Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.2.1:15.4.2.1 Strafrechtelijke oorsprong
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.2.1
15.4.2.1 Strafrechtelijke oorsprong
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492312:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 februari 1987, NJ 1987, 951, r.o. 6.1.
Zie onder meer HR 22 mei 1979, NJ 1979, 301; HR 6 januari 1981, NJ 1981, 209; en HR 1 juni 1993, NJ 1994, 52, r.o. 5.5.
HR 26 oktober 1993, NJ 1994, 629 (m.nt. Corstens).
HR 29 oktober 1996, NJ 1997, 232 (m.nt. Schalken).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een groot deel van de Nederlandse rechtspraak over (het aanvangsmoment van) de criminal charge betreft de vraag of de berechting binnen redelijke termijn ex art. 6 EVRM heeft plaatsgevonden. De huidige uitleg van het criminal charge-begrip in straf(achtige) zaken vindt zijn oorsprong in de uitspraak van 17 februari 1987, nr. 80 261. Daarin overweegt de strafkamer van de HR dat een criminal charge zich voordoet ‘vanaf het moment dat vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft ontleend – en in redelijkheid ook de verwachting heeft kunnen ontlenen – dat het OM een strafvervolging tegen hem zal instellen’ (= verwachtingscriterium).1 Dat voor (het aanvangsmoment van) de criminal charge in strafzaken de redelijke verwachting van de verdachte omtrent bestraffing beslissend is, wordt bevestigd in verschillende uitspraken.2
Geobjectiveerde verwachting omtrent vervolging verdachte
Bij dit (verwachtings)criterium ligt de nadruk niet zozeer bij de werkelijke plannen van de overheid omtrent bestraffing, maar eerder bij het (redelijke) verwachtingspatroon van de verdachte. De kans daarop zal zo groot moeten zijn, dat de verdachte objectief bezien mag verwachten dat vervolging zal plaatsvinden. Deze objectivering laat onverlet dat de vaststelling van het aanvangsmoment van art. 6 EVRM sterk casusgebonden is. Die vaststelling heeft een gemengd feitelijk/juridisch karakter.
In de uitspraak van 26 oktober 1993, nr. 94 871, oordeelt de strafkamer van de HR bijvoorbeeld dat de gegeven cautie ex art. 29 Sv niet leidde tot inwerkingtreding van het EVRM-zwijgrecht, omdat het verhoor van de verdachte noch de cautie kan gelden als een handeling vanwege de Staat waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat ter zake van overtreding van de even genoemde wetsbepaling een strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld.3
Illustratief is ook de uitspraak van 29 oktober 1996, nr. 102 966, waarin de strafkamer oordeelt dat de enkele toepassing van een aan de verdachte gerichte vordering van de FIOD tot het verlenen van toegang tot elke plaats ex art. 83 AWR en tot het overleggen van documenten waarna eventueel inbeslagneming volgt ex art. 81 AWR, niet een criminal charge behelst.4 Dat de FIOD-ambtenaren ten tijde van hun vordering al een verdenking tegen de betrokkene koesterden, terwijl die nog niet als zodanig was verhoord, betekent volgens de strafkamer nog niet dat er van een criminal charge kon worden gesproken. Tegenover de betrokkene was namelijk nog niet de indruk gewekt dat een strafvervolging zou plaatsvinden. Het op grond van de vordering inbeslaggenomen materiaal kon dus ondanks de verdenking voor het bewijs worden aangewend.5