Rb. Gelderland, 13-07-2022, nr. C/05/392415 / HZ ZA 21-292
ECLI:NL:RBGEL:2022:3578
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
13-07-2022
- Zaaknummer
C/05/392415 / HZ ZA 21-292
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2022:3578, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 13‑07‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBGEL:2022:1760
ECLI:NL:RBGEL:2022:1760, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 06‑04‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBGEL:2022:3578
- Vindplaatsen
NTHR 2022, afl. 5, p. 208
Uitspraak 13‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Vervoerrecht. Eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBGEL:2022:1760). Rechtbank begroot omvang schade, bestaande uit aantal kilogrammen vervoerd gewicht van niet tijdig bezorgde zendingen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer / rolnummer: C/05/392415 / HZ ZA 21-292
Vonnis van 13 juli 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaten mrs. J. Mouthaan en L.D.M. Dingemans te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaten mrs. A.E. Mulder en R. Davans te Ede.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 6 april 2022 (hierna: het tussenvonnis)
- -
de aanvullende akte van [eiseres] van 4 mei 2022
- -
de antwoordakte van [gedaagde] van 1 juni 2022.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie
2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen (onder 4.3) dat [gedaagde] in haar verbintenis is tekortgeschoten en in beginsel schadeplichtig is tegenover [eiseres] voor zover het gaat om het deel van de zendingen dat te laat is bezorgd. Verder heeft de rechtbank overwogen (onder 4.10) dat [eiseres] slechts aanspraak kan maken op vergoeding van haar directe schade tot een bedrag van € 3,40 per kilogram vervoerd gewicht en dat alle overige (gestelde) schade niet voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking komt. Om de schade te kunnen begroten, heeft de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid gesteld informatie in het geding te brengen over het aantal kilogrammen vervoerd gewicht van de niet tijdig bezorgde zendingen. [gedaagde] mocht daarop vervolgens bij antwoordakte reageren.
2.2.
Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft [eiseres] een akte genomen. Daarin heeft zij uiteengezet dat het voor haar niet mogelijk is om het precieze gewicht van de niet tijdig bezorgde zendingen te achterhalen en dat bij haar niet bekend is wat de inhoud en dus het gewicht was van elk van de individuele pakketten die niet tijdig door [gedaagde] zijn bezorgd. Daarom heeft [eiseres] het gemiddelde gewicht van de in totaal 4.001 bezorgingen ten tijde van de samenwerking tussen [eiseres] en [gedaagde] becijferd en toegelicht. Zij komt dan uit op een gemiddeld gewicht van 11,1024155 kilogram per pakket.
2.3.
[gedaagde] heeft in haar antwoordakte allereerst betoogd dat – anders dan de rechtbank in het tussenvonnis (onder 4.3) heeft overwogen – wel degelijk in geschil is of [gedaagde] artikel 8:1096 BW heeft geschonden doordat zij pakketten te laat zou hebben geleverd. [gedaagde] wijst erop dat weliswaar in haar productie 7 is aangegeven dat 336 pakketten door haar toedoen niet bij de eerste poging konden worden bezorgd, maar dat dit niet betekent dat daarmee een schending van artikel 8:1096 BW vaststaat en dat [gedaagde] zich daartegen niet heeft verweerd. Zelfs al zou worden geconcludeerd dat sprake is van te late bezorging, dan kan deze conclusie volgens [gedaagde] voor maximaal 226 pakketten worden getrokken. [gedaagde] wijst op haar productie 7, waaruit volgens haar blijkt dat 225 pakketten op de derde dag zijn bezorgd en één op de vierde dag. Omdat partijen geen afspraken hebben gemaakt over levertijden en het bij vervoer in de foodsector gebruikelijk is dat een pakket twee keer aan de klant mag worden aangeboden, kan slechts van een te late levering sprake zijn bij de pakketten die op de derde en vierde dag zijn bezorgd, aldus [gedaagde] .
2.4.
