasse is ontstaan, verzoeken we u met een voorstel te komen om uit die impasse te geraken, ook hier gezamenlijk dan wel afzonderlijk, en ook binnen een termijn van twee weken.”
2.20
Bij brief van 21 december 2018 heeft mr. Luinstra aan mr. Van der Spek onder andere bericht dat er vanwege de historische verwevenheid tussen Curit en Cavari Clinics steeds een samenwerking is geweest, waarbij gemaakte afspraken werden gerespecteerd, dat er over de jaren 2013, 2014 en 2015 vanwege de matige liquiditeitspositie van Cavari Clinics niet is gefactureerd voor geleverde diensten, dat dit gegeven bij de bespreking van de jaarrekening over 2016 met [A] is besproken, dat het alsnog factureren van de verleende diensten over de jaren 2013 en 2014 door [A] is geaccordeerd maar dat de facturen over 2015 en 2018 onbetaald zijn gebleven en dat het kennelijke verzet van [A] tegen het gebruik van de software en de diensten geleverd door Curit onbegrijpelijk is, een verlammende werking op de samenwerking heeft en de bedrijfsvoering ontregelt. In de brief staat verder onder meer dat de aantijgingen van [A] voor wat betreft het mislopen van subsidie misplaatst is, dat [A] een volstrekte verkeerde visie heeft op een arbeidsconflict dat ontstaan is met een fysiotherapeut die in dienst is van Cavari Clinics, dat [A] ook op andere vlakken haar eigen koers volgt en afspraken binnen de organisatie niet nakomt. Mr. Luinstra heeft laten weten dat Digitalis bereid is op voorhand een voorstel te doen onder welke condities zij bereid is haar aandelen aan [A] over te dragen.
2.21
Bij brief van 27 december 2018 heeft de raad van toezicht aan het bestuur van Cavari Clinics bericht dat hij kennis heeft genomen van de rapportage van [B] (30 november 2018) en van [A] (7 december 2018) en dat hij op grond van de rapportages vaststelt dat het niet is gelukt om met behulp van adviseurs/mediators tot een oplossing te komen in de zin van het gezamenlijk voortzetten van Cavari Clinics. Verder staat in de brief onder andere dat de raad van toezicht vaststelt dat het niet mogelijk is om Cavari Clinics met het huidige bestuur voort te zetten zonder dat de geleverde zorg in het geding komt en dat hij bereid is de voorgestelde oplossing, overdracht van de aandelen aan [A] , een kans te geven en wil weten hoeveel tijd [B] c.s. en [A] daarvoor nodig denken te hebben.
2.22
Bij brieven van 6 januari 2019 hebben [B] en [A] op de brief van de raad van toezicht gereageerd. [A] heeft in haar brief geschreven dat de oplossingsrichting niet zo eenvoudig te realiseren is en dat waardebepaling slechts een onderdeel daarvan is. Zij schetst een aantal onderwerpen die in het kader van een aandelenoverdracht geregeld moeten worden, waaronder de continuïteit van de organisatie, de ICT-diensten, overdracht van contacten in het kader van acquisitie en een concurrentiebeding voor [B] c.s.
2.23
De raad van toezicht heeft zijn zorgen over een goede en veilige patiëntenzorg herhaald in brieven van 21 januari en 2 februari 2019, in de brief van 21 januari 2019 geconstateerd dat er geen onmiddellijke oplossing voorhanden is en in laatstgenoemde brief (na een samenvatting van de reacties van [B] en [A] op de brief van 21 januari 2019) onder meer geschreven dat “er in de huidige omstandigheden geen grond meer is erop te vertrouwen dat er goede en veilige gecombineerde cardio/somatische/psychiatrische patiëntenzorg geleverd blijft worden door de zittende leden van de RvB. We weten nu zeker dat er van integrale zorg geen sprake zal en mag zijn en verzoeken jullie daar in de komende weken dan ook van af te zien als dat nog wel een keer aan de orde zou komen. In afwachting van de uitspraak van de Ondernemingskamer is de RvT bereid jullie tot 16 maart 2019 de tijd te geven ons een voorstel te doen toekomen hoe jullie de lopende patiëntenzorg van plan zijn te gaan overdragen of afbouwen.”
