Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Rb. Limburg, 02-10-2023, nr. ROE 23 / 1015
ECLI:NL:RBLIM:2024:1021
- Instantie
Rechtbank Limburg
- Datum
02-10-2023
- Zaaknummer
ROE 23 / 1015
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBLIM:2024:1021, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 06‑03‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBLIM:2023:5858, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 02‑10‑2023; (Vereenvoudigde behandeling)
Uitspraak 06‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Opposante stelt veelvuldig verzet in tegen buitenzitting-uitspraken waarmee zij niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep omdat zij geen griffierecht heeft betaald en uitdrukkelijk geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht. Opposante voert in de beroepen en de verzetten steeds dezelfde argumenten aan, namelijk dat de regeling inzake griffierecht in strijd zou zijn met Europees Recht. Dit standpunt is al veelvuldig door de rechtbank beoordeeld en verworpen. De wijze van procederen kent geen ander doel dan de rechtspraak onnodig te belasten en zodanig dat dit blijk geeft van kwade trouw. Dat geldt te meer nu opposante vaak aangeeft te willen worden gehoord, waarna zij niet op de daartoe geplande zitting verschijnt. De rechtbank neemt daarom misbruik van recht aan. Verzet(ten) niet-ontvankelijk.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 23/1015 V
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2024 op het verzet van
[eiseres] , te [woonplaats] , opposante1.,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 oktober 2023 in het geding tussen
opposante
en
de Minister van Justitie en Veiligheid, geopposeerde.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 2 oktober 2023 (hierna: de uitspraak) waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 25 januari 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met 22 verzetten van opposante in gedingen tussen opposante en vijf andere geopposeerden. In de uitnodiging voor de zitting heeft de rechtbank vermeld dat op de zitting in elk geval zal worden besproken in hoeverre er sprake is van misbruik van recht.
1.2.
Opposante heeft zich afgemeld voor de zitting, geopposeerde heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is er beslist op het beroep van opposante?
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht, omdat opposante in verzuim was het verschuldigde griffierecht te voldoen (artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). De rechtbank heeft in de uitspraak overwogen dat opposante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in onmacht verkeerde om het griffierecht tijdig te voldoen en dat er geen grond is voor het oordeel dat het geheven griffierecht opposante wezenlijk heeft belemmerd in haar recht op toegang tot de rechter. Dat opposante om haar moverende redenen geen beroep wil doen op betalingsonmacht, maakt dat niet anders.
Welke vraag moet in deze uitspraak worden beantwoord?
4. Opposante heeft in haar verzetschrift dezelfde argumenten naar voren gebracht als in het beroep. Volgens opposante zijn haar financiële gegevens vervalst en verduisterd. Opposante betaalt geen griffierecht zolang er geen onvervalste documenten worden overgelegd van haar financiën. Opposante vindt dat er sprake is van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) omdat haar recht op de toegang tot de rechter wordt belemmerd en het recht om te worden gehoord wordt geschonden. Opposante heeft bovendien uitdrukkelijk verklaard zich niet te beroepen op betalingsonmacht, omdat deze regeling eveneens in strijd is met artikel 6 van het EVRM.
4.1.
De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat opposante deze argumenten niet alleen naar voren heeft gebracht in het beroep en het onderhavige verzet, maar ook in de 22 verzetzaken van opposante die gelijktijdig op zitting zijn behandeld. Ook heeft de rechtbank geconstateerd dat opposante dezelfde argumenten al in een groot aantal andere beroeps- en verzetzaken heeft aangevoerd, waarop reeds door (onder meer) deze rechtbank is beslist. Omdat opposante dezelfde argumenten, die al veelvuldig zijn beoordeeld, naar voren blijft brengen, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of opposante met haar verzet misbruik van recht maakt.
Wanneer is er sprake van misbruik van recht?
5. In artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, (het BW) staat dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet kan inroepen voor zover hij deze misbruikt. In het tweede lid staat dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. In artikel 15 van hetzelfde boek vindt artikel 13 toepassing buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
5.1.
Deze artikelen uit het BW kunnen ook in het bestuursrecht van toepassing zijn. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en de Centrale Raad van Beroep (de CRvB), volgt uit deze artikelen dat de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen, niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt.2.Deze artikelen verzetten zich dus tegen inhoudelijke behandeling van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel (zoals beroep of verzet) dat misbruik van een bevoegdheid behelst en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig rechtsmiddel.
