Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.6.3.2
9.6.3.2 Voorwaarden voor cross class cram down: zekerheidsgerechtigden
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192717:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Klee 1979, p. 143.
Zie nr. 547 en 556.
Op deze regel bestaat echter een uitzondering, die voortvloeit uit de keuzevrijheid die §1111(b)(2) BC aan zekerheidsgerechtigden toekent. De schuldeiser kan ervoor opteren de omvang van de gesecureerde vordering niet beperkt te laten zijn tot de waarde van het onderpand, maar het de gehele nominale bedrag van de vordering op de schuldeiser als ‘allowed secured claim’ aan te merken. Door en met deze ‘election’ doet de schuldeiser afstand van zijn concurrente restvordering. Zie hierover verder Tollenaar 2016, p. 163-164.
Het lijkt niet mogelijk te zijn om zekerheidsgerechtigden een ongezekerd schuldinstrument op te dringen, vgl. Tollenaar 2016, p. 161 voetnoot 144.
Tenzij de crediteur een §1111-election heeft gemaakt.
ABI-rapport 2014, p. 235.
Markell 2016, p. 130. Het akkoordaanbod moet een “fair equivalent” zijn van de aanspraak die na homologatie ‘discharged’ zal worden
Het Hooggerechtshof bepaalde in Rash dat voor de waardering moet worden aangesloten bij het onder het akkoord voorgestelde gebruik van de activa: In re Associates Commercial Corp. v. Rash, 520 U.S. 953, 117, S.Ct. 1879, 138 L.Ed.2d 148 (1997). Indien de schuldenaar de zaken blijft gebruiken nadat de Chapter 11-zaak zal zijn beëindigd is de vervangingswaarde bepalend. Vgl. Tollenaar 2016, §6.7. Hoe die waarde moet worden bepaald, laat de Supreme Court in het midden en leidt tot de nodige discussie. Vgl. In re Sunnyslope Housing Limited Partnership (Sunnyslope III), 859 F.3d 637, 645 (9th Cir. 2017), waarover Manzo 2018.
1/100e procentpunt.
In re Till v. SCS Credit Corp. 541 U.S. 465 (2004).
ABI-rapport 2014, p. 234-237.
ABI-rapport 2014, p. 235-236. Zie Leake & Fee 2018, deel II voor verwijzingen naar rechtspraak waarin voetnoot 14 werd als basis voor marktrente, terwijl andere rechters de ‘formula approach’ hanteerden.
In re Till v. SCS Credit Corp. 541 U.S. 465 (2004).
ABI-rapport 2014, p. 236.
ABI-rapport 2014, p. 236-237.
De commissie noemt “the debtor’s industry, projections, leverage, revised capital structure and obligations under the plan”, vgl. ABI-rapport 2014, p. 234.
Zie in dezelfde zin reeds: In re American HomePatient, Inc., 420 F.3d 559, 568 (6th Cir. 2005).
In re MPM Silicones, LLC, No. 15-1771 (2d Cir. 2017)
Vgl. Leake & Fee 2018; Ponto & Blanchard 2018; Kuney 2018.
§1129(b)(2)(A)(ii) BC verwijst naar §363(k) BC, dat luidt: “At a sale under subsection (b) of this section of property that is subject to a lien that secures an allowed claim, unless the court for cause orders otherwise the holder of such claim may bid at such sale, and, if the holder of such claim purchases such property, such holder may offset such claim against the purchase price of such property.”
Zie verder over credit bidding: Van den Berg 2019, hoofdstuk 7; Orbán & De Weijs 2016; Van Bergen 2014.
In re Murel Holding Corp., 75 F.2d 941 (C.C.A. 2d Cir. 1935).
Baird 2014, p. 71. In re Murel overwoog de rechter dat de “indubitable equivalent” “completely compensatory” moest zijn. Zie: In re Murel Holding Corp., 75 F.2d 941 (C.C.A. 2d Cir. 1935). In de zaak Pacific Lumber overwoog het US Court of Appeals (Fifth Circuit) “(…) Congress did not adopt indubitable equivalent as a capacious but empty semantic vessel. Quite the contrary, these examples focus on what is really at stake in secured credit: repayment of principal and the time value of money. Clauses (i) and (ii) explicitly protect repayment to the extent of the secured creditors’ collateral value and the time value compensating for the risk and delay of repayment. Indubitable equivalent is therefore no less demanding a standard than its companions.” Zie: In re Pacific Lumber Co., 584 F.3d 229, 52 Bankr. Ct. Dec. (CRR) 46, Bankr. L. Rep. (CCH) P 81642 (5th Cir. 2009).
