Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/2.2.7
2.2.7 Strategische allianties
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604154:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
D. Snel, Minirapportage: Samenwerking loont, EIM Zoetermeer 2004.
De Man en Duysters (2002), Groot en Dekker (2002) en Van Elk en Van Lin (2005).
A. Boot en A. Schmeits, ‘Onderneming en financiële markt’, in: H. Schenk, Herpositionering van ondernemingen, Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde 2001, Utrecht: Uitgeverij LEMMA BV 2001.
N. Nohria en R. Eccles, Networks and Organization: Structure, Form and Action, Boston: Harvard Business School Press 1992, ontleend aan Applegate (2006).
Er kunnen ook aangrijpingspunten voor de omschrijving van verbondenheid worden gevonden in de literatuur over ‘strategische allianties’.
Groot en Dekker (2002) beschrijven dat bedrijven steeds meer gebruikmaken van samenwerkingsvormen. Dit stelt hen in staat om doelstellingen te bereiken die zelfstandig niet haalbaar zouden zijn geweest, of pas veel later zouden kunnen worden bereikt. Ook Snel concludeert dat samenwerking tussen bedrijven tot een beter resultaat leidt.1 Samenwerking vindt in verschillende hoedanigheden plaats, zo blijkt uit zijn onderzoek. In veel gevallen is sprake van informele, losse contacten in de vorm van een lidmaatschap bij een ondernemers-, branche- of beroepsorganisatie. De samenwerking kan ook min of meer formeel zijn vastgelegd, waarbij partijen onderling verplichtingen hebben tegenover elkaar.
Ondernemingen kunnen samenwerken zonder financieel of organisatorisch met elkaar verweven te raken. Dat is het geval bij reguliere markttransacties. Om te kunnen spreken van ‘allianties’ moet een bepaalde mate van financiële en organisatorische verbondenheid bestaan. Van Gils (2000) maakt hierbij onderscheid tussen ‘tactische allianties’ en ‘strategische allianties’. Bij tactische allianties is alleen sprake van informatiedeling. Organisaties worden hierbij niet afhankelijk van elkaar. Ingeval van strategische allianties wordt er meer gedeeld. Het gaat dan om kennisdeling of een minderheidsdeelneming. De wederzijdse afhankelijkheid van de organisaties is dan ook groter. Een volgende stap na een strategische alliantie is een fusie of acquisitie, die gepaard gaat met volledige afhankelijkheid en brondeling. Bij strategische allianties gaat het dus met name om organisatorische verbondenheid, en in mindere mate om financiële verbondenheid.
Uit onderzoek blijkt dat het belang van strategische allianties in de afgelopen jaren sterk is toegenomen.2 Boot en Schmeits spreken in dit verband van ‘netwerkachtige schakeringen’ van ondernemingen, waarbij ondernemingsgrenzen veranderen en vervagen.3 In dezelfde zin merken Nohria en Eccles op:4
‘If the old model of organization was the large, hierarchical organization, the new model that is considered characteristic of the New Competition is a network of lateral and horizontal interlinkages within and among firms.’
De Man en Duysters (2002) beschrijven dat strategische allianties in de jaren zestig vooral als doel hadden om toegang te verkrijgen tot gereglementeerde markten. Sinds de jaren negentig zijn allianties vooral bedoeld om de mogelijkheden tot innovatie te vergroten. Groot en Dekker noemen ook kostenreductie en risicovermindering als doelstellingen van strategische samenwerking. Uit deze doelstellingen leid ik af dat strategische allianties een verlengstuk zijn van de betrokken ondernemingen. Blijkbaar worden zij niet als afzonderlijke ondernemingen beschouwd, maar als een noodzakelijke stap buiten de grenzen van de onderneming van de participanten.