6. Dit betekent dat wanneer de rechtbank van oordeel is dat opposante met haar verzet misbruik van recht maakt, de rechtbank dit verzet niet inhoudelijk hoeft te beoordelen en niet-ontvankelijk kan verklaren.
Maakt opposante misbruik van recht met het aantekenen van verzet?
7. De rechtbank stelt vast dat de argumenten van opposante in (inmiddels) een groot aantal uitspraken al is beoordeeld. Niet alleen door deze rechtbank3.(en andere rechtbanken), maar ook door de CRvB.4.Steeds is geoordeeld dat de regeling over het heffen van griffierecht en de hoogte hiervan, zoals die in Nederland wordt gehanteerd, dusdanig is dat deze normaal gesproken géén belemmering vormt voor de toegang tot de rechter. Dat kan in individuele gevallen anders zijn, namelijk als het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken onder een bepaalde grens ligt en er geen vermogen is waarmee het griffierecht kan worden betaald. Er kan dan een beroep op betalingsonmacht worden gedaan, waardoor vrijstelling van griffierecht kan worden verleend. Het is dan wel aan opposante zélf om aan te tonen dat de heffing van het griffierecht in haar geval een onaanvaardbare belemmering vormt om zich tot de rechter te wenden. Dat heeft opposante niet gedaan, door steeds uitdrukkelijk af te zien van een beroep op betalingsonmacht. Dat opposante het griffierecht niet wil betalen zolang zij de door haar gewenste documenten (over haar inkomen) niet heeft ontvangen, is niet voldoende om een onaanvaardbare belemmering aan te nemen.
7.1.
Hieruit kan niet alleen worden opgemaakt dat de uitspraak waartegen het verzet zich richt juist is, maar ook dat opposante tegen beter weten in blijft volharden in een rechtsgang door verzet aan te tekenen tegen uitspraken waarmee zij niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep wegens het niet betalen van griffierecht. Inmiddels moet voor opposante meer dan duidelijk zijn dat zij tijdig griffierecht dient te betalen, of een onderbouwd beroep op betalingsonmacht dient te doen. Met het instellen van rechtsmiddelen zonder het verschuldigde griffierecht te voldoen, daarbij bewust geen beroep te doen op betalingsonmacht, en onder aanvoering van steeds dezelfde (of vergelijkbare) argumenten, kan het opposante niet langer te doen zijn om het verkrijgen van duidelijkheid over de wet- en regelgeving en rechtspraak over het heffen van griffierecht en de regeling van beroep op betalingsonmacht, want die duidelijkheid is al meerdere keren uitdrukkelijk gegeven.
7.2.
De rechtbank acht van belang dat deze wijze van procederen door opposante, en de vele zaken en (gelijkluidende) uitspraken die moeten worden gedaan, een onevenredige belasting op de rechtspraak opleveren. Dat geldt te meer nu opposante al heel vaak in haar verzetschrift heeft aangegeven te willen worden gehoord, waarna een zitting wordt gepland om haar die gelegenheid te bieden, om vervolgens niet ter zitting te verschijnen. Ook in het onderhavige verzet is dat het geval.
7.3.
De rechtbank komt tot de conclusie dat opposante de bevoegdheid om verzet aan te tekenen heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, namelijk met geen ander doel dan de rechtspraak onnodig te belasten en zodanig dat dit blijk geeft van kwade trouw. De rechtbank had dit graag met opposante op de zitting van 25 januari 2024 besproken, maar opposante is (opnieuw) niet verschenen. Nu opposante bewust en tegen beter weten in op dezelfde voet blijft doorprocederen over het verschuldigde griffierecht kan de rechtbank haar proceshouding niet anders kwalificeren dan als misbruik van recht.
Wat betekent dit voor nieuwe verzetten van opposante?
8. Voor zover opposante bij andere procedures verzet heeft ingesteld of instelt tegen een buiten-zittinguitspraak waarmee haar beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet betalen van het verschuldigde griffierecht, onder aanvoering van dezelfde of vergelijkbare argumenten, kan de rechtbank (ook) dat verzet niet-ontvankelijk verklaren wegens misbruik van recht. De rechtbank kan in dat geval een behandeling van het verzet op een zitting achterwege laten, ook als opposante daarom wel heeft verzocht. Dat kan omdat er in dat geval, waarin sprake is van misbruik van recht, niet aan een inhoudelijke beoordeling van het verzet wordt toegekomen. Voor het oordeel dat er geen sprake zou zijn van een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM is dan op voorhand geen aanleiding.5.
