De beschikking van de rechtbank noemt 14 mei 2018 als datum waarop het klaagschrift ter griffie is ontvangen, maar de akte inlevering klaagschrift inbeslaggenomen goederen vermeldt de datum 15 mei 2018 (waarschijnlijk omdat het klaagschrift op 14 mei 2018 na het tijdstip van sluiting van de griffie is ingediend).
HR, 21-04-2020, nr. 18/04039 B
ECLI:NL:HR:2020:755
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-04-2020
- Zaaknummer
18/04039 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Belastingrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:755, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 21‑04‑2020; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:203
ECLI:NL:PHR:2020:203, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 10‑03‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:755
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2020-0151
Uitspraak 21‑04‑2020
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag door douane ex art. 1:37.1 Algemene douanewet op auto van klager met verborgen ruimte in kofferbak, nadat ex art. 94 Sv beslag is gelegd op die auto onder klager i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek naar valsheid in geschrift en/of oplichting door medewerkers gemeente. Verzoek om geldelijke tegemoetkoming a.b.i. art. 33c.2 Sr. Kan Rb oordelen dat verzoek prematuur is gedaan gelet op mogelijkheid dat auto onder voorwaarden door douane wordt teruggegeven aan klager? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2020:403, inhoudende dat ex art. 1:37.1 en 1:37.4 Adw inbeslaggenomen vervoermiddelen zonder rechtsvervolging aan Staat vervallen tenzij bij rechterlijke beslissing a.b.i. art. 1:37.6 Adw inbeslagneming niet wordt gehandhaafd, dat o.g.v. art. 1:37.8 Adw minister van Financiën aan Staat vervallen vervoermiddelen onder door hem te stellen voorwaarden aan eigenaar kan teruggeven, dat o.g.v. art. 1:37.6 Adw jo. art. 552b.5 Sv rechter ex art. 33c.2 Sr geldelijke tegemoetkoming toekent wanneer degene aan wie aan Staat vervallen vervoermiddelen, daardoor onevenredig zou worden getroffen, en dat aan de hand van omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of eigenaar van vervoermiddelen door vervallen van zijn eigendom aan Staat onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend. O.g.v. art. 1:37.8 Adw is minister van Financiën bevoegd een aan Staat vervallen vervoermiddel onder door hem te stellen voorwaarden aan eigenaar terug te geven. Indien ex art. 1:37.1 en 1:37.5 Adw klaagschrift is ingediend, vindt die vervallenverklaring plaats nadat klaagschrift onherroepelijk ongegrond is verklaard. Door te oordelen dat verzoek om geldelijke tegemoetkoming prematuur is gedaan gelet op mogelijkheid dat auto onder voorwaarden door douane wordt teruggegeven, heeft Rb het vorenstaande miskend. Volgt partiële vernietiging (t.a.v. beslissing op verzoek om geldelijke tegemoetkoming) en terugwijzing. Samenhang met 18/04038 B.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/04039 B
Datum 21 april 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2018, nummer RK 18/3115, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 1:37 lid 5 van de Algemene douanewet, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op het verzoek tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming, tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het verzoek om een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen prematuur is gedaan.
3.2
De voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijnde stukken zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1. Deze stukken houden onder meer in dat een onder de klager strafvorderlijk inbeslaggenomen auto tevens op de voet van artikel 1:37 lid 1 Algemene douanewet (hierna: Adw) in beslag is genomen en dat namens de klager een klaagschrift is ingediend primair strekkende tot opheffing van het op de voet van artikel 1:37 lid 1 Adw gelegde beslag op de auto en tot teruggave van die auto aan hem en subsidiair tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming.
3.3.1
Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer heeft de raadsman van de klager daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang, het volgende in:
“Meer subsidiair het volgende. Ik verwijs u naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 16 december 2014 met ECLI:NL:HR:2014:3632. Op de site van ANWB blijkt dat de auto een waarde heeft van € 14.150. Mocht de rechtbank het beklag ongegrond verklaren, dan verzoekt cliënt daarom om hem een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen op grond van het in artikel 1:37 lid 5 jo lid 6 Algemene Douanewet van toepassing verklaarde artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met artikel 33c van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij is van belang dat cliënt geen wetenschap had van de verborgen bergplaats, nimmer is veroordeeld voor een strafbaar feit en nimmer is vervolgd voor een strafbaar feit dat samenhangt met de te beschermen belangen van de Algemene Douanewet. Cliënt wordt door het vervallen van de auto aan de staat onevenredig hard getroffen in zijn vermogen. Cliënt komt derhalve in aanmerking voor een geldelijke tegemoetkoming (zie Hoge Raad 8 juli 1998, NJ 1998, 863). Cliënt had de auto sinds 2015 in volledig eigendom. ANWB kent een waarde aan de auto toe van € 14.150. Ik verzoek u dit toe te kennen als geldelijke tegemoetkoming.”
