Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.7.4
4.7.4 Nederlands niveau
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633477:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bunschoten 2015, artikel 1 GW, aant. 1, p. 11.
Kamerstukken II 1981/82, 16905-16938, nr. 5, p. 16.
Bunschoten 2015, artikel 1 GW, aant. 1, p. 11.
Jägers & Loof webeditie 2021, par. 4, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
Bunschoten 2015, artikel 1 GW, aant. 2, p. 12.
Commissie Hirsch Ballin 1988, p. 59.
Handelingen I, 1981/82, 27 april 1982, p. 392, eerste kolom.
Vermeulen 2000-a, p. 104.
Het ging om artikel 2:2 BW dat als uitwerking van artikel 6 GW de organisatievrijheid van kerkgenootschappen regelt.
R.o. 5 van het gerechtshof, aangehaald in HR 31 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9553.
Vermeulen 2000-a, p. 105.
Van Bijsterveld & Vermeulen webeditie 2021, par 1 en 11, laatst geraadpleegd op 29 november 2021. Vermeulen 2000-a, p. 105; Overbeeke & Sap 2014, p. 271, voetnoot 18.
Vermeulen 2000-a, p. 105, 106.
Van Bijsterveld 2018, p. 55, 163
Van Bijsterveld 2018, p. 43, 55, 163.
De Nederlandse grondwet bepaalt dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk worden behandeld (art. 1 GW, eerste volzin: gebod tot gelijke behandeling). Dit gebod is gericht aan de wetgevers, het bestuur en de rechter.1 Discriminatie wegens onder meer godsdienst en levensovertuiging is niet toegestaan (art. 1 GW, tweede volzin: discriminatieverbod als specificatie van het in de eerste volzin verwoorde gelijkheidsbeginsel). Volgens de regering is discriminatie een “onderscheid op grond van eigenschappen of kenmerken van personen, die in redelijkheid niet relevant zijn voor het bepalen van aanspraken en verplichtingen op een bepaald gebied van het maatschappelijk leven.”2 De eerste volzin van artikel 1 GW laat door zijn algemeenheid een grote beleidsvrijheid voor met name de wetgever open. De tweede volzin staat geen enkele discriminatie wegens de daar genoemde kenmerken toe.3 Opvallend is dat dit grondrecht in tegenstelling tot de andere in de Grondwet vervatte grondrechten geen beperkingsclausulering bevat.4 Het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod zijn verder uitgewerkt in onder meer de Awgb (Stb. 1994, 230).
De essentie van het grondrecht op gelijke behandeling is dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld en ongelijke behandeling gerechtvaardigd moet zijn.5 Het grondrecht houdt ook in dat ongelijke gevallen ongelijk moeten worden behandelend naar de mate van hun ongelijkheid.6 De vraag rijst op grond van welke criteria gevallen als gelijk of ongelijk worden aangemerkt. Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Opvattingen over wat gelijk of ongelijk is, zijn immers onderhevig aan de tand des tijds en afhankelijk van maatschappelijke ontwikkelingen.7 Verschil in behandeling is alleen geoorloofd voor zover er sprake is van objectieve en redelijke gronden daarvoor. De overheid is dus verplicht een ongelijke behandeling van gelijke gevallen te motiveren. Zo kan het in bijzondere omstandigheden nodig zijn dat de overheid kiest voor een voorkeursbehandeling van groepen die zich in een achterstandspositie bevinden.8 Deze positieve discriminatie moet tijdelijk zijn, noodzakelijk zijn om die achterstand in te halen en op objectieve en redelijke maatstaven berusten.9
