De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/7.5:7.5 Conclusie
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/7.5
7.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS385214:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is de verenigbaarheid van het bepaalde in art. 2: 20 BW met art. 11 EVRM onderzocht. Art. 11 staat toe dat de verdragsstaten de vrijheid van vereniging beperken voor zover dat noodzakelijk geacht kan worden in een democratische samenleving in het kader van de nationale veiligheid, openbare orde, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Uit met name het Hells Angels-arrest valt af te leiden dat de Hoge Raad deze uitzondering niet ruim wenst te verstaan, ook niet waar het betreft verenigingen met sterke criminele antecedenten. Daarmee lijkt de Hoge Raad strenger te toetsen dan door het EHRM wordt verlangd. Het EHRM lijkt met name kritisch te toetsen aan de vraag of een inbreuk kan worden gerechtvaardigd, waar politieke partijen in hun mogelijkheden worden beperkt. Het EHRM lijkt er minder moeite mee te hebben dat een vereniging die mede verantwoordelijk wordt gehouden voor herhaaldelijke ernstige verstoringen van de openbare orde wordt verboden door de nationale rechter.
Ten aanzien van het bepaalde in art. 2: 20 lid 3 BW – de verbodenverklaring van rechtswege voor rechtspersonen die op een terreurlijst zijn geplaatst – dient Nederland ervoor te waken dat een effectief rechtsmiddel bestaat tegen een listing. Bij gebrek aan rechtswaarborgen gaat het rechtsgevolg dat art. 2: 20 lid 3 BW in het leven roept verder dan kan worden gerechtvaardigd in een democratische samenleving. De jurisprudentie – vooral op Unieniveau – is op dit moment nog sterk in ontwikkeling. In deze jurisprudentie is het belang van een adequate rechtsbescherming steeds prominenter geworden. Het belang dat veiligheidsdiensten hebben bij geheimhouding van hun bronnen en het belang van een eerlijk proces staan in deze procedures op gespannen voet met elkaar. In Nederland is het mogelijk dat bewijsmateriaal dat ten grondslag ligt aan een listing alleen door de (bestuurs)rechter zal kunnen worden ingezien teneinde de vertrouwelijkheid te bewaken. De procedure op Unieniveau – bij het Gerecht en het Hof van Justitie – voorziet vooralsnog niet in deze mogelijkheid. Het lijkt mij onvermijdelijk – mede in het licht van de jurisprudentie van het EHRM – dat ook op Unieniveau voorzien zal moeten worden in een dergelijke mogelijkheid.