2.24
Bij brief van 4 februari 2019 heeft mr. Luinstra aan mr. Van der Spek onder andere bericht dat hij graag uiterlijk 8 februari 2019 van [A] verneemt “ofwel een voorstel tot overname van de aandelen ofwel een naam van een scheidsman die tezamen met een door mijn cliënt aan te wijzen scheidsman en een derde door deze gezamenlijk te benoemen scheidsman bindend zal adviseren over de ontvlechting van Cavari Clinics B.V.”
2.25
Bij brief van 12 februari 2019 heeft mr. Luinstra aan mr. Van der Spek onder andere bericht dat Digitalis bereid is € 1 te ontvangen voor de door haar gehouden aandelen in Cavari Clinics en dat ter afwikkeling nog nadere afspraken dienen te worden gemaakt.
3. De gronden van de beslissing
3.1
IC Holding c.s. hebben aan hun stelling dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en gang van zaken van Cavari Clinics en Cavari Groningen en dat onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen, samengevat het volgende ten grondslag gelegd:
- a.
Er is een onwerkbare situatie in het bestuur en de algemene aandeelhoudersvergadering van Cavari Clinics en van Cavari Groningen. De jaarrekeningen van Cavari Clinics en Cavari Groningen zijn niet door het bestuur van Cavari Clinics geaccordeerd, omdat [A] daartegen bezwaren heeft (zie ook 3.1. b (i) tot en met (iii).
- b.
De tegenstrijdige belangen aan de zijde van [B] c.s. en de wijze waarop zij daarmee om gaan vormen een centraal punt in de bezwaren van IC Holding en [A] .
- (i) IC Holding en [A] maken bezwaar tegen de in 2017 gedane betalingen van facturen ten bedrage van (afgerond) € 60.000 door Cavari Clinics aan Curit voor werkzaamheden die in eerdere boekjaren door Curit zijn verricht.
- (ii) IC Holding en [A] maken bezwaar tegen betalingen die aan [B] -Zonder als compensatie voor werk uit het verleden zijn gedaan zonder dat er afstemming met [A] heeft plaatsgevonden.
- (iii) [B] c.s. weigeren, ondanks verzoek van [A] , mee te werken om een zakelijk contract tussen Cavari Clinics en Curit tot stand te brengen. Als gevolg daarvan loopt Cavari Clinics aanzienlijke subsidies mis of moet zij deze (deels) terugbetalen. [B] c.s. geven er blijk van het leerstuk van tegenstrijdig belang niet te begrijpen.
- (iv) [B] houdt zich bezig met andere activiteiten dan Cavari Clinics waar hij geen verantwoording over aflegt. Dat is in strijd met de samenwerkingsafspraken en schaadt de belangen van Cavari Clinics.
3.2
Digitalis heeft in haar verweer gesteld dat IC Holding niet ontvankelijk is in haar verzoek, voor zover hiermee een concernenquête wordt beoogd omdat Cavari Groningen in het verzoekschrift niet als verweerster staat genoemd en voorts omdat het verzoekschrift gaat over een vermogensrechtelijk geschil tussen IC Holding en Digitalis, namelijk de ontvlechting van Cavari Clinics. Digitalis heeft verder gemotiveerd verweer gevoerd tegen de bezwaren van IC Holding en [A] . Voor het geval dat door de Ondernemingskamer wordt besloten een enquête te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics en Cavari Groningen, verzoekt Digitalis dat ook onderzoek wordt gedaan naar de handelwijze van [A] aangaande de volgende punten:
- a.
Door [A] zijn drie medewerkers vertrokken, er zit een werkneemster met klachten thuis vanwege een conflict met [A] en niemand werkt meer met plezier binnen Cavari Clinics.
- b.
