Procestaal: Pools.
HvJ EU, 30-03-2023, nr. C-618/21
ECLI:EU:C:2023:278
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
30-03-2023
- Magistraten
E. Regan, D. Gratsias, M. Ilešič, I. Jarukaitis, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-618/21
- Conclusie
J. Richard de la Tour
- Roepnaam
AR e.a. (Action directe contre l’assureur)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:278, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 30‑03‑2023
ECLI:EU:C:2022:1004, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 15‑12‑2022
Uitspraak 30‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Harmonisatie van de wetgevingen — Verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven — Richtlijn 2009/103/EG — Artikel 3 — Verplichte motorrijtuigenverzekering — Artikel 18 — Rechtstreekse vordering — Omvang — Bepaling van de hoogte van de vergoeding — Hypothetische kosten — Mogelijkheid om de betaling van de schadevergoeding afhankelijk te stellen van bepaalde voorwaarden — Verkoop van het voertuig
E. Regan, D. Gratsias, M. Ilešič, I. Jarukaitis, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-618/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 30 augustus 2021, ingekomen bij het Hof op 30 september 2021, in de procedure
AR,
tegen
PK S.A.,
CR,
en
BF
tegen
SI S.A.,
en
ZN
tegen
MB S.A.,
en
NK sp. z o.o. s.k.
tegen
PK S.A.,
en
KP
tegen
SI S.A.,
en
RD sp. z o.o.
tegen
EZ S.A.,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, D. Gratsias (rapporteur), M. Ilešič, I. Jarukaitis en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
AR, vertegenwoordigd door R. Lewandowski, radca prawny,
- —
KP, vertegenwoordigd door L. Nawrocki, radca prawny,
- —
RD sp. z o.o., vertegenwoordigd door G. Stasiak, radca prawny,
- —
SI S.A., vertegenwoordigd door M. Nycz, radca prawny,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, P. Busche en M. Hellmann als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door U. Małecka, B. Sasinowska en H. Tserepa-Lacombe als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 18 juncto artikel 3 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 2009, L 263, blz. 11).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van zes geschillen tussen AR en PK S.A. en CR, BF en SI S.A., ZN en MB S.A., NK sp. z o.o. s.k. en PK S.A., KP en SI S.A., en RD sp. z o.o. en EZ S.A. — respectievelijk eigenaren van motorrijtuigen en wettelijkeaansprakelijkheidsverzekeraars van de personen die verantwoordelijk zijn voor schade aan die voertuigen — over de vordering tot vergoeding van de aan die voertuigen veroorzaakte schade.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Overweging 30 van richtlijn 2009/103 luidt als volgt:
‘Het recht zich op de verzekeringsovereenkomst te beroepen en rechtstreeks een vordering bij de verzekeringsonderneming in te dienen is voor de bescherming van de slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen van groot belang. Ter vergemakkelijking van een doelmatige en snelle afdoening van de vorderingen en om kostbare juridische procedures zo veel mogelijk te vermijden moet worden voorzien in een recht om een rechtstreekse vordering in te stellen tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij voor de slachtoffers van alle ongevallen met motorrijtuigen.’
4
Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Verplichte motorrijtuigenverzekering’, bepaalt:
‘Iedere lidstaat treft, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.
De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in de in de eerste alinea bedoelde maatregelen vastgesteld.
[…]
De in de eerste alinea bedoelde verzekering dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.’
5
Overeenkomstig artikel 5 van die richtlijn kan elke lidstaat afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van bepaalde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke personen of rechtspersonen, bepaalde typen voertuigen of bepaalde voertuigen met een speciale kentekenplaat.
6
Artikel 9 van genoemde richtlijn, met als opschrift ‘Minimumbedragen’, bepaalt in lid 1:
‘Onverminderd door de lidstaten voorgeschreven hogere dekkingen, eist iedere lidstaat dat de in artikel 3 bedoelde verzekering verplicht is voor ten minste de volgende bedragen:
- a)
voor lichamelijk letsel, een minimumbedrag van 1 000 000 EUR per slachtoffer of van 5 000 000 EUR per ongeval, ongeacht het aantal slachtoffers;
- b)
voor materiële schade, 1 000 000 EUR per ongeval, ongeacht het aantal slachtoffers.
[…]’
7
Artikel 18 van richtlijn 2009/103, met als opschrift ‘Rechtstreekse vordering’, is geformuleerd als volgt:
‘De lidstaten dragen er zorg voor dat personen die materiële schade of lichamelijk letsel hebben geleden welke is veroorzaakt door een voertuig dat door een in artikel 3, bedoelde verzekering is gedekt, tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij een rechtstreekse vordering kunnen instellen.’
Pools recht
8
Artikel 363, lid 1, van de ustawa — kodeks cywilny (burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. van 1964, nr. 16, volgnr. 93) in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘burgerlijk wetboek’) luidt:
‘De schade moet, naar keuze van de benadeelde, worden vergoed hetzij door herstel in de vorige toestand hetzij door betaling van een passende geldsom. Indien herstel in de vorige toestand niet mogelijk is of indien dit voor degene die verplicht is de schade te vergoeden tot buitensporige moeilijkheden of kosten zou leiden, is de vordering van de benadeelde beperkt tot een uitkering in geld.’
9
- ‘1.
Met een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid verbindt de verzekeraar zich tot het betalen van een in de overeenkomst bepaalde vergoeding voor de schade die aan derden is toegebracht en jegens wie de verzekeringnemer of verzekerde aansprakelijk is.
[…]
- 4.
Een persoon die recht heeft op een schadevergoeding in verband met een gebeurtenis die wordt gedekt door een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid, kan de vordering rechtstreeks tegen de verzekeraar instellen.’
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
10
Er zijn zes geschillen aanhangig bij de verwijzende rechter, de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen). Vijf van deze gedingen betreffen respectievelijk verzoekers BF, ZN, NK, KP en RD, die elk vergoeding vorderen van de schade aan hun voertuig ten gevolge van een verkeersongeval. In het zesde geding vordert AR vergoeding van de schade die aan zijn voertuig is veroorzaakt door een vallende garagepoort.
11
Verzoekers in het hoofdgeding hebben hun schade begroot op basis van de herstelkosten die overeenkomen met de geraamde marktwaarde van de originele reserveonderdelen en het arbeidsloon die nodig zijn om het beschadigde voertuig te herstellen. Aangezien de betrokken voertuigen nog niet zijn hersteld, kwalificeert de verwijzende rechter deze herstelkosten als ‘hypothetisch’. Verweersters in het hoofdgeding, te weten de verzekeringsondernemingen van de wettelijk aansprakelijke personen die verplicht zijn de schade van verzoekers in het hoofdgeding te vergoeden, betogen dat deze vergoeding niet hoger mag zijn dan het bedrag van de werkelijk geleden schade, zoals berekend volgens de zogenoemde ‘differentiële’ methode. Volgens die methode moet dat bedrag overeenstemmen met het verschil tussen de waarde die het beschadigde voertuig zonder het ongeval zou hebben gehad en de huidige waarde van dat voertuig in beschadigde toestand. Volgens deze verzekeringsondernemingen kunnen herstelkosten slechts in aanmerking worden genomen indien is aangetoond dat zij daadwerkelijk zijn gemaakt.
12
De verwijzende rechter zet uiteen dat de schadevergoeding naar nationaal recht tot doel heeft de benadeelde een bedrag toe te kennen dat overeenkomt met het verschil tussen de waarde van het beschadigde goed en de waarde die dit goed zou hebben gehad indien de schade niet was opgetreden, zonder dat de benadeelde zich kan verrijken.
13
Overeenkomstig de Poolse rechtspraak moet de aan de eigenaar van een beschadigd voertuig te betalen vergoeding worden berekend op basis van de hypothetische kosten van herstel van dat voertuig, ongeacht of de eigenaar het daadwerkelijk heeft laten herstellen of dat voornemens is. Zelfs aan benadeelden die hun beschadigde voertuig reeds hadden verkocht en deze schadevergoeding dus niet zouden gebruiken om hun voertuig te laten herstellen, zou een vergoeding worden toegekend die rekening houdt met hypothetische herstelkosten die aanzienlijk hoger zijn dan de door de differentiële methode bepaalde schade. Volgens de verwijzende rechter heeft deze praktijk tot gevolg dat deze personen ongerechtvaardigd worden verrijkt ten nadele van alle andere verzekeringnemers, die de kosten moeten dragen van deze buitensporige schadeloosstellingen door de verzekeringsondernemingen, die hun steeds hogere premies aanrekenen.
14
Volgens de verwijzende rechter kan die rechtspraak, die voor kritiek vatbaar is aangezien de benadeelde partij daardoor in sommige gevallen in staat wordt gesteld om zich te verrijken, worden gerechtvaardigd door de uit het Unierecht voortvloeiende bijzondere bescherming van verkeersslachtoffers. Derhalve acht die verwijzende rechter het noodzakelijk om opheldering te krijgen over de reikwijdte van de rechten van de benadeelde op grond van het rechtstreekse vorderingsrecht dat hij op grond van artikel 18 van richtlijn 2009/103 ten aanzien van de verzekeringsonderneming kan uitoefenen.
