Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.3.2.2
IV.3.2.2 Grondslag I: onterechte bestraffing en gelijksoortige nadelen
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596282:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie vooral § III.4.1.
Schwikkard 1998, p. 403.
Geeraets (2011, p. 276) die tracht zover mogelijk te blijven van wat hij noemt een ‘normatief strafbegrip’ waarin een noodzakelijk verband bestaat tussen het strafbegrip en de vergeldingstheorie, ontkomt er niet aan onder zijn ‘neutrale’ strafbegrip alleen opzettelijke leedtoevoeging te begrijpen, met dien verstande dat hij deze intentie meer als een soort waarschijnlijkheidsbewustzijn uitlegt, terwijl in meer gangbare definities leedtoevoeging als oogmerk vereisen.
Hart 1968, p. 5; Strijards 1987b, p. 56-57; Von Hirsch 1993, p. 9; Hildebrandt 2002, p. 145; Geeraets 2011, p. 276.
Zie ook Strijards 1987b, p. 57; Hildebrandt 2002, p. 131-132. Vgl. anders Hart 1968, p. 5; Packer 1968 p. 31-34. Ten Voorde (2015, p. 9-10) wijst terecht op het gebruik van de term ‘straf’ in allerlei andere verhoudingen (ouder-kind, voetbalbond-voetballer, enz.). In het navolgende gaat het evenwel – net als voor Ten Voorde – om straf in de verhouding overheid-burger. Die beperking vloeit voort uit de in de inleiding (§ I.4) gemaakte afbakening van het onderwerp van dit proefschrift: het gaat mij enkel om het strafrecht.
Vgl. Van Veen 1969, p. 17-19; Von Hirsch 1993, p. 9; Duff 2001, p. XV; De Hullu 2002, p. 8-9; Campbell 2013, p. 689; Ashworth & Zedner 2014, p. 14. Anders: Geeraets 2011, die zich verzet tegen een retributief strafbegrip. Dat straf niet altijd de verwijtbaarheid van de dader communiceert, neemt evenwel niet weg dat straf wel steeds een afkeuring voor de gedraging tot uitdrukking brengt, ook in Geeraets’ ‘neutrale’ strafbegrip.
§ II.6 en II.7.
Vgl. Stewart 2014, p. 413.
Overigens zien consequentialisten en retributivisten daarvoor verschillende redenen. Vgl. en contrasteer Von Hirsch 1993, p. 10 e.v.; Duff 2001, p. 28 e.v.
Ontleend aan Buruma 2009. Zie over die eerste categorie in relatie tot de onschuldpresumptie uitvoerig Doorenbos 2007, i.h.b. p. 94-96.
Trechsel (2005, p. 164) ziet in zijn handboek naast een outcome-related aspect een reputation-related aspect van de onschuldpresumptie. Daarmee legt hij veel nadruk op de hier genoemde reputatieschade. Wat teveel naar mijn smaak, waar hij zelfs het ondergaan van punitieve dwangmiddelen daaronder tracht te scharen (p. 180).
In een beschaafd strafrecht wordt ernaar gestreefd alleen straf toe te delen aan individuen die de strafwet daadwerkelijk hebben overtreden. Waarom dit van wezenlijk belang is voor de humaniteit en de geloofwaardigheid van de strafrechtspleging, kwam al uitvoerig aan bod in het vorige hoofdstuk.1 Het is de meest in het oog springende reden om aan het bewijsrecht een asymmetrische invulling te geven en van de overheid te verlangen overtuigend te bewijzen dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan.
Wordt het strafproces er overeenkomstig de bewijsdimensie op ingericht onschuldigen niet ten onrechte te veroordelen, dan moet voortredenerend worden vermeden dat een (nog) niet veroordeeld individu met de negatieve gevolgen van een veroordeling desalniettemin wordt belast. De behandelingsdimensie vormt in dit opzicht de “logische consequentie” van de bewijsdimensie.2 Het verbod op bestraffing zonder dat de schuld van de verdachte beyond reasonable doubt is, beschermt in samenspel met het legaliteitsbeginsel tegen willekeurige bestraffing. De bescherming van de behandelingsdimensie gaat zelfs verder, doordat niet alleen tegen onterechte maar ook tegen te zware bestraffing wordt beschermd. In de waarheidsvinding die met de strafprocedure wordt nagestreefd, bestaat immers veel ruimte voor het verhaal van de verdachte. Dat leidt niet alleen soms tot vrijspraak, maar ook tot het oordeel dat een (zware) straf ongepast is. Ook daarom is het riskant op de uitkomst van een strafzaak vooruit te lopen.
Behandeling als schuldige heeft namelijk vaak grote, negatieve en onherstelbare gevolgen. Zij openbaren zich bij uitstek in de oplegging van straf. Straf is een intentionele3 leedtoevoeging in reactie op een overtreding van een norm,4 waarmee van overheidswege5 afkeuring voor die gedraging tot uitdrukking wordt gebracht.6 Straf is dus per definitie een reactie op ongewenst gedrag. Officiële, formele straffen die als zodanig door de wetgever zijn aangemerkt, impliceren derhalve normovertreding. In de idee dat onschuldigen bij voorkeur evenmin onnodig worden blootgesteld aan negatieve consequenties van bejegening als schuldige die met straf in materiële zin te vergelijken zijn, vindt de behandelingsdimensie in belangrijke mate haar oorsprong.7
Beide negatieve kenmerken van de straf – intentionele leedtoevoeging en (publiekelijke) afkeuring – kunnen buiten de daarvoor geschapen institutionele kaders voorkomen. Veel niet als officiële straf aan te merken overheidshandelingen zijn in het leed dat zij toevoegen gelijk aan de officiële straf en bovendien – net als die straf – irreparabel. Het lynchen en ‘gedwongen verdwijnen’ van onschuldige burgers zijn catastrofale voorbeelden van een dergelijke behandeling. Langdurige opsluiting zonder proces negeert de behandelingsdimensie en holt daarmee de bewijsdimensie uit: er wordt niet zonder overtuigend schuldbewijs veroordeeld en gestraft, maar zonder bewijs, veroordeling en officiële straf blijft men niettemin gedetineerd.8 De toepassing van dwangmiddelen kan veel van straf weg hebben en dezelfde materiële rechten van de betrokkene beperken. Ingrijpende dwangmiddelen, zoals lichaamsvisitatie, huiszoeking, inbeslagneming en voorlopige hechtenis kunnen onherstelbare gevolgen hebben. In het oog springt het belang van de verdachte bij een behoedzame en terughoudende toepassing en tenuitvoerlegging van dergelijke bevoegdheden.
Bestraffing brengt daarnaast, per definitie, een afkeurende boodschap met zich. Communicatie van die afkeuring en het daarvan uitgaande stigmatiserende effect, zijn op zichzelf nuttig.9 Dat stigma berokkent echter schade aan de betrokkene die soms nauwelijks herstelbaar is. Al wordt hij later van alle blaam gezuiverd, dan nog kan een schandpaalachtige bejegening onomkeerbare consequenties hebben voor de verdachte. Treffende voorbeelden zijn de van fraude betichte onderneming en de van een zedenmisdrijf verdachte onderwijzer.10 De behandelingsdimensie beoogt die schade zoveel mogelijk te reserveren voor hen van wie is vastgesteld dat zij die consequenties aan hun daad hebben te wijten.11