Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.4.1
VII.4.1 Inleiding
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373738:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 23. De zin uit het rapport kwam vervolgens (bijna) letterlijk terug in de toelichting op het voorontwerp uit 1981, p. 29. Zie de Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 27, aangehaald in Kamerstukken 18 905, nr. 57c (Nadere MvA), p. 2. Kroeze (2004), p. 82, interpreteert de passage in de toelichting overigens anders. Volgens hem volgt er niet uit dat een afzonderlijke vordering nodig is. Omdat de ruzie in de vennootschap leidt tot waardedaling van de aandelen van de (uittredende) aandeelhouder, behoort de vordering niet tot de activa, aldus Kroeze (2004), p. 84-85. Zowel bij de uittreding als de uitstoting is volgens hem derhalve sprake van een rechtstreekse vordering.
Aan de verhouding met een mogelijke schadevergoedingsvordering werden bij de totstandkoming van de geschillenregeling niet veel woorden vuil gemaakt. Voor de uittredende aandeelhouder bleef 'uiteraard' de mogelijkheid bestaan om naast de uittredingsvordering van art. 2:343 BW bij de gewone rechter een zelfstandige vordering in te stellen op grond van het feit dat tegenover hem onrechtmatig is gehandeld.1 Maar ook de feiten die tot uitstoting aanleiding geven kunnen reden vormen voor een vordering ex art. 6:162 BW. De uit te stoten aandeelhouder kan gedrag vertonen waarmee hij het belang van de vennootschap schaadt (art. 2:336 lid 1 BW) en onrechtmatig handelt. Voor de twee geschillenregelingprocedures geldt dat de schadevergoedingsvordering steeds tegen de gedagvaarde aandeelhouder moet ingesteld.
In deze paragraaf bespreek ik de samenhang tussen de uitstoting of de uittreding en een vordering tot schadevergoeding op de voet van art. 6:162 BW. Eerst bekijk ik of er sprake is van afgeleide schade. Vervolgens komt de noodzaak om twee procedures te voeren aan de orde. Hierbij ga ik in op het gebrek aan synchroniciteit in hoger beroep. Tot slot komt het wetsvoorstel Flex-BV aan de orde, waarin de wetgever de procedures tracht samen te voegen en te stroomlijnen. Ik sluit af met enkele bevindingen.