[gedaagde] lijkt hiermee te betogen dat de rechtbank moet terugkomen op haar oordeel in het tussenvonnis, dat (wel degelijk in geschil is of) [gedaagde] in ieder geval ten aanzien van een deel van de zendingen niet aan de verplichting op grond van artikel 8:1096 BW heeft voldaan doordat een deel van de zendingen te laat is bezorgd. Dat zal de rechtbank echter niet doen. Haar oordeel in het tussenvonnis over de schending van artikel 8:1096 BW is een bindende eindbeslissing. De rechtbank heeft weliswaar de bevoegdheid om in bepaalde gevallen van bindende eindbeslissingen terug te komen (Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800), maar zij ziet in hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd geen aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken. De beslissing berust namelijk niet op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Dat blijkt ook uit hetgeen [gedaagde] in haar antwoordakte zelf aanvoert, aangezien daaruit kan worden geconcludeerd dat niet in geschil is dat in ieder geval de pakketten die op de derde dag of nog later zijn bezorgd, te laat zijn geleverd. Overigens voert [gedaagde] aan dat het volgens haar productie 7 hooguit om 226 pakketten gaat, namelijk 225 pakketten die op de derde dag zijn bezorgd en één pakket dat op de vierde dag is bezorgd. Uit productie 7 blijkt echter dat 225 pakketten zijn bezorgd op de derde dag, vier pakketten op de vierde dag en één pakket op de vijfde dag, en dat 29 pakketten door toedoen van [gedaagde] retour afzender zijn gegaan. Dat zijn samen 259 pakketten. In ieder geval ten aanzien van deze 259 pakketten geldt dat [gedaagde] niet aan haar verplichting op grond van artikel 8:1096 BW heeft voldaan. Er is dus geen grond om terug te komen op bovengenoemd oordeel in het tussenvonnis.
2.5.
[gedaagde] heeft in haar antwoordakte verder aangevoerd dat als toch sprake zou zijn van schending van artikel 8:1096 BW, het recht op schadevergoeding van [eiseres] op grond van artikel 8:1103 BW is beperkt tot de bestemmingswaarde. Deze wordt berekend door de waarde van het pakket op het tijdstip van verzending in mindering te brengen op de waarde die het pakket bij aflevering zonder beschadiging (hier: vertraging) zou hebben gehad. [gedaagde] wijst erop dat schadevergoeding achterwege blijft indien de schade uit vertraagde aflevering bestaat en daardoor geen materiële schade aan de vervoerde goederen is veroorzaakt. Die situatie doet zich volgens [gedaagde] voor.
2.6.
Het gaat hier echter om maaltijdboxen met daarin (onder meer) versproducten zoals vlees, groenten en fruit. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke versproducten – soms al snel – in kwaliteit achteruitgaan en bederven als zij niet gekoeld worden bewaard en/of niet binnen afzienbare tijd worden geconsumeerd. Gelet hierop moet worden aangenomen dat de versproducten in de maaltijdboxen ten tijde van en als gevolg van de te late levering – na drie dagen of langer – niet meer van dezelfde kwaliteit waren als op het moment van verzending, of dat zij toen zelfs waren bedorven. Daarmee is wel degelijk sprake van materiële schade aan de vervoerde goederen, die voor vergoeding in aanmerking komt.
2.7.
Bij antwoord heeft [gedaagde] in dit verband een beroep gedaan op artikel 8:1099 BW. Volgens deze bepaling is de aansprakelijkheid van de vervoerder uitgesloten indien het niet nakomen van zijn verplichtingen het gevolg is van de bijzondere risico’s die zijn verbonden aan – voor zover hier relevant – de aard van de zaken zelf, die door met deze aard zelf samenhangende oorzaken zijn blootgesteld aan bederf (artikel 8:1099 lid 1 sub c BW), of temperatuurverschillen, maar alleen indien niet is overeengekomen dat het vervoer zal plaatsvinden met een voertuig speciaal ingericht om de zaken aan de invloed daarvan te onttrekken (artikel 8:1099 lid 1 sub d BW). [gedaagde] betoogt dat deze bijzondere risico’s zich hebben voorgedaan en dat zij dus niet voor de schade aansprakelijk kan worden gehouden.
2.8.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Het niet nakomen van de verplichting tot tijdige levering, waar het hier om gaat, is namelijk niet het gevolg van het feit dat de vervoerde versproducten onderhevig zijn aan bederf en ook niet van mogelijke temperatuurwisselingen. De in artikel 8:1099 lid 1 sub c en d BW bedoelde situaties doen zich in dit geval dus niet voor.
2.9.
[eiseres] heeft, omdat zij niet beschikt over het precieze gewicht van de te laat bezorgde zendingen, het gemiddelde gewicht genomen van de 4.001 bezorgingen (zie hierboven 2.2). [gedaagde] heeft daartegen ingebracht dat de artikelen 8:1103 en 8:1105 BW geen ruimte bieden voor een schatting of gok ten aanzien van het gewicht. [gedaagde] verwijst verder naar het Besluit ex artikel 8:1105 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 2001, 415; hierna: het Besluit; zie ook tussenvonnis onder 4.5). Artikel 2 van dit Besluit bepaalt dat het aantal kilogrammen waarvan ter berekening van de schadevergoeding wordt uitgegaan, het op de vrachtbrief vermelde gewicht is. Indien – zoals hier het geval is – geen vrachtbrief is uitgegeven, moet volgens artikel 2 van het Besluit worden uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de zaak bij haar terbeschikkingstelling ten vervoer had. [gedaagde] betoogt dat dit een concrete en objectieve maatstaf is, die geen ruimte biedt voor een schatting van het aantal kilogrammen. Omdat [eiseres] het aantal kilogrammen niet kan aantonen, kan zij ook de door de vertraging geleden schade niet bewijzen, aldus [gedaagde] . Verder voert [gedaagde] aan dat geen materiële schade kan worden aangetoond door het gemiddelde te nemen van alle pakketten die zij voor [eiseres] heeft vervoerd, aangezien ruim 90% van de pakketten wél correct is bezorgd. Deze pakketten kunnen daarom volgens [gedaagde] niet worden meegenomen voor de berekening van de materiële schade, omdat deze helemaal geen materiële schade hebben geleden.