15
De verwijzende rechter vraagt zich met name af wat de draagwijdte van dit laatste recht is, gelet op het feit dat een tegen de aansprakelijke persoon ingestelde vordering volgens het Poolse recht — naar keuze van de benadeelde — kan strekken tot hetzij de betaling van een financiële vergoeding, hetzij herstel van het beschadigde voertuig, dat wil zeggen betaling in natura, terwijl artikel 822, lid 1, van het burgerlijk wetboek bepaalt dat een verzekeringsonderneming alleen kan worden aangesproken voor betaling in geld.
16
Bijgevolg wenst de verwijzende rechter te vernemen of het Unierecht zich verzet tegen bepalingen van nationaal recht die tot gevolg hebben dat de benadeelde die zijn rechtstreekse vorderingsrecht tegen de verzekeringsonderneming wenst uit te oefenen, een van de in het nationale recht beschikbare middelen om de schade te herstellen verliest. Hij is geneigd te oordelen dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat deze vraag bevestigend wordt beantwoord.
17
De vraag rijst echter ook wat het voorwerp is van een rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen een verzekeraar tot herstel van zijn voertuig. Het zou namelijk mogelijk zijn om hetzij af te wijken van de regel van artikel 822, lid 1, van het burgerlijk wetboek, namelijk dat de betaling van de verzekeraar slechts in geld kan zijn, en de benadeelde dus de mogelijkheid te bieden van de verzekeraar te verlangen dat zijn beschadigde voertuig wordt hersteld, hetzij de benadeelde het recht toe te kennen van de verzekeraar te verlangen in plaats van de reparatie de daarvoor benodigde middelen te betalen.
18
De verwijzende rechter is geneigd de voorkeur te geven aan de tweede optie. Hij vraagt zich echter ook af of het Unierecht zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling op grond waarvan de betaling aan de benadeelde persoon van de voor de reparatie van zijn voertuig noodzakelijke middelen afhankelijk wordt gesteld van voorwaarden die moeten voorkomen dat hij deze middelen voor andere doeleinden dan die reparatie gebruikt en dat zijn vermogen als gevolg van het ongeval toeneemt. Bovendien is de verwijzende rechter niet zeker of het recht om van de verzekeraar betaling van de voor de reparatie van een beschadigd voertuig noodzakelijke middelen te verlangen, ook moet worden toegekend aan de eigenaar van een dergelijk voertuig die het reeds heeft verkocht, zodat hij het voertuig in feite niet meer kan laten herstellen.
19
Ten slotte is de verwijzende rechter van oordeel dat de antwoorden op de prejudiciële vragen ook relevant zijn voor de beslechting van het geschil waarin AR verzoeker in het hoofdgeding is, ook al valt schade aan een voertuig door het vallen van een garagepoort niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2009/103. Gelet op het ‘beginsel van gelijkheid voor de wet’ lijkt het redelijk om op een dergelijk geschil dezelfde beginselen toe te passen als op de andere hoofdgedingen.
20
Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 18 juncto artikel 3 van [richtlijn 2009/103] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een persoon die materiële schade heeft geleden en die gebruikmaakt van een rechtstreekse vordering tot herstel van schade aan zijn voertuig naar aanleiding van deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die is ingesteld tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij, van de verzekeringsonderneming slechts schadevergoeding ten bedrage van het werkelijke en actuele vermogensverlies kan verkrijgen, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het voertuig in de staat vóór het ongeval en de waarde van het beschadigde voertuig, vermeerderd met de daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten om het voertuig te herstellen en andere daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten ten gevolge van het ongeval, terwijl hij, indien hij het herstel van de schade rechtstreeks van de aansprakelijke persoon zou vorderen, van deze persoon, naar eigen keuze, in plaats van een schadevergoeding zou kunnen eisen dat het voertuig wordt teruggebracht in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade (herstel door de aansprakelijke zelf of door een door hem betaalde garage)?
- 2)
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 18 juncto artikel 3 van [richtlijn 2009/103] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een persoon die materiële schade heeft geleden en die gebruikmaakt van een rechtstreekse vordering tot herstel van schade aan zijn voertuig naar aanleiding van deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die is ingesteld tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij, van de verzekeringsonderneming, in plaats van een schadevergoeding ten bedrage van het werkelijke en actuele vermogensverlies, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het voertuig in de staat vóór het ongeval en de waarde van het beschadigde voertuig, vermeerderd met de daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten om het voertuig te herstellen en andere daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten ten gevolge van het ongeval, slechts een bedrag kan verkrijgen ter hoogte van de kosten om het voertuig terug te brengen in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade, terwijl hij, indien hij het herstel van de schade rechtstreeks van de aansprakelijke persoon zou vorderen, van deze persoon, naar eigen keuze, in plaats van een schadevergoeding zou kunnen eisen dat het voertuig wordt teruggebracht in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade (en niet slechts het verstrekken van middelen met het oog daarop)?
- 3)
Indien de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 18 juncto artikel 3 van [richtlijn 2009/103] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de verzekeringsonderneming waarbij de eigenaar van een voertuig dat is beschadigd naar aanleiding van deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen, een verzoek heeft ingediend tot betaling van hypothetische kosten die hij niet heeft gedragen maar die hij had moeten dragen indien hij ervoor had gekozen het voertuig terug te brengen in de staat waarin het zich bevond vóór het ongeval, de mogelijkheid heeft:
- a)
deze betaling afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon die materiële schade heeft geleden, aannemelijk maakt dat hij werkelijk van plan is het voertuig op een bepaalde manier, bij een bepaalde monteur, tegen een bepaalde prijs voor de onderdelen en de dienst te herstellen, en om deze middelen rechtstreeks over te dragen aan die monteur (of aan de verkoper van de voor het herstel benodigde onderdelen) onder voorbehoud van terugbetaling indien het doel waarvoor het geld is betaald, niet wordt bereikt; zo niet:
- b)
deze betaling afhankelijk te stellen van de verplichting van de consument om binnen de overeengekomen termijn aan te tonen dat hij de betaalde middelen heeft gebruikt voor het herstel van het voertuig of om deze aan de verzekeringsonderneming terug te betalen; zo niet:
- c)
na betaling van die middelen met vermelding van het doel (de gebruikswijze) ervan en na het verstrijken van de tijd die de persoon die materiële schade heeft geleden, nodig heeft om het voertuig te laten herstellen, van hem te eisen dat hij aantoont hoe die middelen voor het herstel zijn besteed, of dat hij ze terugbetaalt
om de mogelijkheid uit te sluiten dat de persoon die materiële schade heeft geleden door die schade verrijkt wordt?
- 4)
Indien de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 18 juncto artikel 3 van [richtlijn 2009/103] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een persoon die materiële schade heeft geleden en die geen eigenaar meer is van het beschadigde voertuig omdat hij het heeft verkocht en in ruil daarvoor geld heeft ontvangen en het dus niet meer kan herstellen, van de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij in dat verband geen betaling kan eisen van de herstelkosten die nodig zouden zijn om het voertuig terug te brengen in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade, en zijn vordering beperkt is tot vergoeding door de verzekeringsonderneming van het werkelijke en actuele vermogensverlies, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het voertuig in de staat vóór het ongeval en het bedrag dat de verkoop van het voertuig heeft opgeleverd, vermeerderd met de daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten om het voertuig te herstellen en andere daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten ten gevolge van het ongeval?’
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
21
In haar bij het Hof ingediende opmerkingen voert RD aan dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is omdat de prejudiciële vragen in feite tot doel hadden om de in het Poolse recht vastgestelde regeling voor de afwikkeling van vorderingen als gevolg van verkeersongevallen in het kader van de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering ter discussie te stellen. De Poolse regering wijst erop dat de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende vorderingen niet gericht zijn op het herstel van de voertuigen van verzoekers in het hoofdgeding, maar op de betaling van een financiële schadevergoeding aan die verzoekers, zodat de eerste twee vragen als hypothetisch en dus niet-ontvankelijk moeten worden beschouwd.
22
In dit verband blijkt stellig uit de rechtspraak van het Hof dat de lidstaten in de huidige stand van het Unierecht in beginsel vrij blijven om in het kader van hun wettelijke aansprakelijkheidsregelingen met name te bepalen welke soorten door motorrijtuigen veroorzaakte schade moeten worden vergoed, wat de omvang van de vergoeding is en wie recht op die vergoeding heeft [arrest van 20 mei 2021, K.S. (Kosten voor het wegslepen van een beschadigd voertuig), C-707/19, EU:C:2021:405, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
23
In casu hebben de prejudiciële vragen echter geen betrekking op de in het vorige punt bedoelde aangelegenheden. Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 18 van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die voorziet in bepaalde nadere regels voor personen die schade hebben geleden ten gevolge van een verkeersongeval, om hun in dat artikel neergelegde rechtstreekse recht uit te oefenen tegenover de verzekeraar van de veroorzaker van die schade.
