RFR 2025/3
Moet de rechter in een Wzd-procedure toetsen of betrokkene in het kader van het eerder door het CIZ afgegeven Wlz-indicatiebesluit in persoon is onderzocht?
HR 20-09-2024, ECLI:NL:HR:2024:1283
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20 september 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, C.E. du Perron, F.J.P. Lock, F.R. Salomons, G.C. Makkink
- Zaaknummer
24/00927
- Conclusie
A-G mr. L.M. Coenraad
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS992117:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht / Bescherming meerderjarige
Personen- en familierecht / Huwelijk, relaties en echtscheiding
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1283, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑09‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:775, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑07‑2024
- Wetingang
Art. 26 lid 6 Wzd; art. 3.2.3 Wlz; art. 3.2.2 lid 1 Besluit langdurige zorg; art. 5 lid 1 onder e EVRM
Samenvatting
Betrokkene verblijft in een woonzorgcentrum. Zijn recht op zorg is vastgesteld door het CIZ bij indicatiebesluit waarin de diagnose dementie is vermeld. Daarna heeft het CIZ aan de rechtbank verzocht om een machtiging tot opname en verblijf te verlenen, als bedoeld in art. 24 Wzd. Daarbij zijn het indicatiebesluit ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.