RI 2016/16
Bestuurdersaansprakelijkheid. Op welke wijze moeten bestuurders aantonen dat, ondanks dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, dit niet een belangrijke oorzaak van het faillissement is, nu een deel van de administratie kwijt is? (Appellanten/curator)
Hof Arnhem-Leeuwarden 10-11-2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8504
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
10 november 2015
- Magistraten
Mrs. R.A. van der Pol, G. van Rijssen, B.F. Assink
- Zaaknummer
200.141.949/01
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS922523:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHARL:2015:8504, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 10‑11‑2015
- Wetingang
Art. 2:10, 2:248, 2:377 lid 6, 2:394 BW
Essentie
Bestuurdersaansprakelijkheid.
Bestuurders vooralsnog niet aansprakelijk voor het faillissementstekort, weerlegging bewijsvermoeden van art. 2:248 BW. Op welke wijze moeten bestuurders aantonen dat, ondanks dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, dit niet een belangrijke oorzaak van het faillissement is, nu een deel van de administratie kwijt is?
Samenvatting
Op 8 augustus 2006 wordt aan Betelgeuze B.V. surseance van betaling verleend. Op 14 augustus 2006 wordt de surseance omgezet in een faillissement. De curator realiseert een doorstart. De fysieke administratie hebben de bestuurders van Betelgeuze op verzoek van de curator in een aparte kamer ondergebracht. De ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.