24
Bovendien volstaat het argument van de Poolse regering dat de aan de hoofdgedingen ten grondslag liggende vorderingen niet strekken tot herstel van de betrokken beschadigde voertuigen, maar tot betaling van een financiële vergoeding, niet om vast te stellen dat de eerste twee door de verwijzende rechter gestelde vragen hypothetisch zijn.
25
Uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie, die in de punten 13 tot en met 17 van dit arrest is samengevat, blijkt immers dat hij zich er terdege van bewust is dat de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende vorderingen strekken tot betaling van een financiële vergoeding. Hij wenst echter met name te vernemen of artikel 18 van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat de benadeelde, wanneer de regeling van een lidstaat bepaalt dat hij naar eigen keuze, van de veroorzaker van de schade hetzij een financiële vergoeding hetzij herstel van het beschadigde voertuig kan eisen, met gebruikmaking van zijn recht van rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar die de wettelijke aansprakelijkheid van de veroorzaker van het ongeval dekt, een financiële vergoeding kan eisen die niet wordt berekend op basis van de zogenaamde differentiële methode, maar op basis van de kosten die nodig zijn om dat voertuig te herstellen.
26
Hieruit volgt dat de vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht en niet hypothetisch zijn.
27
Opgemerkt zij evenwel dat het hoofdgeding tussen AR enerzijds en PK en CR anderzijds volgens de verwijzende rechter betrekking heeft op het herstel van schade aan een voertuig die is veroorzaakt door het vallen van een garagepoort.
28
De door de Uniewetgever voortdurend nagestreefde en versterkte doelstelling van richtlijn 2009/103 bestaat in de bescherming van de slachtoffers van door motorrijtuigen veroorzaakte ongevallen [zie in die zin arrest van 20 mei 2021, K.S. (Kosten voor het wegslepen van een beschadigd voertuig), C-707/19, EU:C:2021:405, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
29
Het is echter duidelijk dat de wettelijke aansprakelijkheid van de beheerder van de garage waarvan de poort op een motorrijtuig is gevallen, niet voortvloeit uit schade die door het betrokken voertuig is veroorzaakt, maar uit schade die aan dat voertuig is toegebracht door het neervallen van een onderdeel van een gebouw. Hieruit volgt dat de aan het hoofdgeding tussen AR enerzijds en PK en CR anderzijds ten grondslag liggende feiten niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2009/103 vallen, zoals de verwijzende rechter zelf erkent.
30
De verwijzende rechter zet niettemin uiteen dat het hem, gelet op het ‘beginsel van gelijkheid voor de wet’, redelijk lijkt om op dat geding dezelfde regels toe te passen als op de andere hoofdgedingen. Voor zover de verwijzende rechter genoegen neemt met de gevolgen die volgens een in het Poolse recht erkend beginsel uit het onderhavige arrest kunnen voortvloeien, volstaat het eraan te herinneren dat het Hof in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU niet bevoegd is om het nationale recht uit te leggen of om rechtsregels toe te passen op een bepaalde situatie, omdat deze taken uitsluitend aan de verwijzende rechter toekomen (zie in die zin beschikkingen van 3 september 2020, Vikingo Fővállalkozó, C-610/19, EU:C:2020:673, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 januari 2023, A.T.S. 2003, C-289/22, EU:C:2023:26, punt 29). Bijgevolg volstaan deze overwegingen niet om aan te tonen dat er een verband bestaat tussen het voorwerp van dit eerste geding en de gevraagde uitlegging van het Unierecht.
31
Gelet op een en ander moet derhalve worden geoordeeld dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is, behalve voor zover het betrekking heeft op het geding tussen AR enerzijds en PK en CR anderzijds, waarvoor het niet-ontvankelijk is.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
32
Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 18 juncto artikel 3 van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die, in geval van een rechtstreekse vordering van degene wiens voertuig schade heeft opgelopen in een verkeersongeval tegen de verzekeraar van de aansprakelijke persoon, als enige mogelijkheid om van deze verzekeraar vergoeding van de schade te krijgen, voorziet in de betaling van een financiële vergoeding, en bepaalt welke verplichtingen eventueel uit deze bepalingen voortvloeien wat betreft de wijze van berekening van deze vergoeding en de voorwaarden voor de betaling ervan.
33
Artikel 3 van richtlijn 2009/103 bepaalt dat iedere lidstaat, behoudens de afwijkingen die hij krachtens artikel 5 van deze richtlijn kan vaststellen, de nodige maatregelen treft opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.
34
In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat de vijf hoofdgedingen waarvoor het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is verklaard, bij gebreke van andersluidende aanwijzingen van de verwijzende rechter, geen betrekking hebben op personen of voertuigen ten aanzien waarvan de Republiek Polen gebruik zou hebben gemaakt van de door artikel 5 geboden afwijkingsmogelijkheden.
35
Met betrekking tot de in artikel 18 van richtlijn 2009/103 neergelegde rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar moet worden vastgesteld dat deze bepaling zich er niet tegen verzet dat het nationale recht bepaalt dat de schade alleen in financiële vorm kan worden vergoed.
36
Uit overweging 30 van deze richtlijn blijkt namelijk dat dit recht inhoudt dat de benadeelde zich op de verzekeringsovereenkomst kan beroepen en rechtstreeks een vordering bij de verzekeringsonderneming kan indienen. Hieruit volgt dat het enige doel van een dergelijke vordering erin bestaat dat de verzekeraar van de aansprakelijke persoon de benadeelde rechtstreeks de uitkering verstrekt die deze verzekeraar binnen de grenzen van de verzekeringsovereenkomst aan zijn verzekerde had moeten verstrekken.
37
Wanneer het in de verzekeringsovereenkomst vastgestelde voordeel uitsluitend financieel is, verzet artikel 18 van die richtlijn zich er dus niet tegen dat de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar noodzakelijkerwijs de betaling van een financiële vergoeding tot voorwerp heeft.
38
Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, bevestigt het feit dat onder meer artikel 9 van richtlijn 2009/103 voorziet in een verplichte minimumdekking in de vorm van minimumschadevergoedingen een dergelijke uitlegging.
39
In casu is dit het geval voor de rechtstreekse vorderingen die in het hoofdgeding krachtens artikel 18 van deze richtlijn zijn ingesteld, aangezien artikel 822, lid 1, van het burgerlijk wetboek — zoals blijkt uit de aan het Hof verstrekte informatie — bepaalt dat de prestaties van de verzekeraar alleen financieel kunnen zijn.
40
Tegen deze achtergrond hebben de door de verwijzende rechter gestelde vragen ook betrekking op de wijze van berekening van deze financiële vergoeding en de wijze van betaling ervan, en met name op de mogelijkheid om de betaling van deze vergoeding door de verzekeraar afhankelijk te stellen van de naleving van voorwaarden die beogen te waarborgen dat de benadeelde de vergoeding daadwerkelijk gebruikt voor de reparatie van zijn voertuig, hetgeen zou uitsluiten dat deze vergoeding overeenkomt met de kosten van het herstel van zijn beschadigde voertuig indien de benadeelde dat voertuig in deze staat zou verkopen.
41
In dit verband moet worden opgemerkt dat de nationale rechter erop mag toezien dat de bescherming van de door de rechtsorde van de Unie gewaarborgde rechten niet leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden [arresten van 25 maart 2021, Balgarska Narodna Banka, C-501/18, EU:C:2021:249, punt 125, en 21 maart 2023, Mercedes Benz (Aansprakelijkheid van fabrikanten van met een manipulatie-instrument uitgeruste voertuigen), C-100/21, EU:C:2021:229, punt 94].
42
Er zij evenwel ook aan herinnerd dat de verplichting om bij wege van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering de door motorrijtuigen aan derden veroorzaakte schade te dekken, moet worden onderscheiden van de omvang van die schadeloosstelling op grond van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde. Terwijl de verplichte dekking is vastgesteld en gewaarborgd door de regeling van de Unie, wordt de omvang van de schadeloosstelling namelijk hoofdzakelijk door het nationale recht bepaald [arrest van 20 mei 2021, K.S. (Kosten voor het wegslepen van een beschadigd voertuig), C-707/19, EU:C:2021:405, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
43
De Unieregeling beoogt dus niet de wettelijke aansprakelijkheidsregelingen van de lidstaten te harmoniseren en de lidstaten blijven in beginsel bevoegd om te bepalen welke regeling inzake wettelijke aansprakelijkheid geldt voor ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer met motorrijtuigen [arrest van 20 mei 2021, K.S. (Kosten voor het wegslepen van een beschadigd voertuig), C-707/19, EU:C:2021:405, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44
Zoals in punt 22 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, blijven de lidstaten in de huidige stand van het Unierecht derhalve in beginsel vrij om in het kader van hun wettelijke aansprakelijkheidsregelingen met name te bepalen welke soorten door motorrijtuigen veroorzaakte schade moeten worden vergoed, wat de omvang van de vergoeding is en wie recht op die vergoeding heeft.