3.3.2
De rechtbank heeft het klaagschrift, voor zover dat strekt tot opheffing van het op de voet van artikel 1:37 lid 1 Adw gelegde beslag, ongegrond verklaard en geoordeeld dat het verzoek om een geldelijke tegemoetkoming prematuur is gedaan. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“De beoordeling
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op 14 maart 2018 is strafrechtelijk beslag gelegd op de auto van klager. Op dezelfde dag is ook de Douane verwittigd en die heeft aanleiding gezien ander onderzoek te doen aan de auto. De Douane is daartoe bevoegd. Omdat klager eigenaar is van de auto komen de gevolgen van de verborgen bergplaats in zijn auto voor zijn rekening en risico. Het feit dat hij zegt niks van de bergplaats af te weten, doet daar niet aan af.
Indien een verborgen bergplaats kan worden verwijderd kan een auto onder voorwaarden worden geretourneerd aan klager. Het zou dan ook verstandig zijn als klager op korte termijn contact hierover opneemt met de Douane. Gezien deze mogelijkheid is het subsidiaire verzoek dat de raadsman heeft gedaan prematuur.”
3.4.1
Artikel 1:37 Adw luidt, voor zover hier van belang:
“1. Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond van artikel 1:27, eerste lid, genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een van de hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.
(...)
4. Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan de staat, tenzij bij een rechterlijke beslissing als bedoeld in het zesde lid de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.
5. De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming heeft plaatsgehad, daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met redenen omkleed klaagschrift indienen.
6. De rechtbank behandelt het klaagschrift op de voet van het bepaalde in artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat ook de inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld tijdens de behandeling te worden gehoord en hem, zo hij voor de behandeling is verschenen, tijdig tevoren door de griffier schriftelijk mededeling van de dag der uitspraak wordt gedaan.
(...)
8. Onze Minister van Financiën is bevoegd in bijzondere gevallen de aan de staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven.”
3.4.2
In zijn beschikking van 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:403, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“3.5.1 (...) Krachtens art. 1:37, eerste en vierde lid, Adw (douanebeslag) vervallen de inbeslaggenomen vervoermiddelen of voorwerpen zonder rechtsvervolging - dus van rechtswege aan de Staat tenzij bij een rechterlijke beslissing als bedoeld in art. 1:37, zesde lid, Adw, de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd. Dat betekent dat bij een onherroepelijke ongegrondverklaring van een op de voet van art. 1:37, eerste en vijfde lid, Adw ingediend klaagschrift het eigendom van de inbeslaggenomen vervoermiddelen en voorwerpen overgaat op de Staat. Op grond van art. 1:37, achtste lid, Adw kan de minister van Financiën de aan de Staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar teruggeven. Indien die voorwaarden worden nageleefd en de teruggave plaatsvindt, beschikt de Staat niet meer over het eigendom van de betreffende vervoermiddelen en voorwerpen.
3.5.2
Op grond van art. 1:37, zesde lid, Adw, in samenhang met art. 552b, vijfde lid, Sv, kent de rechter op de voet van art. 33c, tweede lid, Sr, een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer degene aan wie de aan de Staat vervallen vervoermiddelen of voorwerpen toebehoren, daardoor onevenredig zou worden getroffen (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3632). Of de eigenaar van de vervoermiddelen of de voorwerpen door het vervallen van zijn eigendom aan de Staat onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan worden betrokken hoe de eigenaar van de vervoermiddelen of de voorwerpen zich in relatie daartoe heeft gedragen, de waarde van de onttrokken vervoermiddelen of voorwerpen, alsmede eventueel voordeel dat de Staat na het vervallen aan de Staat met betrekking tot die vervoermiddelen of voorwerpen verkrijgt, bijvoorbeeld door de verkoop van (onderdelen) daarvan. (Vgl. HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156.)”
3.5
Op grond van artikel 1:37 lid 8 Adw is de minister van Financiën bevoegd een aan de Staat vervallen vervoermiddel onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven. Indien op de voet van artikel 1:37 lid 1 en lid 5 Adw een klaagschrift is ingediend, vindt die vervallenverklaring plaats nadat het klaagschrift onherroepelijk ongegrond is verklaard. Door te oordelen dat het verzoek om een geldelijke tegemoetkoming prematuur is gedaan gelet op de mogelijkheid dat de auto onder voorwaarden door de douane wordt teruggegeven, heeft de rechtbank het vorenstaande miskend.
3.6
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ten aanzien van het verzoek om een geldelijke tegemoetkoming;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2020.
