Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/2.2.4:2.2.4 Economische theorie van de transactiekosten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/2.2.4
2.2.4 Economische theorie van de transactiekosten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604180:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De economische theorie van de transactiekosten bouwt voort op onder meer de opvattingen van Coase en de agentschaptheorie. In de theorie wordt onderkend dat ruilen op markten gepaard kan gaan met transactiekosten. Deze kosten kunnen zo hoog zijn, dat het voordelig is om een bepaalde transactie niet op de markt tot stand te brengen, maar de desbetreffende activiteit binnen de onderneming te ontplooien.
In de transactiekostentheorie staat centraal dat productie- en ruilprocessen op een zodanige wijze moeten worden gestructureerd, dat zij in onderlinge samenhang effectief en zo efficiënt mogelijk verlopen. Net als Bartman en Dorresteijn (2006) ben ik van mening dat deze theorie een verklaring kan zijn voor concernvorming.
In de transactiekostentheorie wordt veel aandacht besteed aan het feit dat een organisatie kan overgaan tot ‘integratie’ van een activiteit. Het gaat hierbij om verticale bewegingen binnen de bedrijfskolom. Wiliamson (1985) onderscheidt verschillende vormen van integratie, zoals de uitbreiding tot het distributie- en verkoopproces (‘forward integration into distribution’) en de uitbreiding tot de inkoop van onderdelen (‘lateral integration’) of van grondstoffen (‘backward integration’). Integratie zal in de regel leiden tot een verzameling van activiteiten binnen een organisatie die met elkaar verband houden. Dit geeft naar mijn mening het belang van economische verbondenheid aan.
Er kan ook sprake zijn van een horizontale beweging in de vorm van ‘diversificatie’. In dat geval start een organisatie activiteiten in verschillende bedrijfskolommen, maar wel op een vergelijkbaar niveau binnen die kolommen. Diversificatie kan gerelateerd zijn aan de bestaande producten van de organisatie, indien door de productie en verkoop van een tweede product de kosten van het hoofdproduct kunnen worden verminderd. Er kan uit hoofde van risicospreiding ook sprake zijn van niet-gerelateerde producten. Economische verbondenheid kan dan ontbreken.
In de transactiekostentheorie wordt ook aandacht besteed aan ‘multinationalisatie’. Hiermee wordt bedoeld dat het product dat een organisatie in het ene land op de markt brengt, ook in een ander land verkocht gaat worden. Naar mijn mening wijst multinationalisatie op het bestaan van grensoverschrijdende economische verbondenheid.
Voor de indeling van organisatiestructuren wordt in de transactiekostentheorie onderscheid gemaakt tussen de U-vorm (‘unitary form’) en de M-vorm (‘multidivisional form’). Dit is mede gebaseerd op het werk van Chandler (1962), die op basis van onderzoek bij enkele grote Amerikaanse ondernemingen concludeert dat een strategie van diversificatie kan resulteren in communicatie- en beslissingsproblemen. Deze problemen kunnen worden opgelost door de organisatiestructuur aan te passen. Chandler merkt op:
‘Unless structure follows strategy, inefficiency results.’
In dit verband onderscheidt Chandler drie structurele organisatievormen. Bij ‘type 1’ is de organisatie een verlengstuk van de belangen, mogelijkheden en beperkingen van de ondernemer zelf. Deze vorm wordt vaak aangetroffen bij kleine eenmanszaken, waarbij meestal slechts één product wordt gevoerd. Naarmate de onderneming groeit, ontstaat ‘type 2’ waarbij wordt gekozen voor een functionele organisatie in afdelingen, bijvoorbeeld productie, financiën en marketing. ‘Type 3’ vloeit voort uit beheersmatige problemen die ontstaan als gevolg van diversificatie. Omdat het management meer strategische beslissingen moet nemen, ontstaat een multidivisionele structuur. Hierbij moet een balans worden gevonden tussen centrale coördinatie van het beleid door het topmanagement en de autonomie van het divisiemanagement. Zoals hiervoor is opgemerkt, duidt dit op het belang van organisatorische verbondenheid.
Evenals bij Chandler’s ‘type 1’, worden bij de U-vormige organisatiestructuren zoveel mogelijk functies rechtstreeks onder het gezag van een centrale leiding geplaatst. Daarentegen kent de M-vorm een decentrale besturing, waarbij de leiding van de verschillende divisies min of meer autonoom is, terwijl het topmanagement belast is met het vormen van het strategische beleid. Dit komt overeen met ‘type 3’ in de classificatie van Chandler.
Williamson (1985) beschrijft dat veel ondernemingen oorspronkelijk een U-vormige structuur kenden. De groei van deze ondernemingen leidde echter tot verlies van het centrale gezag (‘cumulative control loss’) en ondermijning van de strategische besluitvorming. Deze problemen werden opgelost door invoering van de M-vorm. Deze indelingen zijn naar mijn mening interessant omdat zij onderstrepen dat er – ongeacht de fase waarin een onderneming zich bevindt – belang wordt gehecht aan centrale leiding, coördinatie en beheersing. Dit geeft nogmaals het belang van organisatorische verbondenheid aan.
Williamson merkt op dat de M-vorm oorspronkelijk werd geïmplementeerd in ondernemingen met gespecialiseerde bedrijfsprocessen. Echter, nadien bleek deze organisatiestructuur ook geschikt om afzonderlijke, niet-gerelateerde bedrijfsonderdelen te beheersen. Hij spreekt in dit verband over conglomeraten. Hierin kan een aangrijpingspunt worden gevonden voor de omschrijving van verbondenheid: hoewel binnen de M-vorm organisatorische verbondenheid waarschijnlijk wel aanwezig is, mag niet als vanzelfsprekend worden aangenomen dat er ook sprake is van economische verbondenheid. Dit maakt het verschil tussen een ‘concern’ en een ‘conglomeraat’.