Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.G.7.4:VII.G.7.4 Achteraf corrigeren als een wilsrecht in de zin van art. 45 en 53 SW 1956.Een ten sterf dage ontstane rechtsverhouding?
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.G.7.4
VII.G.7.4 Achteraf corrigeren als een wilsrecht in de zin van art. 45 en 53 SW 1956.Een ten sterf dage ontstane rechtsverhouding?
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS408235:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de volledigheid merk ik op dat als men zich op het standpunt zou stellen dat er per overlijdensdatum nog geen aanleiding is om met het afwikkelingsbewind als waardedrukkende factor rekening te houden, bijvoorbeeld omdat men met Monteiro van mening is dat het goederenrechtelijk geeffectueerd zijn van de verdeling, zoals bij de ouderlijke boedelverdeling, een vereiste is, ook dan bestaat in de Successiewet nog steeds het corrigerend systeem van art. 45 en 53 SW 1956. De strekking van dit mechanisme van de 'nadere aangifte' is dat de wet tot uitdrukking heeft willen brengen dat de heffing van het successierecht zich richt naar hetgeen uiteindelijk als gevolg van de erfrechtelijke overgang wordt verkregen.1 De erfgenamen hebben nu eenmaal een erfdeel (onlosmakelijk) belast met afwikkelingsbewind verkregen, en als een bewind met daaraan gekoppelde zelfstandige verdelingsbevoegdheden van de afwikkelingsbewindvoerder aanleiding is tot een vermogensverschuiving, zal in het systeem van heffing omwille van het bereiken van het uiteindelijke resultaat hiermee rekening gehouden worden. De gedachte aan het in art. 3:77 BW neerlegde beginsel: 'erflater leeft' en de quasi-overeenkomstge-dachte, als een door erflater in het leven geroepen rechtsverhouding, komt weer op. Erflater spreekt immers ook nog na overlijdensdatum en wel door middel van zijn vertegenwoordiger: de executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Een rechtsverhouding die de Successiewet 1956 niet mag en niet kan negeren.
Ingehaakt zou kunnen worden bij 'de uitoefening van een wilsrecht, voortspruitende uit ten sterfdage reeds bestaande ofontstane rechtsverhouding'.De crux van een wilsrecht is immers dat het gaat om een door erflater gegeven recht om eenzijdigeen rechtsgevolg in het leven te roepen. Zo wordt een optie bijvoorbeeldgezien als een wilsrecht.2 Hoe ruim mag men het begrip 'wilsrecht' zien?
Schuttevaer-Zwemmer3 ziet het ruim en stelt me gerust. Met name de elasticiteit die deze auteurs de wet in 'de maatschappelijke tijdgeest' toedichten spreekt mij erg aan:
'Dat de term ''wilsrecht'' is geïntroduceerd, zonder definiering van dit zelfs civielrechtelijk vage begrip kan men de wetgever slechts ten goede houden. De uitdrukking laat ruimte voor zinvolle interpretatie tegen de achtergrond ook van de economisch-maatschappelijke gezichtspunten. De wetgever heeft - zie de MvT - tot uitdrukking willen brengen dat de wet de mogelijkheid kent van latere herrekening ''indien door een gebeurtenis na het overlijden aan de erfgenamen de voordelen van de uitoefening van een aanspraak als evenbedoeld alsnog toevallen''.Van zodanige gebeurtenissen geeft de wetgever eerder voorbeelden: '...de instelling van een rechtsvordering, (een bevoegdheid tot) het inroepen van een wettelijk erfdeel en dergelijke wilsrechten.'''
En uberhaupt is interessant hun gedachte die daaraan voorafgaat:
'Heffing van successie- en schenkingsrecht is in beginsel een heffing voor een keer, welke geschiedt ten laste van elke verkrijger persoonlijk. Daarom zou onredelijk worden gehandeld, als halt werd gemaakt bij een momentopname van de toestand ten tijde van de verkrijging. Van oudsher is aangenomen dat bij de rechtsheffing acht moet worden geslagen op latere ontwikkeling van op het moment van de verkrijging lopende rechtsverhoudingen'
Van belang is dat wij ons steeds realiseren dat de term wilsrecht niet vastomlijnd is in de Successiewet en slechts tot doel heeft de ontwikkeling van een ten sterfdage ontstane rechtsverhouding te kunnen blijven volgen totdat hij definitief 'uitgewerkt' is.
Een executeur-afwikkelingsbewindvoerder heeft naar mijn mening dan een (soort van) 'wilsrecht' om van de aan erflater op basis van art. 3:77 BW ontleende vertegenwoordigingsbevoegdheid gebruik te maken. Erflater heeft zijn wil als het ware (civielrechtelijk) 'geoorloofdgedelegeerd'. Een erfgenaam is aan deze wil gebonden alsof erflater de rechtshandeling zelf verricht heeft. De in het civielrechtelijke gedeelte getrokken conclusies dienen in beginsel ook voor de vraag wat successierechtelijk verkregen is, gevolgd te worden.
Naast het corrigerende systeem van de Successiewet 1956 bestaat er ook nog altijdhet instituut van de testamentaire last van art. 4:130 BW. Een instituut dat gelet op de in art. 4:144 BWopgenomen passage: 'onverminderd de testamentaire lasten' niet los van executele gezien worden.