Conclusie en gevolgen
9. Nu het instellen van het verzet getuigt van misbruik van recht, zal de rechtbank dit verzet niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2024.
Griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaken op: 6 maart 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑03‑2024
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1636) en de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:307).
Zie bijvoorbeeld de recente uitspraken van deze rechtbank van 2 oktober 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:5858) en van 25 januari 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:341).
Zie onder meer de uitspraak op verzet van 21 juni 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1125) en de uitspraak van 2 augustus 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1471).
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4063) en de uitspraak van de CRvB van 18 januari 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:105).
Uitspraak 02‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Griffierecht niet betaald
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 23 / 1015
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres
en
de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder.
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
4. De rechtbank stelt voorop dat iemand die beroep instelt op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht moet betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
5. Eiseres heeft het griffierecht in deze zaak niet betaald, terwijl zij daarvoor wel conform de procedurevoorschriften in de gelegenheid is gesteld. Eiseres heeft (schriftelijk) uitgebreid uiteengezet waarom zij het griffierecht niet heeft betaald. Eiseres betaalt geen griffierecht zolang er geen onvervalste documenten worden overgelegd van haar financiën. Verweerder wil deze niet overleggen en de rechtbank vraagt die ook niet op. Volgens eiseres zijn haar financiële gegevens vervalst en verduisterd. Eiseres vindt dat er sprake is van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat haar recht op de toegang tot de rechter wordt belemmerd en het recht om te worden gehoord wordt geschonden. Eiseres heeft bovendien uitdrukkelijk verklaard zich niet te beroepen op betalingsonmacht, omdat deze regeling eveneens in strijd is met artikel 6 EVRM.
6. De bestuursrechter heeft al vaker geoordeeld1.dat de regeling over het heffen van griffierecht en de hoogte hiervan, zoals in Nederland wordt gehanteerd, dusdanig is dat deze normaal gesproken géén belemmering vormen voor de toegang tot de rechter. In individuele gevallen kan dat anders zijn namelijk als het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken op het moment dat het griffierecht betaald moet worden, minder bedraagt dan 95% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en er geen vermogen is waarmee het griffierecht kan worden betaald. Er kan dan een beroep op betalingsonmacht worden gedaan, waardoor vrijstelling van griffierecht kan worden verleend. Het is dan wel aan de rechtzoekende om dit aannemelijk te maken.2.
7. Hieruit volgt dat niet de rechtbank (of verweerder) maar eiseres zélf moet aantonen dat de heffing van het griffierecht in haar geval een onaanvaardbare belemmering vormt om zich tot de rechter te wenden. Dat heeft eiseres niet gedaan. Als zij het griffierecht niet kan betalen, dan staat het eiseres vrij om een beroep te doen op betalingsonmacht. Daarvan heeft eiseres echter uitdrukkelijk afgezien. Dat is haar keuze, maar die heeft dan wel tot gevolg dat geen vrijstelling voor het betalen van het griffierecht kan worden verleend. Dat eiseres het griffierecht niet wil betalen zolang zij de door haar gewenste documenten niet heeft ontvangen, is niet voldoende om een onaanvaardbare belemmering aan te nemen. Het is de rechtbank namelijk niet duidelijk geworden waarom dat voor eiseres een belemmering oplevert om het griffierecht te betalen. Ook in de overige door eiseres omschreven feiten en omstandigheden ziet de rechtbank geen redenen waarom eiseres het griffierecht niet zou kunnen of hoeven te betalen.
8. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat zij redelijkerwijs niet in verzuim is om het griffierecht te betalen. De rechtbank verwijst daarvoor ook naar de bij eiseres bekende uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 december 2019.3.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Het CAK hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van J.B.J.C.L. Caelers-Sijbers, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2023
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 2 oktober 2023
AC
Informatie over verzet
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑10‑2023
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282.
Vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 16 april 2021; ECLI:NL:CRVB:2021:850 en 29 maart 2019; ECLI:NL:CRVB:2019:1101.