De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4.2.7
2.4.2.7 Werking van de goede trouw
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS383606:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Rijken 1994, p. 21 citeerde Meijers die tijdens de parlementaire behandeling stelde dat ‘goede trouw zonder enige beperking de uit overeenkomst en wet voortvloeiende verbintenissen kan aanvullen’. Zie ook Schelhaas 2017, p. 45-66 over de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Rijken 1994, p. 29-30 memoreerde de omslag in de jurisprudentie met het arrest Saladin/HBU uit 1976 waarna ‘ook contractsbedingen onder de beperkende werking van de goede trouw [werden] gebracht. In de jaren daarna is de beperkende werking van de goede trouw op het gehele terrein van door de goede trouw beheerste rechtsverhoudingen toegelaten’.
Hartkamp 1981, p. 232, onder verwijzing naar HR 16 december 1977, NJ 1978/156. Scholten was in zijn noot onder HR 11 april 1940, NJ 1940/649 van opvatting dat de goede trouw als algemeen beginsel van toepassing diende te zijn op zakelijke rechten die voor onbeperkte duur als last op een goed gevestigd werden. Daarnaast was de contractuele goede trouw van art. 1374 en 1375 OBW via de vestigingstitel van toepassing op zakelijke rechten. Meijers 1924 constateerde ‘de veel belangrijker plaats, die de billijkheid en de redelijkheid bij de beoordeling van inhoud en gevolgen der overeenkomsten tegenwoordig inneemt [in de rechtspraak] dan vroeger [vijftig jaar geleden] het geval was’.
Ten aanzien van de algemeen in erfpachtvoorwaarden voorkomende bepaling dat de erfpachter uitsluitend bevoegd was zijn recht te splitsen met voorafgaande toestemming van de grondeigenaar werd in ieder geval vanaf de jaren twintig aanvaard dat het weigeren van deze toestemming onderworpen was aan de goede trouw als bedoeld in art. 1374 lid 3 OBW. Zie bijvoorbeeld Scholten 1926.
Plantenga 1957, p. 38.
In een aantal hierboven behandelde arresten kwam de maatstaf van de goede trouw die erfverpachter en erfpachter jegens elkaar dienden te respecteren aan de orde. Dit algemeen beginsel uit het verbintenissenrecht, de goede trouw van art. 1374 lid 3 OBW en de billijkheid van art. 1375 OBW, had betrekking op hetgeen een bepaalde persoon bij het verrichten van een handeling wist of behoorde te weten.1 Het algemeen beginsel werd beschouwd als een zelfstandige aanvullende bron van verbintenissen.2 De goede trouw en de billijkheid konden ook een beperkende werking uitoefenen of ten grondslag liggen aan uitleg van overeenkomsten.3 De toepassing was steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij voor onbepaalde tijd aangegane duurovereenkomsten werd de goede trouw algemeen een dominante rol toegedacht.4 Als concrete rechtsnorm werd de goede trouw geleidelijk aan in de jurisprudentie ook toegepast op goederenrechtelijke rechtsverhoudingen.5 Het criterium van de goede trouw heeft zich in zakenrechtelijke verhoudingen specifiek ontwikkeld ten aanzien van de toestemming die de erfverpachter kon bedingen indien de erfpachter zijn recht wilde vervreemden of splitsen. De erfverpachter was bij het weigeren van die toestemming gebonden aan de ‘regulerende werking’ van de goede trouw.6 De criteria hiervoor waren ontwikkeld in de rechtspraak naar aanleiding van de invoering van art. 875a OBW over het splitsen van erfpachtrechten in appartementsrechten. In hoofdstuk 4 zal het toestemmingsvereiste in erfpachtverhoudingen worden uitgewerkt.