In de woorden van Bernstein & Kuney 2015, §18.10: “We do not know what the “indubitable equivalent” is, and we do not think anybody else does either”.
Congressional Record, House 28 september 21978, p. 32407.
Tenzij een 1111(b)-election heeft plaatsgevonden, vgl. voetnoot 401 in nr. 550.
Baird 2014, p. 70-71.
In re Pacific Lumber Co., 584 F.3d 229, 52 Bankr. Ct. Dec. (CRR) 46, Bankr. L. Rep. (CCH) P 81642 (5th Cir. 2009)“The Bankruptcy Code, however, does not protect a secured creditor’s upside potential; it protects the “allowed secured claim”. Zie ook Congressional Record, House 28 september 21978, p. 32407: “Present cash payments less than the secured claim would not satisfy the standard because the creditor is deprived of an opportunity to gain from a future increase in value of the collateral.”
Supreme Court in In re Radlax Gateway Hotel, LLC v Amalgamated Bank, 132 S.Ct. 2065 (May 29, 2012), zie daarover uitgebreider Van Bergen 2014, p. 230-233. De manier waarop de zekerheidsgerechtigden in Pacific Lumber werden behandeld, is dus niet meer toegestaan. In Pacific Lumber werden de obligatiehouders contant betaald, bij wijze van lossing. Er vond echter een verkoop van de aan de obligatiehouders in zekerheid gegeven goederen plaats, terwijl de obligatiehouders géén recht op credit bidding hadden. Dat betekent overigens niet dat lossing ná RadLAX Gateway Hotel LLC niet meer is toegestaan: lossing is slechts dan niet mogelijk wanneer de in zekerheid gegeven zaken worden verkocht.
550. §1129(b)(2)(A) BC bepaalt zeer gedetailleerd onder welke omstandigheden een tegenstemmende klasse van zekerheidsgerechtigde schuldeisers aan een Chapter 11-plan kan worden gebonden. Deze criteria zijn in 1978 ingevoerd. Onder het oude Chapter X golden geen specifieke waarborgen voor zekerheidsgerechtigden.1 De wet geeft drie mogelijkheden in §1129(b)(2)(A)(i), (ii) en (iii) BC. Daarbij zij opgemerkt dat het voldoen aan een van deze drie vereisten geen garantie is dat cram down mogelijk is. De cram down kan ook afstuiten op de ongeschreven regel dat een zekerheidsgerechtigde niet meer dan 100% uitgekeerd mag krijgen.2
Zoals beschreven in §6.2.3.5 vindt in geval van onderdekking normaliter ‘bifurcation’ plaats: de vordering van de zekerheidsgerechtigde wordt opgesplitst in een door zekerheid gedekte vordering (‘allowed secured claim’) en een ongedekte restvordering (‘allowed unsecured claim’).3 Het begrip ‘allowed secured claim’ komt diverse malen terug in de voorwaarden voor een cross class cram down.
− Optie 1: deferred payments en present value test
551. Ten eerste is een cross class cram down mogelijk indien de zekerheidsgerechtigde zekerheden behoudt die zijn allowed secured claim dekken4 en de zekerheidsgerechtigde daarnaast een reeks uitgestelde betalingen zal ontvangen. Deze zogenaamde ‘deferred payments’ moeten ten minste het nominale bedrag van de allowed secured claim bedragen (de ‘principal amount test’). Daarnaast moeten de uitgestelde betalingen een contante waarde hebben gelijk aan de waarde van het onderpand – en daarmee van de allowed secured claim – op de dag dat het akkoord gehomologeerd wordt (de ‘present value-test’). Omdat na bifurcation het nominale bedrag van de vordering gelijk is aan de waarde van het onderpand, is het in de meeste gevallen5 de present value-test die de doorslag geeft. De strekking van die test is “to make sure payments received by the secured creditor in the future represent the value of its secured claim on the effective date (following the general principle that a dollar received today is more than a dollar received tomorrow)”.6 Een eenvoudig voorbeeld ter illustratie. Stel dat een bank een lening van een miljoen dollar heeft verstrekt. Tot zekerheid van de terugbetaling van dat krediet is een hypotheekrecht op een bedrijfspand gevestigd. Het bedrijfspand is een miljoen dollar waard. De bank heeft dus een allowed secured claim ter waarde van een miljoen. Stel, de schuldenaar biedt een akkoord aan dat inhoudt dat de bank haar zekerheid behoudt, maar nog vijf jaar langer moet doorfinancieren en na vijf jaar volledig zal worden afgelost. De bank stemt tegen het akkoord omdat zij liever ziet dat de onderneming geliquideerd wordt. In geval van liquidatie en een executieverkoop van het onderpand zou de bank direct een miljoen dollar in contanten ontvangen. De bank dient gecompenseerd te worden voor het feit dat zij niet nu, maar pas over een paar jaar wordt afgelost. Het akkoord dient, om aan de cross class cram down standaarden te voldoen, dus te voorzien in uitgestelde betalingen met een contante waarde die tenminste gelijk is aan de allowed secured claim. Als gevolg van de bifurcation is de omvang van deze claim steeds gelijk aan de waarde van het onderpand.7