Er zijn klachten van patiënten over het gedrag van [A] .
- c.
[A] heeft geweigerd een MIP-melding (incident) over haarzelf in behandeling te (laten) nemen.
- d.
De kwaliteit van de zorg loopt gevaar, omdat [A] [B] belet om externen in te huren. De doorlooptijden voor de private trajecten zijn erg lang door eisen van [A] . [A] weigert diverse rekeningen te betalen, waardoor afspraken met derden, de onderneming en de patiëntenzorg in gevaar komt.
- e.
[A] weigert haar goedkeuring aan de jaarrekening over 2016 te verlenen.
3.3
De Ondernemingskamer overweegt als volgt.
3.4
Anders dan Digitalis heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de Ondernemingskamer uit het verzoekschrift duidelijk dat het zich – naast Cavari Clinics – ook op Cavari Groningen, de vennootschap waarbinnen alle feitelijke werkzaamheden plaatsvinden, richt, en is het geschil niet ‘puur vermogensrechtelijk’ van aard. IC Holding en [A] stellen bezwaren van vennootschapsrechtelijke aard aan de orde (zoals verwoord in 3.1).
3.5
De verstandhouding tussen partijen, meer in het bijzonder die tussen [A] enerzijds en [B] c.s. anderzijds, is ernstig verstoord. Mede als gevolg daarvan bestaat een vrijwel totale patstelling in het bestuur en gelet op artikel 16 lid 6 en artikel 27 van de statuten (goedkeuring diverse besluiten met 2/3e van de stemmen van de algemene aandeelhoudersvergadering) en artikel 6 van de aandeelhoudersovereenkomst (goedkeuring diverse besluiten door beide aandeelhouders) ook in belangrijke mate in de algemene aandeelhoudersvergadering van Cavari Clinics die doorwerkt op het niveau van Cavari Groningen. Er vindt geen constructief overleg plaats. Het wantrouwen tussen [A] en [B] c.s. staat een normale communicatie tussen hen in de weg. Als gevolg van de onenigheid over posten kunnen onder meer de jaarrekeningen van Cavari Clinics en Cavari Groningen over 2016 niet worden opgemaakt en vastgesteld. Beslissingen over (de noodzaak van) te nemen maatregelen met het oog op de situatie waarin Cavari Clinics al enige tijd verkeert – in verband waarmee de raad van toezicht op 2 februari 2019 aan het bestuur van Cavari Clinics heeft verzocht vooralsnog af te zien van integrale zorgverlening – kunnen als gevolg van de verstoorde verhoudingen niet genomen worden. Tussen [A] en [B] c.s. bestaan voorts verschillen van inzicht over de bedrijfsvoering, onder meer met betrekking tot de samenwerking tussen Cavari Clinics en Curit (zie ook hierna 3.7). Gesprekken die [A] en [B] c.s. hebben gevoerd met als doel om uit de impasse te geraken zijn op niets uitgelopen.
3.6
De Ondernemingskamer acht aannemelijk dat de ontstane impasse – indien niet spoedig doorbroken – verdere negatieve gevolgen zal hebben voor Cavari Clinics en Cavari Groningen en degenen die bij deze ondernemingen betrokken zijn, onder wie ook werknemers en patiënten. Een en ander levert een gegronde reden op om aan een juist beleid en juiste gang van zaken van Cavari Clinics en Cavari Groningen te twijfelen.
3.7
De hiervoor genoemde verstoorde verhouding is mede het gevolg van de omstandigheid dat – kort gezegd – [A] [B] c.s. verwijt dat zij bij hun handelen een eigen belang behartigen dat potentieel tegenstrijdig is aan het belang van Cavari Clinics en Cavari Groningen, zonder dat zij hun handelen daarop hebben aangepast. Tussen partijen staat vast dat de dienstverlening door Curit voor de onderneming van groot belang is maar ondanks aandringen van IC Holding zijn partijen er niet in geslaagd de daarvoor geldende voorwaarden vast te leggen in een schriftelijk document. Ook de betalingen aan [B] -Zonder, ter compensatie voor werk uit het verleden zijn gedaan zonder dat er afstemming met IC Holding als medebestuurder heeft plaatsgevonden en zonder dat die betalingen hun grondslag vinden in een fatsoenlijk geadministreerde overeenkomst en/of tijdsverantwoording. Ook dat levert, met name gelet op het gebrek aan transparantie en de bij beide onderwerpen (indirect) betrokken belangen van [B] c.s. gegronde redenen op om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van Cavari Clinics en Cavari Groningen.