45
De lidstaten dienen bij de uitoefening van hun bevoegdheden op dit gebied echter het Unierecht in acht te nemen, en de nationale bepalingen die de vergoeding regelen van schade veroorzaakt door verkeersongevallen mogen de Unieregeling haar nuttige werking niet ontnemen, met name door het recht van het slachtoffer op een vergoeding door de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, ambtshalve uit te sluiten of op onevenredige wijze te beperken [zie in die zin arresten van 20 mei 2021, K. S. (Kosten voor het wegslepen van een beschadigd voertuig), C-707/19, EU:C:2021:405, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 juni 2021, Van Ameyde España, C-923/19, EU:C:2021:475, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
46
Voor zover de benadeelde bij de uitoefening van zijn rechtstreekse vordering tegen de wettelijkeaansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van de schade verlangt dat de in de verzekeringsovereenkomst bepaalde uitkering hem door de verzekeraar wordt verstrekt, kan de betaling van die uitkering uitsluitend plaatsvinden onder de uitdrukkelijk in die overeenkomst bepaalde voorwaarden.
47
Zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft benadrukt, mogen de in punt 40 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden dus niet tot gevolg hebben dat de krachtens artikel 3 van richtlijn 2009/103 op de verzekeraar rustende verplichting om de volledige schadevergoeding te dekken die de veroorzaker van de schade aan de benadeelde verschuldigd is, wordt uitgesloten of beperkt, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van het in artikel 18 van richtlijn 2009/103 neergelegde recht om een rechtstreekse vordering in te stellen.
48
Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 18 juncto artikel 3 van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat
- —
het zich niet verzet tegen een nationale regeling die, in geval van een rechtstreekse vordering van degene wiens voertuig schade heeft opgelopen in een verkeersongeval tegen de verzekeraar van de aansprakelijke persoon, als enige mogelijkheid om van deze verzekeraar vergoeding van de schade te verkrijgen, voorziet in de betaling van een financiële vergoeding;
- —
het zich verzet tegen wijzen van berekening van deze financiële vergoeding en voorwaarden voor de wijze van betaling ervan die in het kader van een krachtens dit artikel 18 ingestelde rechtstreekse vordering tot gevolg zouden hebben dat de krachtens artikel 3 van richtlijn 2009/103 op de verzekeraar rustende verplichting om de volledige schadevergoeding te dekken die de veroorzaker van de schade aan de benadeelde verschuldigd is, wordt uitgesloten of beperkt.
Kosten
49
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 18 juncto artikel 3 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid
moet aldus worden uitgelegd dat
- —
het zich niet verzet tegen een nationale regeling die, in geval van een rechtstreekse vordering van degene wiens voertuig schade heeft opgelopen in een verkeersongeval tegen de verzekeraar van de aansprakelijke persoon, als enige mogelijkheid om van deze verzekeraar vergoeding van de schade te verkrijgen, voorziet in de betaling van een financiële vergoeding;
- —
het zich verzet tegen wijzen van berekening van deze financiële vergoeding en voorwaarden voor de wijze van betaling ervan die in het kader van een krachtens dit artikel 18 ingestelde rechtstreekse vordering tot gevolg zouden hebben dat de krachtens artikel 3 van richtlijn 2009/103 op de verzekeraar rustende verplichting om de volledige schadevergoeding te dekken die de veroorzaker van de schade aan de benadeelde verschuldigd is, wordt uitgesloten of beperkt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑03‑2023
Conclusie 15‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen — Richtlijn 2009/103/EG — Artikel 3 — Wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen — Verplichte motorrijtuigenverzekering — Artikel 18 — Rechtstreeks vorderingsrecht — Reikwijdte — Bepaling van de hoogte van de vergoeding — Hypothetische kosten — Mogelijkheid om de betaling van de schadevergoeding afhankelijk te stellen van bepaalde voorwaarden — Verkoop van het voertuig
J. Richard de la Tour
Partij(en)
Zaak C-618/211.
AR,
BF,
ZN,
NK Sp. z o.o., s.k.,
KP,
RD Sp. z o.o.,
tegen
PK S.A.,
CR,
SI S.A.,
MB S.A.,
PK S.A.,
SI S.A.,
EZ S.A.
[verzoek van de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 18 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid2., gelezen in samenhang met artikel 3 ervan.
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van geschillen tussen zes eigenaren van voertuigen en de wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraars van de personen die aansprakelijk zijn voor de aan hun voertuigen aangebrachte schade.
3.
De onderhavige zaak stelt het Hof voor het eerst in de gelegenheid om de reikwijdte te preciseren van het rechtstreekse vorderingsrecht van een benadeelde die van een verzekeringsonderneming vergoeding vordert van alle door een motorrijtuig veroorzaakte schade.
4.
In deze conclusie zal ik de redenen uiteenzetten waarom ik van mening ben dat het Unierecht zich er niet tegen verzet dat de door een verzekeringsonderneming verschuldigde prestatie uitsluitend van geldelijke aard is en dat afbreuk zou worden gedaan aan de nuttige werking van richtlijn 2009/103 indien het rechtstreekse vorderingsrecht van een benadeelde zou worden beperkt of uitgesloten vanwege het uitblijven van daadwerkelijk herstel van het beschadigde voertuig.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Richtlijn 2009/103
5.
Overweging 30 van richtlijn 2009/103 luidt als volgt:
‘Het recht zich op de verzekeringsovereenkomst te beroepen en rechtstreeks een vordering bij de verzekeringsonderneming in te dienen is voor de bescherming van de slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen van groot belang. Ter vergemakkelijking van een doelmatige en snelle afdoening van de vorderingen en om kostbare juridische procedures zo veel mogelijk te vermijden moet worden voorzien in een recht om een rechtstreekse vordering in te stellen tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij voor de slachtoffers van alle ongevallen met motorrijtuigen.’
6.
Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Verplichte motorrijtuigenverzekering’, bepaalt:
‘Iedere lidstaat treft, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.
De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in de in de eerste alinea bedoelde maatregelen vastgesteld.
Iedere lidstaat treft de nodige maatregelen opdat door de verzekeringsovereenkomst eveneens worden gedekt:
- a)
de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de andere lidstaten, overeenkomstig de in deze staten geldende wettelijke regelingen;
- b)
de schade waarvan onderdanen van de lidstaten het slachtoffer kunnen zijn op het traject dat een rechtstreekse verbinding vormt tussen twee gebieden waar het Verdrag van toepassing is, wanneer er geen nationaal bureau van verzekeraars bestaat voor dat traject. In dat geval wordt de schade gedekt overeenkomstig de nationale wetgeving inzake de verplichte verzekering die geldt in de lidstaat op het grondgebied waarvan het voertuig gewoonlijk is gestald.
De in de eerste alinea bedoelde verzekering dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.’
7.
Artikel 18 van genoemde richtlijn, met als opschrift ‘Rechtstreekse vordering’, luidt:
‘De lidstaten dragen er zorg voor dat personen die materiële schade of lichamelijk letsel hebben geleden welke is veroorzaakt door een voertuig dat door een in artikel 3, bedoelde verzekering is gedekt, tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij een rechtstreekse vordering kunnen instellen.’
B. Pools recht
8.
Artikel 363, lid 1, van de kodeks cywilny (Pools burgerlijk wetboek) bepaalt:
‘De schade moet, naar keuze van de benadeelde, worden vergoed hetzij door herstel in de vorige toestand hetzij door betaling van een passende geldsom. Indien herstel in de vorige toestand niet mogelijk is of indien dit voor degene die verplicht is de schade te vergoeden tot buitensporige moeilijkheden of kosten zou leiden, is de vordering van de benadeelde beperkt tot een uitkering in geld.’
9.
- ‘1.
Met een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid verbindt de verzekeraar zich tot het betalen van een in de overeenkomst bepaalde vergoeding voor de schade die aan derden is toegebracht en jegens wie de verzekeringnemer of verzekerde aansprakelijk is.
[…]
- 4.
Een persoon die recht heeft op een schadevergoeding in verband met een gebeurtenis die wordt gedekt door een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid, kan de vordering rechtstreeks tegen de verzekeraar instellen.’
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
10.
Er zijn zes geschillen aanhangig bij de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen). Vijf ervan betreffen de weigering van de verzekeringsondernemingen — verweersters in het hoofdgeding — van de wettelijk aansprakelijke partij voor een verkeersongeval waarbij schade aan voertuigen is veroorzaakt om de benadeelden — verzoeksters in het hoofdgeding — die hun in artikel 18 van richtlijn 2009/103 neergelegde recht op rechtstreekse vordering hebben uitgeoefend, te vergoeden voor de herstelkosten van deze voertuigen die zij niet hebben gemaakt. Deze kosten worden door de verwijzende rechter aangeduid als ‘hypothetische herstelkosten’.
11.
