Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.4.2.1
9.4.2.1 (On)geoorloofde mate van dwang door bedreiging geldboetes en gevangenisstraf
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492234:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 25 februari 1993 (Funke t. Frankrijk),BNB 1993/350 (m.nt. Wattel); FED 1993/628 (m.aant. Feteris); NJ 1993, 485 (m.nt. Knigge).
EHRM 21 december 2000 (Heaney en McGuinness t. Ierland).
EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland),BNB 2002/26 (m.nt. Feteris); NJ 2003, 354 (m.nt. Schalken).
EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge).
EHRM 4 oktober 2005 (Shannon t. Verenigd Koninkrijk).
Vgl. EHRM 10 september 2002 (Allen t. Verenigd Koninkrijk), FED 2003/589 (m.aant. Thomas); NJCM-Bulletin 2003, p. 160.
EHRM 20 oktober 1997 (Serves t. Frankrijk), NJ 1998, 758 (m.nt. Knigge).
EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema); FED 2008/81 (m.aant. Thomas), § 58.
EHRM 10 januari 2008 (Lückhof en Spanner t. Oostenrijk), § 54.
Vgl. de rechtspraak over het ‘criminal’-begrip, die in § 3.3.2.2 ter sprake kwam.
EHRM 4 oktober 2005 (Shannon t. Verenigd Koninkrijk), § 17. Ter vergelijking: een van de (Engel-)criteria voor de beoordeling of een sanctie naar nationaal recht een ‘criminal’ ofwel strafkarakter heeft, is de zwaarte van de (maximaal bedreigde) straf (zie § 3.3.2.2).
Wanneer dit juist is, dan is mogelijk nog van belang of in de praktijk wel sancties worden opgelegd aan weigeraars. Is dat zelfden of nooit het geval, dan is sanctiedreiging in feite zonder betekenis.
Zie § 6.3.2 hiervoor. Uit het arrest volgt mijns inziens niet dat het Hof van opvatting is dat niet nodig is dat de autoriteiten op het bestaan van sancties wijzen en (dus) het enkele bestaan ervan volstaat om sanctiedreiging aan te nemen. Er moet in de gegeven omstandigheden sprake zijn van (verondersteld) bewustzijn omtrent het bestaan van sanctiedreiging.
Vgl. EHRM 24 september 2009 (Pishchalnikov t. Rusland), NJ 2010, 191 (m.nt. Reijntjes), § 71: ‘Their rationale [van het zwijgrecht en het niet-meewerkrecht – LW] lies, inter alia, in the protection of the accused against improper compulsion by the authorities, thereby contributing to the avoidance of miscarriages of justice and to the fulfilment of the aims of Article 6.’
Hoe zwaar een geldboete of gevangenisstraf volgens het EHRM moet zijn om de essentie van het recht tegen gedwongen zelfbelasting aan te tasten, laat zich ondanks het aantal zaken waarin deze sancties aan de orde zijn hoogstens bij benadering vaststellen.
Ontoelaatbare geldboetes en gevangenisstraf
Voorbeelden van sanctiedreiging of -oplegging die het EHRM ontoelaatbaar heeft geoordeeld, zijn de cumulatieve geldboetes ad FF 1.200 en FF 20 per dag in Funke1, de zes maanden gevangenisstraf in Heaney en McGuinness2, de repeterende boetes ad CHF 1.000, 2.000 en 5.000 in J.B.3, de geldboete of maximaal twee jaren gevangenisstraf in Saunders4en de geldboete van ten hoogste GBP 5.000 of maximaal zes maanden gevangenisstraf in Shannon5.
Toelaatbare geldboetes en gevangenisstraf
Voorbeelden van toelaatbaar geoordeelde dwang zijn de geldboete van maximaal GBP 300 in Allen6, de door de rechter opgelegde boetes van FF 500, FF 2.000 en FF 4.000 in Serves7en de boetedreiging van GBP 1.000 in O’Halloran en Francis, die het Hof ‘moderate and non-custodial’ vindt8. In Lückhof en Spanner varieerde de maximale boete van ATS 3.000 (€ 210) tot ATS 30.000 (€ 2.180), en overweegt het Hof dat het verschil met de boetes in O’Halloran en Francis niet bepalend is voor de (al dan niet toelaatbare) mate van dwang die op de klagers is uitgeoefend.9 Dit verandert niet doordat in laatstgenoemde zaak ook een gevangenisstraf kon worden opgelegd, variërend van twaalf uren tot twee dagen.
