NJB 2024/1423
Vertrouwensbeginsel en ontvankelijkheid OM in de vervolging, art. 348 Sv: het hof mocht de schriftelijke toezegging door de officier van justitie aan verdachte dat hij niet zou worden vervolgd indien hij zou voldoen aan de voorwaarde dat hij zich gedurende een proeftijd van één jaar ‘niet aan enig strafbaar feit zal schuldig maken dan wel op andere wijze zich zal misdragen’ zo uitgeleggen dat deze voorwaarde niet ziet op een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, maar op het ontstaan van een nieuwe verdenking dat de verdachte zich aan enig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dat de verdachte werd vrijgesproken van een feit dat tijdens de proeftijd zou zijn begaan, hoefde daarom niet tot nietontvankelijkheid van het OM in de vervolging te leiden.
HR 11-06-2024, ECLI:NL:HR:2024:807
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11 juni 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgeringm, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
22/02667
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:807, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑06‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:352, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑04‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑04‑2023
- Wetingang
(art. 348 Sv)
Essentie
Vertrouwensbeginsel en ontvankelijkheid OM in de vervolging, art. 348 Sv: het hof mocht de schriftelijke toezegging door de officier van justitie aan verdachte dat hij niet zou worden vervolgd indien hij zou voldoen aan de voorwaarde dat hij zich gedurende een proeftijd van één jaar ‘niet aan enig strafbaar feit zal schuldig maken dan wel op andere wijze zich zal misdragen’ zo uitgeleggen dat deze voorwaarde niet ziet op een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, maar op het ontstaan van een nieuwe verdenking dat de verdachte zich aan enig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dat de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.