Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.9.1
5.9.1 (Niet ingeroepen) bankgarantie en vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590650:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. o.a. Van Emden 2005; Bertrams 2004.
Zie bijvoorbeeld R.I.V.F. Bertrams in zijn noot (sub 1) onder Rb. Rotterdam 19 oktober 2005, JOR 2006/83. In oudere literatuur wordt nog het stand punt ingenomen dat de vordering uit de bankgarantie een verbintenis onder opschortende voorwaarde is, waardoor (onder het oude recht) de vordering ook eerst ontstond. Zie Pabbruwe 1983, p. 430-431; Mijnssen 1984, p. 67. Blomkwist meent dat het inroepen van de bankgarantie niet meer behelst dan het vorderen van nakoming van een bestaande vordering. Zie Blomkwist 1986, p. 555.
Zie Van Emden 2005, hoofdstuk 3. Zie voor een voorbeeld Rb. Haarlem 12 januari 1993, NJ 1995, 53.
Vgl. Rb. Amsterdam 14 mei 1981, KG 1981/71; Hof Amsterdam 5 februari 1987, NJ 1988, 591.
Zie Bertrams 2004, par. 12.5.3 / nr. 12-69. Het is ook voor risico van de opdrachtgever, op wie de bank zich na uitbetaling kan verhalen. Vgl. sub 3 noot van R.I.V.F. Bertrams onder Rb. Rotterdam 19 oktober 2005, JOR 2006/83.
Deze toekomstige vordering vloeit niet voort uit een reeds bestaande rechtsverhouding. Vgl. het arrest over het beslag op kredietruimte.
De bankgarantie is om die reden vergelijkbaar met een koopoptie of een recht op kredietruimte. Ook bij een koopoptie en een recht op kredietruimte is sprake van een wilsrecht, en ontstaat pas door uitoefening van het wilsrecht een vordering op de desbetreffende persoon. Vgl. Van Emden 2005, p. 44, waar hij (m.i. terecht) een vergelijking trekt met het recht op kredietruimte. Hij trekt deze gedachte echter (helaas) niet door naar bijvoorbeeld de mogelijkheid tot overdracht van nog niet ingeroepen bankgaranties (Van Emden 2005, p. 39-42), of de mogelijkheid tot verpanding daarvan (Van Emden 2005, p. 42-43). Vgl. voorts Biemans 2009g, par. 3.4.
Vgl. o.a. Van Achterberg 1999, nr. 11 (p. 17).
316. Bankgaranties komen in verschillende vormen voor; een wettelijke regeling omtrent de bankgarantie ontbreekt.1 Hieronder wordt ingegaan op de abstracte bankgarantie.
Een bankgarantie dient eerst te worden ingeroepen, voordat een aanspraak, een vordering, jegens de garantor (meestal een bank) ontstaat.2 De bankgarantie kan pas worden ingeroepen als de hoofdschuldenaar tekortschiet. De bankgarantie heeft derhalve, net als de borgtocht, een subsidiair karakter. Anders dan de borgtocht heeft de bankgarantie een abstract karakter: de garantor kan, anders dan de borg, niet de verweermiddelen die de principal (de hoofdschuldenaar) ten dienste staan, inroepen tegen de beneficiary (de schuldeiser).3 Wordt de bankgarantie ingeroepen, dan dient de bank uit te betalen.
Alleen in de gevallen waarin een claim (het inroepen van de bankgarantie) kennelijk willekeurig of bedrieglijk is, kan de garantor uitbetaling weigeren, bijvoorbeeld als zonder nader onderzoek voor de garantor duidelijk is dat de claim geen enkele grond vindt in de onderliggende rechtsverhouding tussen de principal en de beneficiary. Aan het inroepen van de bankgarantie kunnen voorts ook bepaalde voorwaarden zijn verbonden. Als de beneficiary niet strikt conform de voorwaarden van de bankgarantie claimt, behoeft de bank evenmin tot uitbetaling over te gaan (het zogenaamde 'conformiteitsbeginsel'). Ten slotte hebben bankgaranties een looptijd. De beneficiary kan alleen binnen de looptijd de bankgarantie inroepen. Bestaat tussen de beneficiary en de principal een geschil over de nakoming van de onderliggende overeenkomst, dan kan de beneficiary aan de principal verzoeken de looptijd van de bankgarantie te verlengen. Weigert de principal dat, dan kan de beneficiary aan de principal ook aanspraak maken op uitbetaling van de bankgarantie, tenzij de looptijd van de bankgarantie tijdig wordt verlengd ('extend or pay').4 Na uitbetaling aan de beneficiary kan de garantor op grond van een zelfstandige betalingsaanspraak, die veelal gegrond is op lastgeving, zich verhalen op de principal. De betalingsaanspraak jegens de principal ontstaat niet op grond van de wet (vgl. art. 6:10 of 6:12 BW).
Aan de persoon van de beneficiary wordt veel waarde toegekend. Hij moet immers de bankgarantie inroepen. Met het afgeven van de bankgarantie neemt de garantor een zeker risico op zich dat de bankgarantie ten onrechte wordt ingeroepen, zij het dat dit risico tot op zeker hoogte een 'defined and calculable risk' is. De garantor zal in ieder geval overtuigd moeten zijn dat de persoon die de bankgarantie inroept dit niet doet 'for frivolous reasons or for improper motives' (om misbruik te maken van de bankgarantie ). De bank zal namelijk, zoals gezegd, na het enkele inroepen van de bankgarantie moeten betalen aan de beneficiary (behoudens kennelijk willekeurige of bedrieglijke verzoeken) zonder dat de principal daartegen bezwaar kan maken op basis van argumenten ontleend aan de onderliggende contractuele rechtsverhouding.5 De persoon aan wie de bankgarantie wordt afgegeven is derhalve van belang.6
Pas na het inroepen van de bankgarantie ontstaat een vordering van de beneficiary jegens de garantor tot uitbetaling van het verschuldigde geld bedrag. De overeenkomst die door het inroepen van de bankgarantie tussen de garantor en de beneficiary ontstaat is een eenzijdige overeenkomst. Als de abstracte bankgarantie nog niet is ingeroepen, heeft de beneficiary geen vordering jegens de garantor. Er is sprake van een toekomstige, nog niet bestaande vordering.7 De nog niet ingeroepen abstracte bankgarantie is geen vordering, maar een zelfstandig wilsrecht (vgl. art. 6:219 lid 3 BW en vgl. het 'claimrecht'). Door uitoefening van het wilsrecht ontstaat tussen de garantor en de beneficiary een rechtsverhouding uit overeenkomst op grond waarvan de bank gehouden is tot uitbetaling.8
Het begrip bankgarantie wordt in de literatuur op verschillende manieren gebruikt: soms als de gestelde, nog niet ingeroepen bankgarantie, te onderscheiden van de vordering die daaruit kan ontstaan; dan weer als de vordering uit de bankgarantie, te onderscheiden van het claimrecht, dat duidt op de nog niet ingeroepen bankgarantie.9 In het navolgende wordt onder de bankgarantie verstaan het nog niet ingeroepen wilsrecht, te onderscheiden van de vordering die daaruit ontstaat na het inroepen van de bankgarantie.