2.10.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.
2.11.
[eiseres] heeft gemotiveerd uiteengezet dat zij in de periode van samenwerking met [gedaagde] drie typen pakketten aan haar klanten heeft aangeboden en verkocht, te weten de [naam pakket] , de [naam pakket] en de [naam pakket] . De [naam pakket] is te bestellen voor twee, drie en vier personen, de [naam pakket] voor zowel twee als vier personen en bij de [naam pakket] bestaat de keuze uit één standaardpakket dat niet los kan worden besteld en uitsluitend kan worden toegevoegd aan een [naam pakket] of [naam pakket] . [eiseres] gebruikt voor de levering van zowel de [naam pakket] als de [naam pakket] speciaal ontwikkelde tempexdozen met twee koelelementen. Het gemiddelde gewicht van deze verzenddoos is volgens [eiseres] 5.000 gram.
2.12.
[eiseres] heeft aangevoerd dat de keuze voor de [naam pakket] bestond uit twaalf verschillende gerechten voor twee (“S”), drie (“M”) of vier (“L”) personen, waarvan [eiseres] het gemiddelde gewicht heeft berekend:
- gemiddeld gewicht S box per gerecht 1.392,41667 gram
- gemiddeld gewicht M box per gerecht 1.927,75 gram
- gemiddeld gewicht L box per gerecht 2.182,08 gram.
De keuze voor de [naam pakket] bestond uit drie gerechten, waarvan [eiseres] het gemiddelde gewicht als volgt heeft berekend:
- gemiddeld gewicht 2 personen box per gerecht 1.884,333 gram
- gemiddeld gewicht 4 personen box per gerecht 2.680,667 gram.
De [naam pakket] is een standaardpakket dat gemiddeld 4.000 gram weegt, aldus [eiseres] .
2.13.
[eiseres] heeft verder uiteengezet dat de verzonden pakketten als volgt zijn in te delen:
Hoeveelheden [naam pakket]
2 personen boxen 1.017
3 personen boxen 756
4 personen boxen 414
Hoeveelheden [naam pakket]
4 personen boxen 532
2 personen boxen 1.282
[naam pakket] 179 (al toegevoegd aan de bestelde boxen, en niet apart geleverd)
2.14.
Volgens [eiseres] bestelden klanten die een [naam pakket] bestelden gemiddeld 3,224245328 gerechten per box, ongeacht de grootte van de gerechten, als volgt:
2 gerechten boxen 151
3 gerechten boxen 1.317
4 gerechten boxen 619
Het aantal gerechten in de [naam pakket] bedraagt standaard drie maaltijden.
2.15.
Door (i) de hoeveelheden van de boxen te vermenigvuldigen met (ii) het gemiddelde aantal gerechten en (iii) met het gemiddelde gewicht van de gerechten, kan (iv) het totale gewicht van alle zendingen worden berekend, aldus [eiseres] . Door het totaalgewicht van alle zendingen te delen door het totaal aantal zendingen – 4.001 volgens de interne administratie van [eiseres] – komt het gemiddelde gewicht van een pakket uit op 11,1024155 kilogram, aldus [eiseres] .
2.16.
Hoewel op de berekening van [eiseres] wel iets valt af te dingen, waarover hierna meer, heeft [eiseres] op de bovenvermelde wijze het aantal kilogrammen vervoerd gewicht in beginsel voldoende onderbouwd. Dat het hierbij gaat om een geschat gewicht en niet om een exact gewicht, doet daaraan niet af. Artikel 2 van het Besluit sluit een schatting van het gewicht niet uitdrukkelijk uit. Naar het oordeel van de rechtbank is [eiseres] , bij gebreke van informatie over de precieze inhoud en het precieze gewicht van de te laat bezorgde pakketten, aan de hand van de haar wél ter beschikking staande informatie voldoende accuraat te werk gegaan door op de bovenvermelde wijze het gemiddelde gewicht te nemen van alle pakketten die [gedaagde] voor haar heeft vervoerd. [gedaagde] heeft daar ook geen concreet ander gewicht tegenover gesteld. De rechtbank gaat bij de begroting van de schade dan ook in beginsel uit van de berekening van [eiseres] , met inachtneming van het navolgende.