Conclusie 10‑03‑2020
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag, beslag ex art. 1:37.1 Algemene douanewet (Adw) op personenauto. Middelen klagen o.m. over oordeel rechtbank dat verzoek om geldelijke tegemoetkoming prematuur gedaan is, omdat de auto mogelijk onder voorwaarden kan worden teruggegeven aan de klager. Deze mogelijkheid doet zich echter pas voor nadat de rechtbank het klaagschrift ongegrond heeft verklaard en de auto is vervallen aan de staat. De rechtbank had derhalve op het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming dienen te beslissen bij de ongegrondverklaring van het klaagschrift. De AG geeft de Hoge Raad het advies de beschikking te vernietigen.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/04039 B
Zitting 10 maart 2020
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de klager.
1. Inleiding
1.1.
1.2.
Tegen deze beschikking is namens de klager cassatieberoep ingesteld en mr. K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste en het tweede middel richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de Douane bevoegd was de personenauto te onderzoeken. Het derde middel komt op tegen de afwijzing van het verzoek om een geldelijke tegemoetkoming.
1.3.
Er bestaat samenhang met de zaak 18/04038. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
2. Procesgang
2.1.
Blijkens de stukken die op de voet van art. 447 lid 2 Sv aan de griffier van de Hoge Raad zijn gezonden, gaat het in de onderhavige zaak om het volgende.
(i) Op 13 maart 2018 is de personenauto van klager (van het merk Hyundai, type IX35) in het kader van een politieonderzoek inbeslaggenomen op de voet van art 94 Sv. Naar aanleiding van het aantreffen van een mogelijke geheime bergplaats heeft de politie de Douane benaderd.
(ii) Vervolgens is de auto door de Douane onderzocht, waarbij in de kofferbak een geheime bergplaats werd ontdekt. De Douane heeft toen op 24 april 2018 op grond van art. 1:37 lid 1 Adw eveneens beslag gelegd op de personenauto.
2.2.
De rechtbank heeft het klaagschrift op 28 augustus 2018 in raadkamer behandeld. De raadsman van de klager heeft toen het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer gehechte pleitnota die, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende inhoudt:
“Ik merk verder op dat er geen bevel c.q. machtiging dan wel toestemming van een bevoegd persoon om de auto van cliënt te onderzoeken. Het dossier bevat ook geen enkele proces-verbaal van doorzoeking van de auto. Eveneens was er geen enkele aanleiding voor de Douane om de auto te doorzoeken, nu de auto gewoon voor de woning van cliënt stond geparkeerd en er geen aanwijzingen zijn dat cliënt de grens over ging met de auto. Gezien deze onrechtmatige doorzoeking is de inbeslagneming als verboden vrucht eveneens onrechtmatig. Ook hierom dient het beslag opgeheven te worden.
(…)
Meer subsidiair het volgende. Ik verwijs u naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 16 december 2014 met ECLI:NL:HR:2014:3632. Op de site van ANWB blijkt dat de auto een waarde heeft van €14.150. Mocht de rechtbank het beklag ongegrond verklaren, dan verzoekt cliënt daarom om hem een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen op grond van het in artikel 1:37 lid 5 jo lid 6 Algemene Douanewet van toepassing verklaarde artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met artikel 33c van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij is van belang dat cliënt geen wetenschap had van de verborgen bergplaats, nimmer is veroordeeld voor een strafbaar feit en nimmer is vervolgd voor een strafbaar feit dat samenhangt met de te beschermen belangen van de Algemene Douanewet. Client wordt door het vervallen van de auto aan de staat onevenredig hard getroffen in haar vermogen. Client komt derhalve in aanmerking voor een geldelijke tegemoetkoming (zie Hoge Raad 8 juli 1998, NJ 1998,863). Client had de auto sinds 2015 in volledig eigendom. ANWB kent een waarde aan de auto toe van €14.150. Ik verzoek u dit toe te kennen als geldelijke tegemoetkoming.”
2.3.
Bij beschikking van 28 augustus 2018 heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard. Deze beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:
“De beoordeling
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op 14 maart 2018 is strafrechtelijk beslag gelegd op de auto van klager. Op dezelfde dag is ook de Douane verwittigd er die heeft aanleiding gezien ander onderzoek te doen aan de auto. De Douane is daartoe bevoegd. (…)
Indien een verborgen bergplaats kan worden verwijderd kan een auto onder voorwaarden worden geretourneerd aan klager. Het zou dan ook verstandig zijn als klager op korte termijn contact hierover opneemt met de Douane. Gezien deze mogelijkheid is het subsidiaire verzoek dat de raadsman heeft gedaan prematuur.”
3. Het eerste en het tweede middel
3.1.