Het zesde geschil onderscheidt zich van de voorgaande alleen daarin dat de schade het gevolg is van een garagepoort die, bij het naar beneden komen, het voertuig van een verzoeker in het hoofdgeding heeft vernield.
12.
Al die geschillen vloeien voort uit het feit dat de benadeelden geldelijke vergoedingen vorderen van de aan hun voertuigen aangebrachte schade op basis van een hoge schatting van de herstelkosten (onderdelen en arbeid), en niet op basis van bewijsstukken van de door hen gedragen herstelkosten, dat wil zeggen werkelijk gemaakte kosten. De verzekeringsondernemingen voeren echter aan dat die schadevergoeding niet meer mag belopen dan het bedrag van de werkelijk geleden schade, zoals berekend volgens de zogenoemde ‘differentiële’ methode. Dat bedrag moet overeenstemmen met het verschil tussen de waarde die het beschadigde voertuig zou hebben gehad indien het ongeval zich niet had voorgedaan, en de actuele waarde van dat voertuig in beschadigde of — zelfs gedeeltelijk — herstelde staat.
13.
De verwijzende rechter zet uiteen dat schadevergoeding volgens nationaal recht het vermogen van de benadeelde beoogt terug te brengen tot de waarde die het zou hebben gehad indien de schade niet was opgetreden, zonder dat de benadeelde zich kan verrijken.
14.
Overeenkomstig de Poolse rechtspraak kennen rechterlijke instanties voor schade aan voertuigen echter een vergoeding toe ten bedrage van de hypothetische herstelkosten, die aanzienlijk hoger is dan de door de differentiële methode bepaalde schade aan het vermogen van de benadeelde. Hetzelfde geldt in geval van verkoop van het beschadigde voertuig dat de benadeelden in de toekomst nooit kunnen laten herstellen.
15.
Volgens de verwijzende rechter kan die rechtspraak, die voor kritiek vatbaar is aangezien de benadeelde partij daardoor in sommige gevallen in staat wordt gesteld om zich te verrijken, worden gerechtvaardigd door de uit het Unierecht voortvloeiende bijzondere bescherming van verkeersslachtoffers. Derhalve acht die verwijzende rechter het noodzakelijk om opheldering te krijgen over de reikwijdte van de rechten van de benadeelde op grond van het rechtstreekse vorderingsrecht dat hij ten aanzien van de verzekeringsonderneming kan uitoefenen.
16.
In dit verband zet de verwijzende rechter uiteen dat er een conflict bestaat tussen enerzijds dit rechtstreekse vorderingsrecht, in samenhang met het feit dat de benadeelde volgens het Poolse recht twee verschillende vorderingen jegens de veroorzaker van de schade kan instellen, namelijk zowel een vordering tot betaling van een schadevergoeding als een vordering tot herstel in natura, met het oog op het herstel van de toestand van voor ontstaan van de schade, en anderzijds het uit het Poolse verbintenissenrecht voortvloeiende beginsel dat de door de wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar verrichte prestatie een ‘betaling’ is, dat wil zeggen een uitkering in geld.
17.
Bijgevolg wenst de verwijzende rechter te vernemen of het Unierecht zich verzet tegen bepalingen van nationaal recht die tot gevolg hebben dat de benadeelde, die zijn rechtstreekse vorderingsrecht tegen de verzekeringsonderneming wenst uit te oefenen, een van de in het nationale recht beschikbare middelen om de schade te herstellen verliest, wat algemeen gesproken een afschrikkende werking heeft.
18.
Deze verwijzende rechter vraagt zich tevens af of de benadeelde, met het oog op de doeltreffendheid van zijn vordering op grond van artikel 18 van richtlijn 2009/103, een vordering moet kunnen instellen tegen de wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van het ongeval met het oog op de betaling van een schadevergoeding ter hoogte van de kosten die hij moet maken om het herstel van het beschadigde voertuig zelf te laten uitvoeren, zonder van dat herstel te mogen afzien. Op die wijze zou de schadevergoeding op een daadwerkelijk herstel kunnen worden gebaseerd.
19.
De laatste vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op de situatie waarin het beschadigde voertuig niet meer kan worden hersteld, bijvoorbeeld omdat het is verkocht. Hij is geneigd te oordelen dat de schadevergoeding van de benadeelde in dat geval niet meer mag bedragen dan het verschil tussen de prijs die hij voor het beschadigde voertuig heeft ontvangen, en de prijs die hij zou hebben ontvangen indien hij het voertuig in onbeschadigde staat had verkocht.
20.
In die omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
- ‘1)
Moet artikel 18 juncto artikel 3 van [richtlijn 2009/103] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een persoon die materiële schade heeft geleden en die gebruikmaakt van een rechtstreekse vordering tot herstel van schade aan zijn voertuig naar aanleiding van deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die is ingesteld tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij, van de verzekeringsonderneming slechts schadevergoeding ten bedrage van het werkelijke en actuele vermogensverlies kan verkrijgen, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het voertuig in de staat vóór het ongeval en de waarde van het beschadigde voertuig, vermeerderd met de daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten om het voertuig te herstellen en andere daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten ten gevolge van het ongeval, terwijl hij, indien hij het herstel van de schade rechtstreeks van de aansprakelijke persoon zou vorderen, van deze persoon, naar eigen keuze, in plaats van een schadevergoeding zou kunnen eisen dat het voertuig wordt teruggebracht in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade (herstel door de aansprakelijke zelf of door een door hem betaalde garage)?
- 2)
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 18 juncto artikel 3 van [richtlijn 2009/103] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een persoon die materiële schade heeft geleden en die gebruikmaakt van een rechtstreekse vordering tot herstel van schade aan zijn voertuig naar aanleiding van deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die is ingesteld tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij, van de verzekeringsonderneming, in plaats van een schadevergoeding ten bedrage van het werkelijke en actuele vermogensverlies, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het voertuig in de staat vóór het ongeval en de waarde van het beschadigde voertuig, vermeerderd met de daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten om het voertuig te herstellen en andere daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten ten gevolge van het ongeval, slechts een bedrag kan verkrijgen ter hoogte van de kosten om het voertuig terug te brengen in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade, terwijl hij, indien hij het herstel van de schade rechtstreeks van de aansprakelijke persoon zou vorderen, van deze persoon, naar eigen keuze, in plaats van een schadevergoeding zou kunnen eisen dat het voertuig wordt teruggebracht in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade (en niet slechts het verstrekken van middelen met het oog daarop)?
- 3)
Indien de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 18 juncto artikel 3 van [richtlijn 2009/103] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de verzekeringsonderneming waarbij de eigenaar van een voertuig dat is beschadigd naar aanleiding van deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen, een verzoek heeft ingediend tot betaling van hypothetische kosten die hij niet heeft gedragen maar die hij had moeten dragen indien hij ervoor had gekozen het voertuig terug te brengen in de staat waarin het zich bevond vóór het ongeval, de mogelijkheid heeft:
- a)
deze betaling afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon die materiële schade heeft geleden, aannemelijk maakt dat hij werkelijk van plan is het voertuig op een bepaalde manier, bij een bepaalde monteur, tegen een bepaalde prijs voor de onderdelen en de dienst te herstellen, en om deze middelen rechtstreeks over te dragen aan die monteur (of aan de verkoper van de voor het herstel benodigde onderdelen) onder voorbehoud van terugbetaling indien het doel waarvoor het geld is betaald, niet wordt bereikt; zo niet:
- b)
deze betaling afhankelijk te stellen van de verplichting van de consument om binnen de overeengekomen termijn aan te tonen dat hij de betaalde middelen heeft gebruikt voor het herstel van het voertuig of om deze aan de verzekeringsonderneming terug te betalen; zo niet:
- c)
na betaling van die middelen met vermelding van het doel (de gebruikswijze) ervan en na het verstrijken van de tijd die de persoon die materiële schade heeft geleden, nodig heeft om het voertuig te laten herstellen, van hem te eisen dat hij aantoont hoe die middelen voor het herstel zijn besteed, of dat hij ze terugbetaalt
— om de mogelijkheid uit te sluiten dat de persoon die materiële schade heeft geleden door die schade verrijkt wordt?
- 4)
Indien de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 18 juncto artikel 3 van [richtlijn 2009/103] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een persoon die materiële schade heeft geleden en die geen eigenaar meer is van het beschadigde voertuig omdat hij het heeft verkocht en in ruil daarvoor geld heeft ontvangen en het dus niet meer kan herstellen, van de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij in dat verband geen betaling kan eisen van de herstelkosten die nodig zouden zijn om het voertuig terug te brengen in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade, en zijn vordering beperkt is tot vergoeding door de verzekeringsonderneming van het werkelijke en actuele vermogensverlies, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het voertuig in de staat vóór het ongeval en het bedrag dat de verkoop van het voertuig heeft opgeleverd, vermeerderd met de daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten om het voertuig te herstellen en andere daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten ten gevolge van het ongeval?’
21.
