Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/7.3.1
7.3.1 Respijttermijn
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955414:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook: Hoyng & Dijkman 2022, p. 227. Zie ook Rb. Den Haag 17 december 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AO6764, BIE 2004/16 (Medinol/Boston Scientific), rov. 3.29.
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022, nr. 120.
Zie HR 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2215, NJ 1997/684 (Gommans/Evers), rov. 3.4; HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, NJ 2008/311 (Newbay/Staat); HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5087, NJ 2009/364 (Toog/Ramsley).
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022, nr. 118.
HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, NJ 1984/145, m.nt. W.H. Heemskerk (Ritzen/Hoekstra).
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, NJ 2020/425, m.nt. A.I.M. van Mierlo (X/Y), rov. 5.8.e.
Par. 6.3.3.1.
Van der Helm 2023, nr. 639.
Nuninga 2022, p. 48-51.
Schorsing tenuitvoerlegging. Een respijttermijn kan op twee manieren worden gerealiseerd. Allereerst kan de rechter de tenuitvoerlegging van het verbod voor een bepaalde periode schorsen.1 Een dergelijke schorsing kan op een aantal manieren tot stand komen. Allereerst kan de rechter een door de eiser gevorderde uitvoerbaarverklaring afwijzen.2 Als de gedaagde vervolgens tegen de veroordelende uitspraak hoger beroep of cassatie instelt, wordt de tenuitvoerlegging van de uitspraak geschorst.3 Een afwijzing van een uitvoerbaarverklaring is alleen mogelijk indien de gedaagde een gemotiveerd verweer heeft gevoerd.4 De beoordeling van dit verweer is afhankelijk van een belangenafweging.5 Een nadeel van deze route is dat bij gebreke van het instellen van een rechtsmiddel de rechterlijke uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar blijft (art. 430 lid 1 Rv).6 Daarnaast is de schorsing beperkt voor de duur van het geding, waardoor het instrument van niet-uitvoerbaarheid niet geschikt is om een respijttermijn tot stand te brengen.
Is de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dan kan de inbreukmaker op grond van art. 351 Rv alsnog schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis verzoeken aan de appelrechter. De inbreukmaker kan een dergelijke schorsing ook afdwingen door deze bij wijze van voorlopige voorziening te vragen in een kort geding.7 De toewijzing van het verzoek tot schorsing is in beide gevallen afhankelijk van een reguliere belangenafweging. Is de uitspraak waarin het verbod is gegeven al in kracht van gewijsde gegaan, dan vormt de maatstaf voor toewijzing die van misbruik van bevoegdheid.8 Het voordeel van deze mogelijkheden is dat de schorsing van de tenuitvoerlegging niet afhankelijk is van een eventuele instelling van hoger beroep of cassatie. Dit neemt niet weg dat de verwezenlijking van de schorsing nog steeds afhankelijk is van het instellen van een gerechtelijke procedure. Zulke complicaties zijn niet alleen uit proceseconomisch oogpunt onwenselijk, maar zij zijn ook onverenigbaar met de gedachte dat de respijttermijn noodzakelijk is om de evenredigheid van de eerdere veroordeling te verzekeren.
Aangepaste formulering. Gelet op de bovengenoemde bezwaren verdient het de voorkeur om de respijttermijn in de formulering van het verbod tot uitdrukking te laten komen. Het praktische resultaat hiervan is vergelijkbaar met een schorsing van de tenuitvoerlegging, met als belangrijk verschil dat de rechter zelf kan bepalen wanneer en onder welke voorwaarden het verbod in werking treedt. Het instrument van een aangepaste veroordeling biedt daarmee belangrijke voordelen ten opzichte van een schorsing van de tenuitvoerlegging. Het verdient echter ook uit systematisch oogpunt de voorkeur om de respijttermijn te reflecteren in de formulering van het verbod. De vaststelling van deze termijn kan immers worden beschouwd als een uitvloeisel van de materiële rechtsverhouding.9 Dit impliceert dat het de rechter niet vrijstaat om het verbod onverkort toe te wijzen (en vervolgens de tenuitvoerlegging ervan op te schorten). Het dictum dient immers te weerspiegelen wat er moet worden gedaan of nagelaten10 en de inhoud van die verplichting wordt bepaald door het materiële recht.11