Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/4.2.1.4.5
4.2.1.4.5 Herstructureringen
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS406872:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
A. van Hees, Voorwaarden voor het instellen van de pauliana, p. 9.
Zie uitgebreid De Serière, Enige opmerkingen omtrent financiële herstructurering en (faillissements)pauliana, p. 79.
Abendroth, Herfinanciering van noodlijdende ondernemingen, p. 56.
Conclusie Huydecoper voor HR 2 februari 2007, JOR 2007/102 (Van Emden q.q./Rabo). In een voetnoot kwalificeert Huydecoper nog het door hem gebezigde woord opzet. Wet door mij hier gebruikte woord 'opzet' kan verkeerd worden begrepen. Het is niet nodig dat partijen het er opzettelijk op toe leggen, crediteuren te benadelen. Het is voldoende dat zij handelen met de (geobjectiveerde) wetenschap dat hun handelwijze tot benadeling van crediteuren strekt.' Hier vult Huydecoper het begrip opzet in door te verwijzen naar 'wetenschap' en zou de wetenschap voldoende zijn om opzet aan te kunnen nemen. Elders hanteert Huydecoper echter juist weer het begrip opzet om de wetenschap in te vullen Huydecoper meent dat het verbindende argument tussen wetenschap en benadeling door het element van onbetamelijkheid wordt gevormd. Hij stelt daartoe uiteindelijk zelfs dat het er om moet gaan dat 'het doel' van de handeling de benadeling moet zijn. Huydecoper: 'Daarvan is sprake bij het aangaan van rechtshandelingen waarvan men weet dat die (andere) crediteuren zullen benadelen, maar alleen wanneer dát inderdaad het doel is dat de betrokkenen op het oog hebben (te weten: benadeling, meestal natuurlijk tot eigen voordeel, van crediteuren).'
HR 12 november 1999, JOR 2000/86.
Hoewel erg verweven met de feiten, is het arrest HR Van Emden q.q./Rabo (IIR 2 februari 2007, JOR 2007/102) in dit verband ook een interessant, zij het enigszins merkwaardig, arrest. In cassatie betoogt de curator onder meer dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat er geen sprake is geweest van benadeling. De Hoge Raad verwerpt dit middel door te overwegen dat de curator hier geen belang bij heeft nu reeds het middel dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de bank geen wetenschap van benadeling had, was verworpen. De Hoge Raad meent kennelijk dat het hof op goede gronden heeft kunnen aannemen dat een dergelijke wetenschap niet bestond. De overweging van de Hoge Raad zijn m.i. echter onvoldoende voor dit oordeel. De argumenten die de Hoge Raad aandraagt geven maar zeer beperkt inzicht in de vraag in hoeverre partijen wel of geen wetenschap van benadeling hadden. Met name het argument (to. 3.4) dat de schuldenaar CBS bij de herstructurering 'een in de kern gezonde onderneming verkreeg en dat een en ander daarom niet tot benadeling van de crediteuren van CBS zou leiden' is niet sluitend. De vraag of de eigen onderneming gezond is, ook wanneer deze bij een herstructurering verkregen wordt, zegt weinig over de vraag of de herstructurering als geheel succesvol zal zijn. Indien de herstructurering als geheel gedoemd is te mislukken, dan kan de te verkrijgen onderneming wel gezond zijn, maar daarmee is geenszins gezegd dat de herstructurering als geheel en het toetreden tot financieringsovereenkomsten in dat verband niet voorzienbaar tot benadeling zal leiden. Zie over de vele onduidelijkheden in de procedure ook de conclusie van A-G Huydecoper.
Hierboven weergegeven in § 4.2.1.3.2.