KP en RD Sp. z o.o., twee van de verzoekende partijen in het hoofdgeding, SI S.A., een van de verwerende partijen in het hoofdgeding, de Poolse, de Tsjechische en de Duitse regering alsook de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
IV. Beoordeling
A. Ontvankelijkheid
22.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing berust op de vaststelling van de verwijzende rechter dat ‘verzekeringsondernemingen op grond van het nationale schadevergoedingsrecht verplicht zijn om benadeelden een vergoeding toe te kennen ten bedrage van de zogenoemde hypothetische herstelkosten van het beschadigde voertuig, zonder dat die vergoeding is gekoppeld aan de daadwerkelijke uitvoering van dat herstel (in de toekomst), zodat benadeelden die hun voertuig niet wensen te herstellen, het schadefeit kunnen aanwenden om hun vermogen te vergroten met het verschil tussen de herstelkosten van het beschadigde voertuig en het waardeverlies van het voertuig als gevolg van de berokkende schade — ten koste van de verzekeringsondernemingen en voorts ten koste van alle voertuigeigenaren die verplichte verzekeringspremies betalen’.
23.
De verwijzende rechter streeft bijgevolg naar een oplossing waarbij het bedrag van de vergoeding zo nauw mogelijk aansluit bij de daadwerkelijke kosten die de benadeelden moeten maken. Zo merkt deze verwijzende rechter op dat laatstgenoemden geen vordering tot herstel in natura van het voertuig kunnen instellen tegen de verzekeraar, maar wel tegen de veroorzaker van de schade.
24.
Die vaststelling van het in het Poolse recht geregelde onderscheid tussen die twee vorderingen die kunnen worden ingesteld door personen die recht hebben op vergoeding van schade aan een voertuig, heeft de verwijzende rechter ertoe gebracht om zich vragen te stellen over de omvang en de reikwijdte van het in artikel 18 van richtlijn 2009/103 neergelegde rechtstreekse vorderingsrecht voor benadeelden, teneinde de doeltreffendheid ervan te waarborgen. Derhalve is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
25.
Volgens vaste en door de verwijzende rechter in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof kan het verzoek om een prejudiciële beslissing immers niet betrekking hebben op de omvang van de schadevergoeding, die hoofdzakelijk door het nationale recht wordt bepaald.3.
26.
Bovendien zij eraan herinnerd dat uit de bewoordingen zelf van artikel 267 VWEU volgt dat de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie ‘noodzakelijk’ moet zijn ‘voor het wijzen van haar vonnis’ in de bij haar aanhangige zaak.4.
27.
In het onderhavige geval heeft één van de zes bij de verwijzende rechter aanhangig gemaakte zaken betrekking op het herstel van door een garagepoort veroorzaakte voertuigschade.
28.
Richtlijn 2009/103 heeft echter kennelijk niet tot doel dekking te bieden voor wettelijke aansprakelijkheid wanneer de schade niet door een voertuig is veroorzaakt.5. Die richtlijn beoogt immers slachtoffers bijzondere bescherming te bieden vanwege de ernst van de materiële schade of lichamelijke letsels die zij kunnen oplopen als gevolg van het aan het ontwerp en de functie van een motorrijtuig inherente gevaar.
29.
Bovendien bepaalt artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 dat iedere lidstaat, onverminderd de toepassing van artikel 5 ervan, de nodige maatregelen treft opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.
30.
Het is juist dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’, dat wil zeggen een autonoom Unierechtelijk begrip, door het Hof is uitgelegd tegen de achtergrond van met name genoemd artikel 3, eerste alinea6., daarbij in aanmerking nemend dat het doel van bescherming van de slachtoffers van door die voertuigen veroorzaakte ongevallen voortdurend door de Uniewetgever is nagestreefd en versterkt.7.
31.
Zo heeft het Hof geoordeeld dat artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het daarin vervatte begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ niet beperkt is tot situaties in het wegverkeer, te weten deelneming aan het verkeer op de openbare weg, en dat onder dit begrip elk gebruik van een voertuig valt dat overeenstemt met de gebruikelijke functie van dit voertuig als vervoermiddel.8.
32.
In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat een voertuig wordt gebruikt overeenkomstig zijn functie van vervoermiddel wanneer het wordt verplaatst, maar in beginsel ook wanneer het staat geparkeerd tussen twee verplaatsingen.9.
33.
Hieruit heeft het Hof afgeleid dat onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ in de zin van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 een situatie valt waarin een in een privégarage van een gebouw gestald voertuig dat overeenkomstig zijn functie van vervoermiddel wordt gebruikt, vuur heeft gevat, wat heeft geleid tot een brand die is ontstaan in het elektrische circuit van dit voertuig.10. Hetzelfde geldt wanneer het ongeval te wijten is aan een olielek dat is veroorzaakt door de technische staat van het betrokken gestalde voertuig.11.
34.
Bijgevolg vallen situaties waarin het ongeval niet wordt veroorzaakt door het gedrag of een technisch defect van het voertuig, duidelijk buiten het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ in de zin van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103.
35.
Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat het voor de uitsluiting van een voertuig van de in deze bepaling bedoelde verzekeringsplicht, noodzakelijk is dat het overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling officieel uit het verkeer is genomen.12.
36.
Bijgevolg lijdt het geen twijfel dat de werkingssfeer van richtlijn 2009/103, zoals door het Hof uitgelegd, beperkt is tot de verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor schade die een voertuig kan veroorzaken.
37.
Aan die uitlegging kan niet worden afgedaan door het argument van de verwijzende rechter dat hij in wezen moet zorgen voor gelijke behandeling op het gebied van wettelijke aansprakelijkheidsverzekering, hetgeen een verwijzing naar het Hof rechtvaardigt in het kader van het geschil over de vergoeding van door een garagepoort aan een voertuig toegebrachte schade.
38.
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging het verzoek om een prejudiciële beslissing op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.
39.
Wat betreft de ontvankelijkheid van de gestelde vragen, lijkt het mij niet gerechtvaardigd om, zoals de Poolse regering betoogt, aan te nemen dat de eerste twee prejudiciële vragen, waarvan de twee andere vragen afhangen, hypothetisch van aard zijn. Genoemde regering voert aan dat verzoekers in de hoofdgedingen alleen betaling van een geldelijke schadevergoeding vorderen. De verwijzende rechter stelt zich echter juist vragen bij die beperking van de wijzen van vergoeding van door verkeersongevallen veroorzaakte schade. Ofschoon het Unierecht zulks niet vereist, is de verwijzende rechter van oordeel dat hij de vorderingen op basis van een kostenraming op goede gronden kan afwijzen.
40.
In die omstandigheden geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen gezamenlijk te behandelen, daarbij in aanmerking nemend dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of artikel 18 van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die uitsluitend voorziet in de betaling van een geldelijke schadevergoeding aan benadeelden die hun rechtstreekse vorderingsrecht uitoefenen jegens de verzekeringsonderneming van de persoon die wettelijk aansprakelijk is voor een door een voertuig veroorzaakt ongeval, en op grond waarvan de werkelijke herstelkosten niet hoeven te worden gerechtvaardigd in geval van aan een ander voertuig toegebrachte schade.
B. Ten gronde
41.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing brengt het Hof ertoe het doel af te bakenen van de in artikel 18 van richtlijn 2009/103 bedoelde rechtstreekse vordering.
42.
Concreet wenst de verwijzende rechter te vernemen of die rechtstreekse vordering ertoe strekt de verzekeraar (in plaats van de voor de schade aansprakelijke persoon) te veroordelen tot betaling aan de benadeelde en ter vergoeding van de geleden schade, van het door de aansprakelijke persoon verschuldigde bedrag, dan wel de verzekeraar te veroordelen tot rechtstreekse betaling aan de benadeelde van de in de verzekeringsovereenkomst vastgestelde uitkering.
43.
In de eerste plaats acht ik het nuttig in herinnering te brengen dat het rechtstreekse vorderingsrecht van de benadeelde is ingevoerd bij richtlijn 2000/26/EG13., die deel uitmaakt van de vier bij richtlijn 2009/10314. gecodificeerde richtlijnen.
44.
Dit recht is verankerd in de volgende — herhaaldelijk door het Hof in herinnering gebrachte — context:
- —
de lidstaten zijn verplicht in hun nationale rechtsorde een algemene verplichting tot het verzekeren van motorrijtuigen op te nemen, en
- —
elke lidstaat moet ervoor zorgen dat ieder voertuig dat gewoonlijk op zijn grondgebied is gestald, onverminderd bepaalde in richtlijn 2009/103 genoemde afwijkingen, door een verzekeringsovereenkomst is gedekt, zodat de wettelijke aansprakelijkheid waartoe dat voertuig aanleiding kan geven, binnen de grenzen van het Unierecht is gedekt.15.
45.