Het eerste middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat de Douane bevoegd was de auto te onderzoeken ontoereikend is gemotiveerd, aangezien de Douane niet zonder meer bevoegd is de auto te doorzoeken en aan een onderzoek te onderwerpen. Het tweede middel bevat twee klachten. Het klaagt allereerst dat het in de overwegingen van de rechtbank besloten liggende oordeel, dat het feit dat de Douane daartoe aanleiding ziet voldoende rechtvaardiging vormt voor het doorzoeken dan wel onderzoeken van de onderhavige auto onjuist is. Verder klaagt het middel dat het oordeel van de rechtbank dat de Douane zonder meer bevoegd is een auto waarop klassiek beslag ligt te doorzoeken dan wel onderzoeken blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
3.2.
Bij de beoordeling van de middelen zijn de volgende bepalingen relevant:
(i) Art. 46, eerste lid, Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie2.:
“De douaneautoriteiten kunnen elke controlemaatregel nemen die zij nodig achten.
De controlemaatregelen kunnen met name inhouden onderzoek van goederen, monsterneming, verificatie van de juistheid en volledigheid van de in het kader van een aangifte of een kennisgeving verstrekte informatie en de aanwezigheid, echtheid, juistheid of geldigheid van documenten, onderzoek van de bedrijfsboekhouding van marktdeelnemers en van andere bescheiden, controle van vervoermiddelen, controle van bagage en andere goederen die personen bij of op zich dragen, officieel onderzoek en soortgelijke handelingen.”
(ii) art. 1:21 Adw:
“De inspecteur maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.”
(iii) art. 1:26 Adw:
“1. De inspecteur is bevoegd aan controle te onderwerpen:
(…)
d. vervoermiddelen en de op of in die vervoermiddelen aanwezige woningen.
2. Onder controle in de zin van het eerste lid wordt mede verstaan doorzoeking.”
(iv) art. 1:37 Adw:
“1. Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond van artikel 1:27, eerste lid, genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een van de hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.
2. Tot inbeslagneming krachtens het eerste lid zijn, behalve de inspecteur, bevoegd de bij of ingevolge artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen.
(…)”
3.3.
In de onderhavige zaak heeft de politie de Douane benaderd nadat in de auto een mogelijke geheime bergplaats was aangetroffen. Vervolgens heeft de Douane de auto nader onderzocht. Het oordeel van de rechtbank dat de Douane daartoe bevoegd was, geeft in het licht van de hiervoor aangehaalde bepalingen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik allereerst in aanmerking dat de Douane ruime controlebevoegdheden zijn toegekend in deze bepalingen.3.Verder ligt in de overwegingen van de rechtbank als haar oordeel besloten dat het gebruik van deze controlebevoegdheden gerechtvaardigd was in het licht van het vermoeden dat zich in de auto een geheime bergplaats bevond. Dat oordeel komt mij mede in het licht van art. 1:37 lid 1 en 2 Adw geenszins onbegrijpelijk voor.
3.4.
Beide middelen falen.
4. Het derde middel
4.1.
Het derde middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming prematuur is gedaan.
4.2.
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Op grond van art. 1:37 lid 6 Adw is art. 552b Sv van overeenkomstige toepassing op de onderhavige beklagprocedure. Volgens de Hoge Raad heeft dat tot gevolg dat bij ongegrondverklaring van het beklag aan de rechter de bevoegdheid toekomt een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen op grond van art. 33c lid 2 Sr net als dit het geval is bij de verbeurdverklaring en de onttrekking aan het verkeer. De in art. 1:37 lid 8 Adw neergelegde bevoegdheid van de minister van Financiën een aan de Staat vervallen vervoermiddel of voorwerp onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven staat daaraan niet in de weg.4.
4.3.
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld maakt de mogelijkheid dat de auto onder voorwaarden wordt teruggegeven aan de klager daarmee niet dat het verzoek om een geldelijke tegemoetkoming prematuur is gedaan. Daarover klaagt het middel terecht. Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de klager op een later moment om een geldelijke tegemoetkoming zou kunnen verzoeken vindt geen steun in het recht. De teruggave onder voorwaarden als bedoeld in art. 1:37 lid 8 Adw is namelijk alleen mogelijk na het vervallen van het inbeslaggenomen vervoermiddel of voorwerp aan de Staat nadat onherroepelijk (en afwijzend) op het klaagschrift is beslist (art. 1:37 lid 4 Adw). Met andere woorden, de rechter dient bij ongegrondverklaring van het beklag te beslissen over het verzoek een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen.
4.4.
Het middel slaagt.
5. Conclusie
5.1.
Het derde middel slaagt. Het eerst en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op het verzoek tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming, tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑03‑2020
PbEU 2013, L 269/1.
Vgl. D.G. van Vliet, Douanerecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 88-89.
HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1210, NJ 1998/863, en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3632, rov. 5.2.