Mogelijk heeft de Hoge Raad zich laten leiden door de toelichting van de commissie bij het Voorontwerp. De commissie noemt herstructureringen als een geval dat volgens haar weliswaar binnen het toepassingsgebied van artikel 3.2.5VO valt, maar niet aan de norm van artikel 3.2.5 VO voldoet (Toelichting Voorontwerp, p. 223). `Hetzelfde geldt voor de gevallen waarin een financier bereid blijkt om daadwerkelijk een (aanvullende) financiering tegen verstrekking van zekerheden wil verzorgen en insolventie nog niet onvermijdelijk is. Ingeval van een — op zichzelf als onverplicht aan te merken — aanvullende financiering met bijbehorende additionele zekerheden, moet die getoetst worden aan artikel 3.2.3. De onderhavige pauliana komt pas in beeld als de reddingsactie niet slaagt en een insolventverklaring volgt. Blijkt nu de financier te optimistisch te zijn geweest en bij de reddingsactie de insolventverklaring redelijkerwijze niet te hebben kunnen voorzien, dan hoeft hij niet bang te zijn voor een succesvolle actie door de bewindvoerder. Bovendien zal er in dergelijke gevallen van een benadeling van schuldeisers geen sprake zijn, indien er een proportionaliteit is en de aanvullende zekerheden niet dienen om een onderdekking voor de reeds bestaande financiering weg te nemen of een feitelijk overstand van het bestaande krediet slechts op papier wordt gesanctioneerd zonder terbeschikkingstelling van nieuw krediet.' Zie voor uitgebreide kritiek op deze passage en artikel 3.2.5 VO meer algemeen, hieronder § 4.2.4. Opmerking verdient hier reeds dat de opmerking dat er van benadeling geen sprake is indien er nieuw krediet wordt verschaft, haaks staat op de rechtspraak van de Hoge Raad. Zonder deze loze, geruststellende toevoeging van de commissie over de benadeling, ontstaat toch een mi. alarmerend beeld.
Zie De Bra, Insolvenzordnung Kommentar, p. 864, ten aanzien van handelingen die anders als een incongruente voldoening zouden kwalificeren: `Auch inkongruente Leistungen, die im Rahmen eines ernsthaften Sanierungsplanes erfolgen, haben keinerlei Beweiswert. Voraussetzung ist freilich, daβ der Sanierungsplan mindestens ein in sich schlüssiges Konzept aufweist, das von den erkannten und erkennbaren tatsächlichen Gegebenheiten ausgeht und nicht offensichtlich undurchführbar ist. Ob der Sanierungsplan dann gleichwohl scheitert, ist irrelevant.' Zie ook Kreft, Aktuelle Probleme der Insolvenzanfechtung, p. 157.
Kirchhof, Münchener Kommentar zur Insolvenzordnung, p. 572.
Zie hierover hoofdstuk 1 (§ 1.5.4).
HR 12 november 1999, JOR 2000/86.
Zie expliciet HR 22 december 2009 (Van Dooren q.q./ABN AMRO). Deze onderzoeksplicht is ook reeds besproken in § 4.2.1.4.4.
Een onderneming in zwaar weer met aanhoudende verliezen, zal in de regel de mogelijkheden bezien om haar activiteiten weer winstgevend te maken. Herstructureringen bestaan veelal uit tal van maatregelen, waarbij verkopen en nieuwe aankopen plaatsvinden, nieuwe financieringsovereenkomsten worden gesloten en nieuwe zekerheidsrechten worden bedongen. Deze herstructureringen zijn in de regel kostbaar. Niet alleen dienen adviseurs zoals advocaten en consultants betaald te worden, maar vaak zijn er ook aanzienlijke eenmalige kosten in de vorm van vertrekregelingen voor personeel en mogelijk contractuele boetes bij het beëindigen van contracten. Niet alleen zijn herstructureringen kostbaar, ook vinden ze veelal plaats op een moment dat de onderneming er slecht voor staat. Veelal worden bij een herstructurering nieuwe zekerheden verschaft voor nieuwe of aangepaste financieringen. Herstructureringen vertonen daarmee het beeld waarbij meerdere rechtshandelingen verricht worden die, indien faillissement volgt, benadelend zijn, én er tevens duidelijke signalen zijn dat het zeer wel mogelijk slecht kan aflopen met de onderneming indien de herstructurering niet slaagt.
A. van Hees stelt het volgende ten aanzien van deze problematiek:
`Vertaald naar het hiervoor gegeven voorbeeld, zal naar ik meen, geen wetenschap van benadeling mogen worden aangenomen zolang als redelijkerwijze rekening gehouden kan worden met het op de ene of andere wijze weer financieel gezond worden van de schuldenaar'1
De Serière geeft een meer uitgebreide analyse van de paulianarisico's bij herstructureringen. Hij komt tot de conclusie dat ook indien de kredietverschaffers weten dat door het verlangen van additionele zekerheden de verhaalsmogelijkheden voor de concurrente crediteuren aanzienlijk minder worden, dit nog niet de vereiste wetenschap van benadeling oplevert. Wel zullen er volgens hem 'gegronde redenen moeten zijn voor de bank om aan te nemen dat de financiële toestand van de debiteur zal verbeteren'.2 Ook Abendroth meent dat het antwoord op de vraag of zekerheden verstrekt in het kader van een herstructurering staat of valt met de vraag of er — kort gezegd — een realistisch plan is.