Met het oog op een steeds grotere bescherming van benadeelden bij verkeersongevallen is bij richtlijn 2000/26 ten gunste van laatstgenoemden een rechtstreeks vorderingsrecht ingevoerd tegen de verzekeringsonderneming van de aansprakelijke persoon of tegen haar vertegenwoordiger in de staat van de woonplaats van de benadeelde.16. Hiermee werd een versterking beoogd van de rechtspositie van slachtoffers bij verkeersongevallen welke zich buiten hun lidstaat van woonplaats hebben voorgedaan17., alsook een harmonisatie van het recht van de lidstaten, waarvan sommige nog niet voorzagen in het rechtstreekse vorderingsrecht tegen de verzekeraar van de aansprakelijke persoon.18.
46.
Richtlijn 2005/14/EG19. heeft dit rechtstreekse vorderingsrecht uitgebreid tot de slachtoffers van alle ongevallen met motorrijtuigen teneinde een doelmatige en snelle afdoening van de vorderingen te vergemakkelijken en kostbare juridische procedures zo veel mogelijk te vermijden.20.
47.
Die doelstelling wordt herhaald in richtlijn 2009/103, waarin wordt gewezen op het belang dat aan de slachtoffers van verkeersongevallen een gelijkwaardige bescherming wordt verleend, ongeacht de plaats in de Unie waar het ongeval zich heeft voorgedaan.21. Overweging 30 van die richtlijn neemt de in overweging 21 van richtlijn 2005/14 opgenomen definitie over van het rechtstreekse vorderingsrecht tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij voor een ongeval met een motorrijtuig.
48.
Bijgevolg moet in de tweede plaats worden benadrukt dat dit recht in de bewoordingen van die overweging wordt omschreven als ‘[h]et recht zich op de verzekeringsovereenkomst te beroepen en rechtstreeks een vordering bij de verzekeringsonderneming in te dienen’.
49.
Wanneer de benadeelde zich bij de uitoefening van het hem op grond van artikel 18 van richtlijn 2009/103 verleende recht rechtstreeks beroept op de verplichte verzekeringsdekking, dekt de verzekeringsonderneming dus de wettelijke aansprakelijkheid van de veroorzaker binnen de grenzen van de met hem gesloten overeenkomst.22. Op grond daarvan zijn de financiële gevolgen van de wettelijke aansprakelijkheid gedekt, zelfs al zou de verzekerde het herstel zelf laten uitvoeren, alsook in het geval van lichamelijke letsels.23.
50.
Aangezien de rechten van de benadeelde uitsluitend voortvloeien uit de verzekeringsovereenkomst24. of met andere woorden soortgelijk zijn aan die van de verzekerde, kunnen ze alleen maar tot gevolg hebben dat de benadeelde een schadevergoeding wordt toegekend, namelijk die welke de verzekerde binnen de grenzen van de tussen hem en zijn verzekeringsonderneming gesloten overeenkomst van laatstgenoemde zou kunnen vorderen indien hij zelf het slachtoffer had vergoed. Deze uitkomst strookt met de activiteiten van verzekeringsondernemingen, zoals ook de Duitse regering benadrukt.
51.
Die uitleg vindt steun in verschillende andere elementen. Ten eerste beantwoordt het rechtstreekse vorderingsrecht van de benadeelde aan de doelstelling van een spoedige afwikkeling van schadegevallen en maakt het deel uit van de motorrijtuigenverzekering waarvan de Uniewetgever het grote belang heeft beklemtoond, zowel voor de Europese burgers die in de Unie aan het verkeer deelnemen, als voor de verzekeringsondernemingen.25. In het geval van grensoverschrijdende situaties wordt dit aspect van die vraag mijns inziens terecht benadrukt door de Commissie en de Duitse regering, en pleit het ervoor dat een vergoeding in natura niet verplicht wordt gesteld.
52.
Ten tweede volgt het beginsel van een geldelijke schadevergoeding uit artikel 22 van richtlijn 2009/103, met als opschrift ‘Schadevergoedingsprocedure’, waarin de verplichtingen worden beschreven van de verzekeringsonderneming waaraan de benadeelde een verzoek tot schadevergoeding heeft gericht. Dit beginsel kan ook worden afgeleid uit het feit dat de Uniewetgever minimumbedragen voor de verzekeringsdekking26. heeft vastgesteld die een belangrijk element ter bescherming van de slachtoffers vormen.27.
53.
Ten derde zijn de verzekeringsondernemingen verplicht om de benadeelde te vergoeden teneinde de doeltreffendheid van het recht op schadevergoeding te waarborgen en laatstgenoemde op die wijze te beschermen tegen met name het risico van insolventie van de voor de schade aansprakelijke persoon.28.
54.
Ten vierde moeten de verplichtingen van de verzekeringsonderneming waartegen de benadeelde zijn rechtstreekse vorderingsrecht voor de rechter gaat uitoefenen, worden beoordeeld in overeenstemming met de bepalingen van het Unierecht inzake de rechterlijke bevoegdheid29. en het toepasselijke recht30. in grensoverschrijdende situaties, alsook met de regeling op het gebied van regresvorderingen waarop de verzekeraar zich kan beroepen.31.
55.
In die context is het mijns inziens dan ook ondenkbaar dat artikel 18 van richtlijn 2009/103 aldus wordt uitgelegd dat de schadevergoeding in natura die de benadeelde op grond van nationaal recht zou kunnen verkrijgen van de veroorzaker van het ongeval, van de verzekeraar kan worden gevorderd. Het gaat er juist om dat de rechtstreekse relatie tussen het slachtoffer en de verzekeraar niet wordt verward met die welke bestaat tussen het slachtoffer en de aansprakelijke persoon.
56.
Bijgevolg ben ik van mening dat genoemd artikel 18 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die uitsluitend voorziet in de betaling van een geldelijke schadevergoeding aan de benadeelden die hun rechtstreekse vorderingsrecht uitoefenen tegen de verzekeringsonderneming die de wettelijk aansprakelijkheid dekt van de persoon die verantwoordelijk is voor een door een voertuig veroorzaakt ongeval, en wel ongeacht de aard van de te vergoeden schade.
57.
Bovendien moeten daaraan nog andere overwegingen worden toegevoegd teneinde een volledig antwoord te geven op de vragen van de verwijzende rechter, die een regeling nastreeft waarbij de vergoeding van de benadeelde die zijn rechtstreekse vorderingsrecht heeft uitgeoefend, zo nauw mogelijk aansluit bij de daadwerkelijk gemaakte kosten.32.
58.
Het is vaste rechtspraak dat de omvang van de schadevergoeding hoofdzakelijk door het nationale recht wordt bepaald.33.
59.
Het staat dus aan de bevoegde autoriteiten om de doeltreffendheid van het rechtstreekse vorderingsrecht van de benadeelde in nationaal recht te waarborgen.
60.
In dit verband voldoet het in de schriftelijke opmerkingen van KP en SI beschreven systeem, waarbij de verzekeringsondernemingen een derdebetalersregeling kunnen opzetten met autoreparatiebedrijven waaraan de aan de benadeelde verschuldigde vergoeding wordt betaald34., mijns inziens aan de door richtlijn 2009/103 vereiste bescherming van laatstgenoemde, op voorwaarde dat die regeling naar keuze van de benadeelde wordt toegepast.
61.
Bijgevolg is het mijns inziens zinloos om middels een uitlegging van de reikwijdte van artikel 18 van richtlijn 2009/103 enige oplossing aan te dragen voor de door de verwijzende rechter uiteengezette problemen bij de behandeling van het geschil35., naast de door die verwijzende rechter aangehaalde ongerechtvaardigde verrijking van de benadeelde.36.
62.
De nationale bepalingen mogen het in artikel 18 van richtlijn 2009/103 neergelegde rechtstreekse vorderingsrecht echter niet van zijn nuttige werking beroven.37. Dit zou mijns inziens het geval zijn indien vergoeding van de benadeelde die zijn rechtstreekse vorderingsrecht uitoefent, hetzij zou worden uitgesloten, hetzij zou worden beperkt vanwege niet-herstel of verkoop van het beschadigde voertuig dan wel vanwege de hem door de verzekeringsonderneming opgelegde verplichting om herstel van het voertuig te vorderen van de verzekerde.
V. Conclusie
63.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 18 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid,
moet aldus worden uitgelegd dat:
- —
het zich niet verzet tegen een nationale regeling die uitsluitend voorziet in de betaling van een geldelijke schadevergoeding aan de benadeelden die hun rechtstreekse vorderingsrecht uitoefenen tegen de verzekeringsonderneming die de wettelijke aansprakelijkheid dekt van de persoon die verantwoordelijk is voor een door een voertuig veroorzaakt ongeval, en wel ongeacht de aard van de te vergoeden schade;
- —
afbreuk zou worden gedaan aan de nuttige werking van het rechtstreekse vorderingsrecht van de benadeelde indien dat zou worden beperkt of uitgesloten vanwege het uitblijven van daadwerkelijk herstel van het beschadigde voertuig.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑12‑2022
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2009, L 263, blz. 11.
