Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/1.1.2
1.1.2 Wetssystematische en fundamentele vraagpunten
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946254:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 494.
Dit volgt onder andere uit de wetsgeschiedenis in het kader van de invoering van Titel IIIa in boek I van het Wetboek van Strafvordering betreffende de positie van het slachtoffer. In de memorie van toelichting is vermeld dat van het openbaar ministerie mag worden verlangd dat het zich in elke zaak uitdrukkelijk rekenschap geeft van de belangen van het slachtoffer en daarmee rekening dient te houden bij de vervolgingsbeslissing (Kamerstukken II 2004-2005, 30 143, nr. 3, p. 7).
Zie bijvoorbeeld HR 11 januari 1994, NJ 1994/278 en HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:380.
HR 3 mei 1977, NJ 1978/692.
Het ontbreken van eigentijds, voortschrijdend onderzoek naar de regeling van klachtdelicten vormt de directe aanleiding om deze rechtsfiguur nader onder de loep te nemen. Een eerste blik op de regeling van klachtdelicten leidt bovendien al snel tot uiteenlopende wetssystematische en fundamentele vragen. Die vragen onderstrepen het belang van nader onderzoek naar de toepassing van deze rechtsfiguur in de Nederlandse strafrechtspleging.
Ten eerste valt op dat de regeling van klachtdelicten is verspreid over het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. Boek I van het Wetboek van Strafrecht bevat algemene voorschriften die zien op de bevoegdheid tot het indienen en intrekken van de klacht en in Boek II van het Wetboek van Strafrecht zijn diverse misdrijven als klachtdelict aangemerkt. Daarnaast bevat het Wetboek van Strafvordering de vormvoorschriften omtrent het indienen van klachten. Het is echter de vraag of deze driedeling van rechtsregels die verband houden met het klachtvereiste op goede gronden stoelt. Al bij de voorbereiding van het Wetboek van Strafrecht uit 1886 uitte de Raad van State hierop kritiek. De Raad nam indertijd het standpunt in dat de bepalingen in Boek I van het Wetboek van Strafrecht ‘van bloot formeelen aard’ zijn en dat deze tot het procesrecht behoren.1 Die kritiek is terzijde geschoven. De algemene voorschriften voor het indienen en intrekken van klachten zijn opgenomen in Titel VII van Boek I van het Wetboek van Strafrecht en worden tot het materiële recht gerekend. Dat geldt ook voor het aanwijzen van klachtdelicten in Boek II van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het materieelrechtelijke karakter daarvan evenmin een onbetwist gegeven is. Eerder zijn namelijk – in navolging van Code d’Instruction Criminelle – ook in het Wetboek van Strafvordering uit 1838 diverse misdrijven als klachtdelicten aangemerkt.2 Deze vaststellingen leiden tot de vraag of de onderverdeling van de regeling van klachtdelicten in materiële en formele aspecten op goede gronden is gestoeld of dat de huidige driedeling aanpassing behoeft.
Een eerste blik op het Wetboek van Strafrecht leidt bovendien tot meer wetssystematische vragen. Hiervoor is al benoemd dat het aanwijzen van klachtdelicten geschiedt door het expliciet toevoegen van een klachtvereiste aan specifieke misdrijven in Boek II van het Wetboek van Strafrecht. Het klachtvereiste wordt echter niet steeds op dezelfde wijze aan strafbepalingen toegevoegd. In sommige gevallen gebeurt dit via een apart wetsartikel, terwijl in andere gevallen met een artikellid is volstaan. Daarnaast is de gebruikte terminologie om het klachtvereiste te verwoorden niet steeds gelijk. Dit leidt tot de vraag waarom het klachtvereiste niet steeds op dezelfde manier vorm krijgt bij de diverse klachtdelicten. Daarop volgt de vraag of een meer uniforme inkleding van het klachtvereiste mogelijk is en of dit de voorkeur verdient.
Ook dringt zich de vraag op hoe de toepassing van het klachtvereiste zich verhoudt tot diverse fundamentele grondbeginselen die centraal staan in de Nederlandse strafrechtspleging. Het strafrecht kent namelijk een publiekrechtelijk karakter waarbij de bevoegdheid tot vervolging is toebedeeld aan het openbaar ministerie. Dit vervolgingsmonopolie volgt uit art. 124 Wet RO. Het openbaar ministerie is evenwel niet gehouden om naar aanleiding van ieder strafbaar feit te vervolgen. Het opportuniteitsbeginsel – neergelegd in art. 167 en 242 Sv – geeft het openbaar ministerie de vrijheid om van (verdere) vervolging af te zien op gronden die aan het algemeen belang zijn ontleend. Het voorgaande leidt tot de vraag of klachtdelicten een plaats dienen te hebben binnen een publiekrechtelijk wetssysteem waarin de bevoegdheid om op te sporen en te vervolgen – alsmede de beslissing om daartoe al dan niet over te gaan – exclusief bij de overheid is belegd. In het verlengde daarvan is het de vraag wat de meerwaarde is van een klachtvereiste, nu het openbaar ministerie bij de vervolgingsbeslissing altijd rekening dient te houden met de belangen van het slachtoffer.3 Die vraag is des te relevanter nu het klachtvereiste bij bepaalde zedendelicten in 2002 is vervangen door een hoorplicht.4 Nagegaan moet worden of de aan die wijziging ten grondslag liggende argumenten niet tevens opgaan voor de resterende klachtdelicten.
Tot slot verdient ook de wijze waarop in de rechtspraak invulling wordt gegeven aan de regeling van klachtdelicten nader te worden onderzocht. Uit jurisprudentie volgt dat sprake is van relativering van de formele eisen die worden gesteld aan een klacht. Zo kan bijvoorbeeld in bepaalde gevallen ter zitting nog worden vastgesteld dat een klachtgerechtigde de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld.5 Dit leidt tot de vraag of daarmee afbreuk wordt gedaan aan het doel van het klachtvereiste, omdat in die gevallen de vervolging is gestart terwijl kennelijk onduidelijkheid bestaat over de rechtsgeldigheid van de klacht. Tevens komt de vraag op hoe de hiervoor omschreven relativering van vormvereisten zich verhoudt tot de jurisprudentie waarin is bepaald dat de strekking van de regeling van de klacht met zich brengt dat voorafgaand aan de ontvangst van een klacht geen opsporing dient plaats te hebben, tenzij de klachtgerechtigde uitdrukkelijke te kennen heeft gegeven dat opsporingsonderzoek te wensen.6 Deze vraagpunten maken duidelijk dat onderzoek naar de wijze waarop in de rechtspraak wordt omgegaan met het klachtvereiste noodzakelijk is voor een goed begrip van de functie van het klachtvereiste in het Nederlandse strafbestel.