`De banken plegen in dergelijke gevallen om een doortimmerd business plan en bijbehorend financieringsplan te vragen ter onderbouwing van de gestelde (her)financieringsbehoefte. De banken zullen dat op haalbaarheid willen beoordelen —en bedienen zich daarbij regelmatig ook van externe adviseurs —, omdat zij immers de eersten zijn die door extra of doorgaande kredietverschaffing risico lopen. (..) Zolang de banken maar zorgen dat de beslissing om door te financieren zorgvuldig en dus niet lichtvaardig wordt genomen, kan het voor hen eigenlijk niet mis gaan. De bank die tegen zakelijke zekerheid geld steekt in een bij voorbaat kansloos reddingsplan, zit dus gewoon met zijn vingers tussen de deur'3
Bij herstructureringen treedt in de benadering van Abendroth en Van Hees een perspectiefwisseling op bij de invulling van de wetenschap van benadeling en dan met name ten aanzien van de vraag in hoeverre het faillissement voorzien kon worden. De vraag verandert van in hoeverre het faillissement kon worden verwacht, naar de vraag in hoeverre er reële kansen zijn dat het faillissement kan worden afgewend.
De benadering waarbij een perspectiefwisseling plaatsvindt van kijken naar de voorzienbaarheid van insolventie naar het bezien naar de kansen op het vermijden ervan, wordt ook gevolgd door A-G Huydecoper in zijn conclusie voor HR Van Emden q.q./Rabo. Hij schrijft:
`Suggereren de omstandigheden daarentegen dat partijen een bonafide "reddingspoging" voor ogen stond, dan hoeft slechts bij in het oog springende onaannemelijkheid van het reddingsplan te worden gedacht aan een minder betamelijke opzet (van partijen).’4
Huydecoper lijkt te veronderstellen dat de partijen iets hebben uit te leggen, met name of er een bonafide reddingspoging was. Indien de omstandigheden dit suggereren, dan zal in de visie van Huydecoper waarschijnlijk een zware bewijslast op de curator rusten, namelijk dat hij aantoont dat de onaannemelijkheid in het oog springt. Zolang maar aannemelijk is dat de reddingspoging bonafide is, mogen partijen aanzienlijke risico's nemen indien de door Huydecoper uitgezette lijn gevolgd zou worden.
Ook de Hoge Raad volgde deze benadering met een perspectiefwisseling in het arrest HR Muurmans q.q./Lückers.5 In het hoger beroep had het hof overwogen dat niet was voldaan aan de door art. 42 Fw gestelde eis van wetenschap van benadeling van de schuldeisers, nu niet was komen vast te staan dat schuldenaar en wederpartij 'hadden kunnen voorzien, dat de door hen beoogde reddingsoperatie op het moment, dat de meergenoemde afspraken zouden zijn gemaakt, reeds niet meer tot succes kon leiden'. De Hoge Raad sanctioneerde het oordeel van het hof.6
De Hoge Raad lijkt echter toch een stap terug te zetten in het arrest HR Van Dooren q.q./ABN AMRO III. De Hoge Raad oordeelt uiteindelijk als volgt over de aan te leggen maatstaf bij zekerheden voor nieuw krediet bij schuldenaren in zwaar weer:
3.9. Onderdeel 3.2 betoogt in de eerste plaats dat in een geval als het onderhavige, dat zich kenmerkt door de (onverplichte toezegging tot) zekerheidstelling als dekking voor aanvullende bancaire kredietverlening aan een in problemen verkerende onderneming, de vereiste redelijke mate van waarschijnlijkheid slechts valt aan te nemen indien en voor zover de bank ten tijde van de aanvullende kredietverlening beschikt over (voldoende) dwingende aanwijzingen dat de onderneming desondanks zal failleren, althans dat zij redelijkerwijs niet meer mocht aannemen dat continuering van de onderneming mogelijk zou zijn. Dit betoog is echter onjuist omdat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de hiervoor in 3.7 vermelde7 (en door de onderdelen 3.1 en 3.2 met juistheid tot uitgangspunt genomen) maatstaf voor wetenschap van benadeling, welke maatstaf evenzeer geldt bij kredietverschaffing tegen zekerheid aan noodlijdende ondernemingen.'