552. De present value-test vereist allereerst een waardering van het onderpand.8 Die waardering heeft al moeten geschieden om tot de bifurcation-beslissing te kunnen komen en zo te bepalen voor welk bedrag de crediteur voorrang heeft, en voor welk bedrag hij als concurrent crediteur heeft te gelden. Daarnaast dient de contante waarde van de stroom aan uitgestelde betalingen op de effective date van het plan te worden berekend. De rechter moet vervolgens nagaan of die contante waarde gelijk is aan de reorganisatiewaarde van het onderpand. Om dat te kunnen doen, moet een toepasselijke rentevoet worden gevonden. Het Amerikaanse recht laat het aan de rechter om de toepasselijke ‘cram down interest rate’ of ‘discount rate’ vast te stellen. Er bestaat discussie over de vraag hoe de rechter dit moet doen. In de Till-case, die een Chapter 13-plan betrof, oordeelde de Supreme Court dat de rechter dit moet doen aan de hand van de ‘formula approach’, ook wel de ‘prime plus approach’ genoemd. In deze benadering wordt als startpunt de ‘national prime rate’ genomen, het rentepercentage dat commerciële banken rekenen voor kredietverstrekking aan de meest kredietwaardige partijen. Omdat een lening aan een insolvente debiteur niet bepaald zonder risico is, dient de rechter de rente vervolgens op te hogen met een bepaalde opslag. Hoe groot deze risico-opslag mag zijn is onder meer afhankelijk van de “the circumstances of the estate”, zoals de aard van de zekerheid en de slagingskans van het reorganisatieplan. De opslag mag tussen de 100 en 300 basispunten9 zijn.10 De cram down interest rate kan afwijken van de contractuele afspraken tussen partijen en kan bovendien worden vastgesteld op een niveau lager dan de marktwaarde.11 Sommige rechters passen de formula approach toe bij de vaststelling van de Chapter 11 cram down rate, andere niet. Het is geen uitgemaakte zaak of Till ook van toepassing is op Chapter 11-plannen.12 In (de inmiddels beruchte) voetnoot 14 van Till merkte de Supreme Court op:
“There is no readily apparent Chapter 13 “cram down market rate of interest”: Because every cram down loan is imposed by a court over the objection of the secured creditor, there is no free market of willing cram down lenders. Interestingly, the same is not true in the Chapter 11 context, as numerous lenders advertise financing for Chapter 11 debtors in possession.(…) Thus, when picking a cram down rate in a Chapter 11 case, it might make sense to ask what rate an efficient market would produce. In the Chapter 13 context, by contrast, the absence of any such market obligates courts to look to first principles and ask only what rate will fairly compensate a creditor for its exposure.”13
§1129(b)(2)(A)(i) BC maakt het dus mogelijk dat een (klasse) zekerheidsgerechtigde financier(s) gedwongen wordt door te financieren tegen niet door hen gekozen voorwaarden. Indien de cram down interest rate geen afdoende compensatie biedt voor het risico van doorfinancieren, worden de rechten van de zekerheidsgerechtigde crediteuren (ernstig) geschaad. Het is niet verwonderlijk dat de formula approach op de nodige kritiek kan rekenen.14 In het ABI-rapport wordt het risico onderkend dat zekerheidsgerechtigden onvoldoende gecompenseerd worden voor het risico dat zij lopen. De beperking tot een opslag van 300 basispunten knelt. Dat doet volgens de ABI-commissie geen recht aan het doel van §1129(b)(2)(A)(i) BC. Deze bepaling strekt ertoe de zekerheidsgerechtigde aanspraak te geven op de waarde van de allowed secured claim op de effective date van het plan, zelfs wanneer het bedrag over een bepaalde periode zou worden uitbetaald.15 Er zou meer aangesloten moeten worden bij de economische werkelijkheid en dus bij de marktrente. Het ABI-rapport beveelt aan dat rechters niet langer de prime plus formula uit Till hanteren, maar dat zij juist moeten aansluiten bij de marktrente. Voor zover er geen marktrente is vast te stellen, moet de rechter de rente vaststellen op basis van het daadwerkelijke risico dat partijen lopen op de schuldenaar. Daarbij zullen diverse factoren een rol spelen.16