Zoals hiervoor opgemerkt, vloeit de aanspraak op gelijk(waardig)e behandeling van religieuze en levensbeschouwelijke genootschappen ook voort uit artikel 6 GW, waarin de Grondwet beide vormen van genootschappen op geestelijke grondslag staatsrechtelijk dezelfde bescherming toekent. Dit impliceert opheffing van achterstandspositie van levensbeschouwelijke en niet-christelijke stromingen zodat ze evenals de christelijke stromingen recht hebben op eigen onderwijs en gelijkwaardige aanspraak op subsidie voor vormingsonderwijs. Het gelijkwaardigheidsbeginsel dat voortvloeit uit artikel 6 jo. artikel 1 GW vereist tevens gelijkschakeling van niet-christelijk en joodse religieuze organisaties (nieuwe religies) met die van gevestigde christelijke en joodse kerkgenootschappen.10 Dit wordt bevestigd in de Nederlandse jurisprudentie. In de zaak Zusters van Walburga was de rechter van oordeel dat ‘gezien de huidige multiculturele samenleving van ons land en de in artikel 6 Grondwet en diverse internationale verdragen verankerde gelijkheid van alle godsdiensten tegenover de Staat ook aan de aanhangers van andere dan de christelijke en joodse godsdienst het recht toekomt zich op voormeld artikel11 te beroepen.’12
Uit de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging volgt geen aanspraak op financiële ondersteuning door de overheid. In samenhang met het gelijkheidsbeginsel kan echter wel zo’n aanspraak ontstaan. Is aan de ene religieuze of levensbeschouwelijke instelling een bepaalde faciliteit toegekend, dan kan dit beginsel ertoe leiden dat een andere religieuze of levensbeschouwelijke instelling daar ook voor in aanmerking moet komen. Uiteraard vereist het scheidingsbeginsel steeds dat de overheid bij die steunverlening de organisatorische autonomie respecteert.13 Overigens zijn de financiële betrekkingen tussen de staat en kerk in Nederland inmiddels geminimaliseerd.14 Zo kaatst financiële steunverlening specifiek voor religieuze of levensbeschouwelijke activiteiten af op scheiding van kerk en staat, terwijl indirecte, algemene subsidieverlening voor monumenten (waaronder kerkgebouwen) wel geoorloofd is. Dit geldt ook voor subsidiëring van algemeen-maatschappelijke activiteiten van religieuze en levensbeschouwelijke organisaties, zoals onderwijs en maatschappelijk werk.15 Overheidsfinanciering vindt ook plaats bij geestelijke verzorging in overheidsinstellingen als de krijgsmacht en in justitiële instellingen.
Een belangrijke factor in de geschiedenis van de verhouding tussen kerk en staat in Nederland is volgens Van Bijsterveld dat de overheid de religieuze (christelijke en joodse) groeperingen kende en vertrouwd was met hun organisatiestructuur, leer en maatschappelijke werking. Dat geldt niet voor nieuwe religies die in de laatste decennia hun intrede in Nederland deden, zoals de islam. Omdat de diverse geloofsrichtingen in hun verhouding tot de samenleving en de overheid in verschillende ontwikkelingsstadia verkeren, zijn naar haar mening niet alle godsdiensten voor de overheid gelijke gevallen.16 Gezien de intrinsieke verschillen tussen godsdiensten (met inbegrip van hun manifestatie en positie in de samenleving) is differentiatie volgens haar onvermijdelijk.17 In haar visie zouden traditionele religies die meer ingebed zijn in de Nederlandse samenleving meer bescherming mogen genieten ten opzichte van de minderheidsreligies.
Hier past naar mijn mening het waarschuwende woord van het Mensenrechtencomité dat het in artikel 18 BUPO vastgelegde grondrecht op vrijheid van godsdienst en overtuiging niet beperkt is tot traditionele religies en de al dan niet religieuze levensbeschouwingen die overeenkomsten vertonen met traditionele religies.18 Het comité spreekt zijn zorgen uit over elke tendens tot het maken van onderscheid, met name als het gaat om nieuwe rsli’s of rsli’s die een religieuze of levensbeschouwelijke minderheid vertegenwoordigen.