Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.5:8.5.5 Verhouding algemene en bijzondere herzieningsregeling
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.5
8.5.5 Verhouding algemene en bijzondere herzieningsregeling
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291202:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de paragrafen 8.5.3 en 8.5.4 volgt dat wijzigingen in het recht op aftrek als bedoeld in art. 185 Btw-richtlijn zowel op grond van de algemene herzieningsregeling (zie paragraaf 8.5.3) als de bijzondere herzieningsregeling voor onroerende investeringsgoederen (zie paragraaf 8.5.4) tot herziening van de aftrek van de btw op een onroerend investeringsgoed kunnen leiden. Welke herzieningsregeling op een onroerend investeringsgoed van toepassing is, hangt naar mijn mening af van twee variabelen:
de aanvang van de herzieningsperiode voor onroerende investeringsgoederen (verwerving/vervaardiging of ingebruikneming); en
het moment waarop de wijziging in het recht op aftrek zich voordoet (vóór of na ingebruikneming).
Naar mijn mening kan de btw op het investeringsgoed wegens een wijziging in het recht op aftrek uitsluitend op grond van de algemene herzieningsregeling – en dus volledig – worden herzien indien de betreffende lidstaat heeft gekozen voor een herzieningsperiode die aanvangt op het moment van ingebruikneming van het onroerende investeringsgoed (zie paragraaf 8.5.4.4) én de wijziging in het recht op aftrek als bedoeld in art. 185 Btw-richtlijn zich voordoet nadat het recht op aftrek is ontstaan en toegepast, maar vóór of uiterlijk op het moment van de ingebruikneming van het onroerende investeringsgoed. In de overige gevallen leidt een wijziging in het recht op aftrek als bedoeld in art. 185 Btw-richtlijn gedurende de herzieningsperiode tot een gespreide herziening van de btw op het onroerend investeringsgoed op grond van de bijzondere herzieningsregeling voor onroerende investeringsgoederen.