In 2017 oordeelde de US Court of Appeal van het 2nd circuit in de Momentive zaak dat daar waar een efficiënte markt bestaat, de marktrente de gepaste cram down interest rate is. De formula approach uit Till zou slechts moeten worden toegepast in die gevallen waarin er geen efficiënte markt bestaat.17 Op het eerste gezicht is dit een uitkomst die zekerheidsgerechtigden zal bevallen. De kans dat zij voortaan daadwerkelijk gecompenseerd gaan worden voor het risico dat zij lopen lijkt in theorie flink te zijn toegenomen.18 Of dat ook daadwerkelijk het geval gaat zijn, is echter afhankelijk van de vraag wanneer er sprake is van een “efficient market”. De rechter heeft op dit punt weinig sturing gegeven. Naar verwachting zal komende de jaren veelvuldig worden geprocedeerd over het al dan niet bestaan van een efficiënte markt.19
− Optie 2: verkoop onderpand met mogelijkheid tot credit bidding
553. De tweede mogelijkheid om een klasse zekerheidsgerechtigden te kunnen binden aan het akkoord bestaat wanneer het akkoord bepaalt dat een ondergezet goed vrij van zekerheidsrechten (“free and clear of such liens”) verkocht wordt. De financier mag in dat geval meebieden tijdens de verkoop. Indien de financier de zaak koopt, mag hij de schuld uit hoofde van de koopprijs verrekenen met de vordering op de schuldenaar.20 Door dit fenomeen van ‘credit bidding’ heeft de zekerheidsgerechtigde de mogelijkheid een verkoop onder de gepercipieerde waarde te voorkomen.21 Wanneer een derde het onderpand koopt, moet de financier aanspraak kunnen maken op de verkoopopbrengst of een zekerheidsrecht verkrijgen op de verkoopopbrengst. In het laatste geval verkrijgt de financier dus weer een uitgestelde betaling in contanten. De contante waarde van die opbrengst moet ten minste gelijk zijn aan het bedrag van de (allowed) secured claim.
− Optie 3: indubitable equivalent
554. Ten derde voldoet een plan aan de voorwaarden voor een cross class cram down wanneer het zekerheidsgerechtigden de ‘indubitable equivalent’ van de gesecureerde vordering aanbiedt. Deze term is ontleend aan Re Murel Holding Corp, waarin Judge Learned Hand overwoog:
“In construing so vague a grant, we are to remember not only the underlying purposes of the section, but the constitutional limitations to which it must conform. It is plain that “adequate protection” must be completely compensatory; and that payment ten years hence is not generally the equivalent of payment now. Interest is indeed the common measure of the difference, but a creditor who fears the safety of his principal will scarcely be content with that; he wishes to get his money or at least the property. We see no reason to suppose that the statute was intended to deprive him of that in the interest of junior holders, unless by a substitute of the most indubitable equivalence.”22
Deze standaard wordt streng uitgelegd.23 Wat precies als indubitable equivalent kwalificeert is niet eenvoudig vast te stellen. 24 Volgens de parlementaire geschiedenis zal aan deze voorwaarde zijn voldaan wanneer de in zekerheid gegeven goederen aan de zekerheidsgerechtigde worden overgedragen of vervangende zekerheid wordt gegeven op soortgelijke goederen.25 Met enige regelmaat worden zogenaamde ‘dirt-for-debt’-plannen gehomologeerd. Op grond van dergelijke plannen ontvangt de zekerheidsgerechtigde het stuk grond dat aan hem in hypotheek was gegeven.26 Of een dirt-for-debt-plan dat voorziet in een gedeeltelijke overdracht van het onderpand voldoet aan de indubitable equivalent-standaard, is een kwestie van waardering en leidt met regelmaat tot discussie.27 Eenzelfde waarderingsdiscussie bestaat in het kader van lossing, een manier waarop aan de indubitable standaard kan worden voldaan. In Re Pacific Lumber werd overwogen dat het in contanten betalen van de waarde van het onderpand (en dus van de allowed secured claim) een andere manier is om aan de indubitable equivalent standaard te voldoen.28 De Supreme Court heeft inmiddels verduidelijkt dat §1129(b)(2)(A)(iii) BC niet als een soort vangnetbepaling fungeert. Indien een plan de verkoop van bezwaarde activa inhoudt, moet voldaan worden aan de vereisten van §1129(b)(2)(A)(ii) BC. Het recht op credit bidding kan dus niet worden omzeild door te betogen dat de zekerheidsgerechtigde het indubitable equivalent is aangeboden.29