Bij mate van dwang staat maximale sanctiedreiging voorop en niet opgelegde sanctie
Ik merk op dat niet de daadwerkelijk opgelegde sanctie van belang lijkt voor de vaststelling welke mate van dwang tot zelfbelasting van juridische sancties uitgaat, maar de maximale sanctiedreiging.10 Zo bedroeg de aan Shannon opgelegde geldboete GBP 200. De maximaal op te leggen straf was een geldboete van GBP 5.000 of zes maanden gevangenisstraf.11 Hoewel de opgelegde boete van GBP 200 op zichzelf ‘moderate and non-custodial’ is, neemt het Hof toch schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting aan.
Dat de maximale sanctiedreiging voorop zou staan, kan worden verklaard doordat het gaat om het effect van de maximale sanctiedreiging op het verhoor. De eventuele bij weigering op te leggen sanctie is dan (nog) niet bekend.12 In Lückhof en Spanner neemt het Hof (zelfs) directe dwang aan in een geval waarin één van de klagers niet zelf met sancties was bedreigd. Het moest hem niettemin duidelijk zijn geweest dat het niet verstrekken van de gevorderde medewerking voor hem gevolgen zou hebben, zoals het opleggen van een geldboete.13
Grens ligt bij sanctiedreiging van circa € 2.200 of een gevangenisstraf van meer dan enkele dagen
Uit de sancties die in de zo-even genoemde zaken speelden, lijkt voorlopig te volgen dat (de dreiging van) een geldboete vanaf circa € 2.200 of een gevangenisstraf van meer dan enkele dagen ontoelaatbare dwang impliceert. Althans, in Lückhof en Spanner acht het Hofde maximale boete van (omgerekend) € 2.180 nog toelaatbaar en in O’Halloran en Francis de maximale gevangenisstraf van twee dagen. Dan wordt gerekend buiten andere omstandigheden en de bijzondere kenmerken van de nationale procedure(s) – ‘coercive’ en ‘criminal’ –, die binnen de globale benadering meewegen bij de vaststelling of de op de verdachte uitgeoefende dwang al dan niet toelaatbaar is. Hiertoe zijn ook te rekenen de andere twee toetsingsfactoren voor schending, die in de komende twee hoofdstukken centraal staan.
Ik merk op dat het Hof niet uitdrukkelijk heeft aangegeven dat en waarom de grens tussen toelaatbare en ontoelaatbare dwang ligt bij (dreiging van) circa € 2.200 of een gevangenisstraf van meer dan enkele dagen. Ik vermoed dat een overtuigende onderbouwing voor een concrete, harde grens niet is te geven. Of dergelijke sancties justitiële dwalingen in de hand werken dan wel in de weg staan aan de realisatie van de doelstellingen van art. 614, is niet gegeven. Gelet op de grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, zullen die sancties dan afbreuk moeten doen aan de betrouwbaarheid van het bewijs en/of het respecteren van de menselijke waardigheid en autonomie. Dat is situatie- en persoonsafhankelijk. Zo zal een boetedreiging van circa € 2.200 heel anders worden ervaren door een bijstandsgerechtigde dan door een vermogende particulier, laat staan een beursgenoteerde onderneming. De laatste twee zullen waarschijnlijk vooral vrezen voor publiciteit c.q. reputatieschade (die vooral ook kan worden opgeroepen door een gevangenisstraf; al was het maar voor een dag).
Meer in het algemeen lijkt de zwakke stee in de toetsingsfactor dwang, dat binnen het toetsingskader voor schending de persoon van de verdachte een nogal ondergeschikte rol speelt. Zie over die rol § 9.6 hierna.