Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.6.1
5.6.1 De rechtsvorm vereniging
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633727:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 10 GW, thans artikel 8 GW; Asser/Rensen 2-III 2017/2; Pel 2013, p. 116.
Van der Ploeg 2014, p. 387.
Rensen 2021, aant. 2 en 4 bij artikel 2:26 BW, digitale versie, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
Rensen 2021, aant. 4 bij artikel 2:26 BW, digitale versie, laatst geraadpleegd op 29 november 2021; Van Veen 2012, p. 384, 398.
Van der Ploeg 2014, p. 388, 389. Van der Ploeg spreekt over ‘een principiële openheid vanuit de leiders van een geestelijk genootschap voor veranderingen door de leden’.
Een geestelijke gemeenschap kan gebruik maken van de rechtsvorm vereniging. De term ‘vereniging’ deed zijn intrede in de Grondwet van 1848.1 De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel en mag geen winst onder haar leden verdelen (art. 2:26 BW). De wettelijke regels voor deze rechtsvorm staan in titel 2 van boek 2 BW. Er bestaan twee varianten van vereniging: de formele vereniging met volledige rechtsbevoegdheid en de informele vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid. De formele vereniging is een vereniging die is opgericht bij een notariële akte, waarin de statuten van de vereniging zijn opgenomen (art. 2:27 BW). Een informele vereniging is een vereniging waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte (art. 2:28 en 2:30 BW). Een deel van de Nederlandse regels voor verenigingen is dwingend recht, waarvan niet afgeweken mag worden. Er zijn echter ook veel regels van regelend recht; hiervan mag worden afgeweken via een schriftelijke statutaire regeling (art. 2:52 jo. artikel 2:25 BW). In een dergelijke regeling kan een geestelijke gemeenschap haar eigen (al dan niet religieuze of spirituele) levensbeschouwelijke opvattingen verwerken.2
De vereniging is een samenwerkingsverband van leden, waarbij de inhoud van het lidmaatschap per vereniging wordt bepaald door haar doel en statuten. Het doel mag van oudsher niet zijn het verschaffen van direct materieel voordeel aan haar leden. Hoewel zij winst mag maken, is het verboden om de winst te verdelen onder haar leden (art. 2:26 lid 3 BW).3 De ratio van het uitkeringsverbod4 bij de vereniging is dat de vereniging weliswaar een onderneming mag drijven, maar niet tot profijt van haar leden. Daarmee heeft de wetgever de vereniging willen onderscheiden van commerciële rechtsvormen als de nv, bv en de coöperatieve vereniging.5
De vereniging kent twee verplichte organen: de algemene vergadering als de drager van de vereniging en het bestuur. De algemene vergadering heeft de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van meer dan de helft van de bestuurders (art. 2:37 BW) en tot statutenwijziging en ontbinding van de vereniging (art. 2:42 en 2:43 BW). Aan de algemene vergadering komen verder alle bevoegdheden toe die niet door de wet of de statuten aan een ander orgaan zijn toebedeeld (art. 2:40, lid 1 BW). Alle leden die niet geschorst zijn, hebben in de algemene vergadering ieder één stem (art. 2:38, lid 1 BW). Een belangrijk kenmerk van de rechtsvorm vereniging is dan ook de democratische aard, zodat ze bij uitstek geschikt is voor rsl-gemeenschappen die openstaan voor de invloed van de leden en minder geschikt is voor meer hiërarchische organisaties.6 Het bestuur heeft de bevoegdheid tot besturen en vertegenwoordigen van de vereniging (art. 2:44 en 2:45 BW).