Zie arrest van 10 juni 2021, Van Ameyde España (C-923/19, EU:C:2021:475, punten 36 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Tussen het geding en de bepalingen van Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht, moet er dus sprake zijn van een zodanig verband dat die uitlegging objectief noodzakelijk is voor de door de verwijzende rechter te nemen beslissing. Zie beschikking van 10 december 2020, OO (Opschorting van de gerechtelijke activiteiten) (C-220/20, niet gepubliceerd, EU:C:2020:1022, punt 26).
Zie in die zin arrest van 20 juni 2019, Línea Directa Aseguradora (C-100/18, EU:C:2019:517, punt 45; hierna: ‘arrest Línea Directa Aseguradora’).
Zie arrest Línea Directa Aseguradora (punt 32).
Zie arrest van 20 mei 2021, K.S. (Kosten voor het wegslepen van een beschadigd voertuig) (C-707/19, EU:C:2021:405, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Línea Directa Aseguradora (punten 35 en 36). Zie ook de bewoordingen van artikel 1, punt 1 bis, van richtlijn 2009/103, ingevoegd bij richtlijn (EU) 2021/2118 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 tot wijziging van richtlijn 2009/103 (PB 2021, L 430, blz. 1). Deze richtlijn moet overeenkomstig artikel 2 ervan uiterlijk op 23 december 2023 zijn omgezet.
Zie arrest Línea Directa Aseguradora (punt 42).
Zie arrest Línea Directa Aseguradora (punt 48).
Zie beschikking van 11 december 2019, Bueno Ruiz en Zurich Insurance (C-431/18, niet gepubliceerd, EU:C:2019:1082, punten 42–45).
Zie arrest van 29 april 2021, Ubezpieczeniowy Fundusz Gwarancyjny (C-383/19, EU:C:2021:337, punt 58).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG van de Raad (Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering) (PB 2000, L 181, blz. 65).
Zie overweging 1 van deze richtlijn. De rechtspraak betreffende deze eerdere richtlijnen kan dus worden toegepast op de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van genoemde richtlijn. Zie met name arrest van 29 april 2021, Ubezpieczeniowy Fundusz Gwarancyjny (C-383/19, EU:C:2021:337, punt 35).
Zie arrest van 10 juni 2021, Van Ameyde España (C-923/19, EU:C:2021:475, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Voor de ontstaansgeschiedenis van die richtlijn, zie verslag van het Europees Parlement over de door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerptekst van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering) [C5-0155/2000–1997/0264(COD)] (final A5-0130/2000), beschikbaar op het volgende internetadres: https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/A-5-2000–0130_NL.pdf, blz. 7. Zie ook Pailler, P., Manuel de droit européen des assurances, 2e druk, Bruylant, Brussel, 2022, met name punt 263, blz. 273.
Zie de overwegingen 8–14 van richtlijn 2000/26.
Zie in dit verband artikel 9 van het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, gesloten te Den Haag op 4 mei 1971. Zie ook toelichtend rapport van Eric W. Essén, beschikbaar op het volgende internetadres: https://assets.hcch.net/docs/cef13270-0800-4ac5-b583-b8e4aa076a1c.pdf, met name blz. 214.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 houdende wijziging van de richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en richtlijn 2000/26 (PB 2005, L 149, blz. 14). Bij die richtlijn is een overweging 16 bis ingevoegd in richtlijn 2000/26, waarin de Uniewetgever met betrekking tot het recht van de benadeelde om een rechtsvordering tegen de verzekeraar in te stellen in de lidstaat waar hij zijn verblijfplaats heeft, verwijst naar artikel 9, lid 1, onder b), en naar artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1). Zie in dat verband arrest van 13 december 2007, FBTO Schadeverzekeringen (C-463/06, EU:C:2007:792, punt 29).
Zie overweging 21 van die richtlijn.
Zie overweging 20 van die richtlijn, alsook arrest van 20 mei 2021, K.S. (Kosten voor het wegslepen van een beschadigd voertuig) (C-707/19, EU:C:2021:405, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Op te merken valt dat die verplichting rechtsgevolgen sorteert, ongeacht de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst als gevolg van valse initiële verklaringen van de verzekeringnemer. Zie in dit verband arrest van 20 juli 2017, Fidelidade-Companhia de Seguros (C-287/16, EU:C:2017:575, punt 27).
Zie artikel 3, laatste alinea, van richtlijn 2009/103, zoals uitgelegd door het Hof. Zie arrest van 23 januari 2014, Petillo (C-371/12, EU:C:2014:26, punten 33–35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie met betrekking tot de Poolse wet arrest van 21 december 2021, Skarb Państwa (Motorrijtuigenverzekering) (C-428/20, EU:C:2021:1043, punt 16).
Zie arrest van 21 januari 2016, ERGO Insurance en Gjensidige Baltic (C-359/14 en C-475/14, EU:C:2016:40, punten 54 en 58).
Zie overweging 2 van richtlijn 2009/103.
Zie overweging 12 van richtlijn 2009/103 en met name arrest van 21 januari 2016, ERGO Insurance en Gjensidige Baltic (C-359/14 en C-475/14, EU:C:2016:40, punt 39).
Zie bovendien, wanneer niet is voldaan aan de verplichting om het bij het ongeval betrokken voertuig te verzekeren, arrest van 29 april 2021, Ubezpieczeniowy Fundusz Gwarancyjny (C-383/19, EU:C:2021:337, punt 56), bij wijze van herinnering aan het doel van bescherming van de slachtoffers van verkeersongevallen dat voorop moet staan bij de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2009/103.
Zie arrest van 13 december 2007, FBTO Schadeverzekeringen (C-463/06, EU:C:2007:792, punt 29), en, met betrekking tot verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), arrest van 30 juni 2022, Allianz Elementar Versicherung (C-652/20, EU:C:2022:514, punten 30, 32, 45, 49, 50, 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zoals het Hof in herinnering heeft gebracht in het arrest van 21 januari 2016, ERGO Insurance en Gjensidige Baltic (C-359/14 en C-475/14, EU:C:2016:40, punt 40), komt uit de tekst, noch uit de doelstellingen van richtlijn 2009/103 naar voren dat deze tot doel heeft collisieregels vast te stellen. Zie ook de punten 47–54 van dit arrest met betrekking tot de toepasbaarheid van de verordeningen (EG) nrs. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6), en 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‘Rome II’) (PB 2007, L 199, blz. 40). Zie tevens, met betrekking tot de verplichte toepassing van het op 4 mei 1971 te Den Haag gesloten Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, met name arrest van 24 oktober 2013, Haasová (C-22/12, EU:C:2013:692, punt 36), en de opmerkingen van advocaat-generaal Wahl over de moeilijkheden in dat verband in zijn conclusie in de zaak Lazar (C-350/14, EU:C:2015:586, punt 36).
Zie bijvoorbeeld arrest van 21 januari 2016, ERGO Insurance en Gjensidige Baltic (C-359/14 en C-475/14, EU:C:2016:40, punt 56).
Zie de punten 18 en 19 alsook 22 en 23 van deze conclusie.
Zie punt 25 van deze conclusie. Zie bijvoorbeeld ook arrest van 23 januari 2014, Petillo (C-371/12, EU:C:2014:26, punt 43).
Zie bijvoorbeeld arrest van 21 oktober 2021, T. B. en D. (Bevoegdheid in verzekeringszaken) (C-393/20, niet gepubliceerd, EU:C:2021:871, punten 17 en 18).
De verwijzende rechter geeft te kennen dat de — in punt 14 van deze conclusie genoemde — Poolse rechtspraak ertoe leidt dat verzekeraars op systematische wijze niet vrijwillig overgaan tot betaling van door die rechtspraak vastgestelde vergoedingen, teneinde de rechterlijke instanties te overreden hun rechtspraak te wijzigen door weliswaar een ‘schadevergoeding voor de hypothetische kosten’ te betalen, maar die kosten op willekeurige wijze te berekenen, ervan uitgaande dat het in dit geval volstaat om hun berekening te baseren op prijzen van onderdelen van mindere kwaliteit of op diverse kortingen, reducties, ‘afschrijvingen’ enzovoort, waardoor de benadeelden in het merendeel van de gevallen hun zaak aanhangig maken bij de rechterlijke instanties, hetgeen leidt tot een toename van hun werklast.
Zie punt 15 van deze conclusie.
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de nationale bepalingen die de vergoeding regelen van schade veroorzaakt door de deelneming van voertuigen aan het verkeer, niet tot gevolg mogen hebben dat het recht op schadevergoeding van het slachtoffer door de verplichte verzekering van de voor die schade aansprakelijke persoon tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, automatisch wordt uitgesloten of onevenredig wordt beperkt. Zie, ter herinnering aan die beginselen, arresten van 23 oktober 2012, Marques Almeida (C-300/10, EU:C:2012:656, punten 31 en 32); 23 januari 2014, Petillo (C-371/12, EU:C:2014:26, punt 41 alsook, voor een toepassing op het onderhavige geval, punten 44 en 45), en 10 juni 2021, Van Ameyde España (C-923/19, EU:C:2021:475, punt 44).