De Hoge Raad verwerpt in één zin twee verschillende toetsen, die in het cassatiemiddel waren voorgesteld. De Hoge Raad oordeelt dat onjuist is zowel de toets i) dat 'de vereiste redelijke mate van waarschijnlijkheid slechts valt aan te nemen indien en voor zover de bank ten tijde van de aanvullende kredietverlening beschikt over (voldoende) dwingende aanwijzingen dat de onderneming desondanks zal failleren' als de toets ii) dat de bank 'redelijkerwijs niet meer mocht aannemen dat continuering van de onderneming mogelijk zou zijn'. Het eerste onderdeel is reeds risico-avers.8 Het tweede onderdeel gaat echter verder en m.i. te ver. De Hoge Raad zegt hier eigenlijk dat ook wanneer de bank redelijkerwijs wél mocht aannemen dat continuering van de onderneming mogelijk zou zijn, de bank toch licht kan handelen met de vereiste wetenschap van benadeling. De Hoge Raad oordeelt namelijk dat de bank ook wanneer zij 'redelijkerwijs mocht aannemen dat continuering van de onderneming mogelijk zou zijn', voor haar het faillissement van de schuldenaar tegelijkertijd met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te voorzien kan zijn geweest. De Hoge Raad stelt hier dus in wezen als toets dat er bij herstructureringen geen daadwerkelijke risico's genomen mogen worden, op straffe van paulianeus handelen.
De invulling die de Hoge Raad hier bij de toetsing van herstructureringen lijkt te geven aan het eigen geformuleerde criterium, 'dat het faillissement met een redelijke mate waarschijnlijkheid te voorzien' moet zijn geweest, is m.i. ongelukkig.
De invulling die de Hoge Raad geeft als toets voor herstructureringen, is in elk geval een geheel andere toets dan voorgestaan door A-G Huydecoper. Waar A-G Huydecoper de vraag naar de mogelijkheden van succes centraal stelt (wetenschap `slechts bij in het oog springende onaannemelijkheid van het reddingsplan'), ziet de Hoge Raad de wereld door een sombere bril, en stelt de mogelijkheden van mislukken centraal bij de beoordeling.
De toets die in het Duitse recht wordt aangelegd lijkt gepaster te zijn. Om (onderdelen van) een mislukte herstructurering buiten het bereik van de Insolvenzanfechtung te houden, is daar van belang dat een reorganisatieplan is opgesteld waarbij het doel van de redding van de onderneming vooropstond en dat het plan op basis van concrete prognoses haalbaar scheen. In het Duitse recht staan daarmee ook veel meer de mogelijkheden van succes centraal. Niet vereist is dat de schuldenaar overtuigd was dat de herstructurering zou slagen.9 Kirchhof:
Reicht, wie für § 133 Abs. 1, eine bloß mittelbare Gläubigerbenachteiligung aus, kann ein ernsthaftes, wenngleich letztlich erfolgloses Sanierungsbemühen im Einzelfall — nicht generell — den Gläubigerbenachteiligungsvorsatz ausschließen. Dieser kann nach der Lebenserfahrung (§ 286 ZPO) insbesondere fehlen, wenn der Sanierungsversuch für den Schuldner zwar erkennbar mit Risiken belastet ist, die Bemühungen um eine Rettung des Unternehmens jedoch ganz im Vordergrund stehen und auf Grund konkret benennbarer Umstande eine positive Prognose nachvollziehbar und vertretbar erscheint. Nicht nötig ist, dass der Schuldner bereits der sicheren Überzeugung sein durf-te, der Sanierungsversuch werde gelingen.'10
De invulling van de redelijke mate van voorzienbaarheid van het faillissement, gegeven door de Hoge Raad ten aanzien van herstructureringen, onderkent onvoldoende dat ook andere belangen dan die van de schuldeisers in het voorliggende faillissement moeten worden meegewogen. Met name miskent het het algemene belang dat de faillissementspauliana niet onnodig het reorganiserend vermogen van schuldenaren in financiële problemen dient te belemmeren.11
De m.i. juiste toets, en daarmee ook de m.i. juiste invulling van wanneer partijen hebben gehandeld terwijl met een redelijke mate van waarschijnlijkheid het faillissement was te voorzien, is de toets als geformuleerd door Abendroth, A. van Hees en A-G Huydecoper, die ook in het Duitse recht wordt aangelegd en in het verleden ook door de Hoge Raad in HR Muurmans q.q./Liickers12 is gehanteerd. Leidend dient de vraag te zijn of er reële kansen waren dat het faillissement kon worden afgewend en de handelingen daar ook op gericht waren. Op de bank rust daarbij een onderzoeksplicht.13 Zij dient zich een onderbouwd oordeel te vormen over de vraag of de situatie en de reorganisatiepogingen van dien aard zijn dat het faillissement kan worden afgewend.