3.8
Of de gegronde redenen ook zijn gelegen in hetgeen door Digitalis is aangevoerd onder 3.2 a t/m e kan thans onbesproken blijven en zal moeten blijken uit het in te stellen onderzoek. Het staat de aan te wijzen onderzoeker vrij in het onderzoek tevens deze bezwaren, die samenhangen met de hiervoor onder 3.5 besproken situatie, tot zijn onderzoeksterrein te rekenen.
3.9
Dat [B] zich bezighoudt met andere activiteiten dan Cavari Clinics waar hij geen verantwoording over aflegt, is door IC Holding c.s. niet nader concreet toegelicht en kan daarom, mede in het licht van het gemotiveerde verweer van Digitalis en de verklaring van [B] ter terechtzitting, thans niet bijdragen aan het oordeel dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van Cavari Clinics en Cavari Groningen.
3.10
De Ondernemingskamer zal, conform het verzoek, een onderzoek bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics en Cavari Groningen vanaf 1 januari 2015.
3.11
De Ondernemingskamer acht het met het oog op de toestand van Cavari Clinics en Cavari Groningen noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening een derde als zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder van Cavari Clinics met beslissende stem naast [A] en [B] c.s. te benoemen en te bepalen dat zonder deze bestuurder Cavari Clinics niet vertegenwoordigd kan worden en dat ten aanzien van de besluiten van deze bestuurder het bepaalde in artikel 16 lid 6 van de statuten van Cavari Clinics en het bepaalde in artikel 6 van de aandeelhoudersovereenkomst geen werking toekomt. Gelet op de omstandigheid dat de verstandhouding tussen [A] en [B] c.s. ernstig is verstoord en herstel daarvan, naar het zich laat aanzien, niet te verwachten is, merkt de Ondernemingskamer op dat het de bestuurder vrij staat om te bezien of tussen partijen een regeling kan worden getroffen die strekt tot ontvlechting van hun belangen. Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer vooralsnog geen aanleiding.
3.12
De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog aanhouden opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder der partijen of de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.
3.13
De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen bestuurder ten laste brengen van Cavari Clinics. Digitalis zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding.
4. De beslissing
De Ondernemingskamer:
beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Cavari Clinics Nederland B.V. en Cavari Clinics Groningen B.V. over de periode vanaf 1 januari 2015;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;
stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 30.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Cavari Clinics Nederland B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te (doen) stellen;
benoemt mr. A.J. Wolfs tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;
benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van Cavari Clinics Nederland B.V. met beslissende stem in het bestuur, en bepaalt dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Cavari Clinics Nederland B.V. te vertegenwoordigen, dat zonder deze bestuurder Cavari Clinics Nederland B.V. niet vertegenwoordigd kan worden en dat ten aanzien van de besluiten van deze bestuurder het bepaalde in artikel 16 lid 6 van de statuten van Cavari Clinics Nederland B.V. en het bepaalde in artikel 6 van de aandeelhoudersovereenkomst geen werking toekomt;
bepaalt dat het salaris en de kosten van deze bestuurder ten laste komen van Cavari Clinics Nederland B.V. en bepaalt dat Cavari Clinics Nederland B.V. voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van diens werkzaamheden;
veroordeelt Digitalis B.V. in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van I.C. Holding B.V. en [A] begroot op € 3.963.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en mr. drs. G. Boon RA en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Sterk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 5 april 2019.