Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/1.2:1.2 De onderzoeksvraag
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/1.2
1.2 De onderzoeksvraag
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946256:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hiervoor omschreven aanleiding voor het onderzoek moet worden vertaald in een hoofdvraag die richtinggevend is voor het verdere onderzoek. De hoofdvraag dient – in het licht van de inleidende beschouwingen – uiteenlopende facetten te omvatten. Zo is voor een analyse van de regeling van klachtdelicten ten eerste vereist dat duidelijk wordt welke ideeën ten grondslag liggen aan deze rechtsfiguur. Ook is van belang dat in kaart wordt gebracht op welke wijze deze rechtsfiguur wettelijk is vormgegeven en hoe daaraan in de rechtspraktijk invulling wordt gegeven. Inzicht in die materie maakt het mogelijk om te beoordelen of de rechtsfiguur een wezenlijke functie toekomt en of het behoud van die regeling in de moderne rechtspleging wenselijk is. Daarbij dient ook aandacht uit te gaan naar de vraag of de wijze waarop de regeling wettelijk is ingekleed (op onderdelen) aanpassing verdient en of de toepassing van deze regeling in de rechtspraktijk dient te worden bijgesteld. Met het oog op deze aspecten van het onderzoek is de navolgende hoofdvraag gedestilleerd:
Wat is de functie en plaats van klachtdelicten in het Nederlandse strafrechtelijke bestel?
Deze hoofdvraag omvat een viertal deelvragen:
Welk gedachtegoed ligt ten grondslag aan de Nederlandse regeling van klachtdelicten?
Hoe is de regeling van klachtdelicten wettelijk vormgegeven en hoe wordt daaraan invulling gegeven in de rechtspraktijk?
Is het behoud van een regeling van klachtdelicten wenselijk?
Zo ja, verdient de wettelijke vormgeving van de regeling van klachtdelicten en/of de invulling die daaraan in de praktijk wordt gegeven (op onderdelen) te worden aangepast?