2.17.
[gedaagde] voert aan dat de gewichten van de maaltijden die worden genoemd in de producties 2 en 3 bij de akte van [eiseres] niet worden onderbouwd. Zij betwist daarom de daarin genoemde cijfers, die volgens haar willekeurig zijn. [gedaagde] wijst erop dat [eiseres] in productie 2 vermeldt dat een zoete aardappel 600 gram weegt (Gerecht A), een aardappel 500 gram (Gerecht F), maar meerdere aardappelen (Gerecht H) ook 500 gram. Tomatenblokjes zouden 400 gram wegen (Gerecht F), maar meerdere tomaten 130 gram (Gerecht I), aldus [gedaagde] . Uit niets blijkt volgens [gedaagde] dat de producten daadwerkelijk wegen wat door [eiseres] is opgegeven. [gedaagde] betwist ook dat de [naam pakket] (precies) 4.000 gram zou wegen. De rechtbank gaat hieraan voorbij. [eiseres] heeft van de twaalf gerechten waaruit de [naam pakket] bestond telkens de ingrediënten opgesomd – die [gedaagde] op zichzelf niet heeft weersproken – en het bijbehorende gewicht daarvan vermeld voor respectievelijk twee, drie en vier personen. Bij geen van de ingrediënten staat een aantal vermeld. De verschillen in gewicht van de aardappel(en) in de door [gedaagde] genoemde gerechten zijn dan ook zonder nadere onderbouwing, die [gedaagde] niet heeft gegeven, niet opmerkelijk te noemen, laat staan dat daaraan de conclusie kan worden verbonden dat de genoemde gewichten onjuist zijn. Dat geldt ook voor de tomatenblokjes en tomaten. Tomatenblokjes zitten veelal in blik met daarbij vocht, hetgeen het hogere gewicht ten opzichte van de losse tomaten kan verklaren. Voor het overige heeft [gedaagde] haar betwisting van het gewicht van de gerechten niet geconcretiseerd. De rechtbank ziet in hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om niet uit te gaan van de door [eiseres] genoemde gewichten van de maaltijden. Dat geldt ook voor de [naam pakket] . [eiseres] verzond kennelijk boxen die tot een gewicht van 4.000 gram waren gevuld met fruit. Daarbij zal het ook zijn voorgekomen dat een [naam pakket] net iets meer of iets minder woog dan 4.000 gram, maar dat is geen reden om niet uit te gaan van dit gemiddelde gewicht.
2.18.
[gedaagde] voert verder aan dat [eiseres] pakketten leverde in verschillende formaten, zodat niet één gemiddeld gewicht kan worden gebruikt voor de berekening van de schade omdat alleen al de cijfers van de maaltijden sterk uiteenlopen. Zo zou voor twee personen Gerecht D bijvoorbeeld 845 gram wegen, maar Gerecht G 2,2 kilogram, oftewel 2,6 keer zo veel. Dit geldt ook voor de [naam pakket] , waar volgens productie 3 van [eiseres] Gerecht 1 voor twee personen 1,305 kilogram weegt, maar Gerecht 3 2,48 kilogram. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Het door [gedaagde] genoemde verschil in gewicht tussen Gerecht D en Gerecht G is verklaarbaar door het verschil in ingrediënten van de beide gerechten. Gerecht D bestaat uit onder meer garnalen, noedels, winterpeen en paksoi, terwijl Gerecht G onder meer een rode kool bevat, die alleen al 1 kilogram weegt. Ook gerecht 3 in de [naam pakket] bevat een rode kool van 1 kilogram. De onderling uiteenlopende gewichten van de maaltijden zijn dus evenmin reden om niet uit te gaan van de door [eiseres] opgevoerde cijfers.
2.19.
[gedaagde] betoogt verder dat niet is bewezen dat de gerechten genoemd in de producties 2 en 3 van [eiseres] überhaupt door haar zijn vervoerd, laat staan dat zij vertraagd door haar zijn vervoerd. [gedaagde] heeft echter niet gemotiveerd betwist dat [eiseres] de door haar genoemde gerechten ten tijde van de samenwerking tussen partijen in haar assortiment had. Zoals gezegd heeft [eiseres] bij gebreke van specifiekere gegevens het gemiddelde gewicht van de twaalf gerechten berekend. Dat stond haar in de gegeven omstandigheden vrij. Het verweer van [gedaagde] wordt verworpen. Als onvoldoende weersproken moet het er daarom voor worden gehouden dat [gedaagde] de genoemde gerechten voor [eiseres] heeft vervoerd. Eveneens staat vast dat [gedaagde] een deel van de pakketten vertraagd heeft bezorgd. Daaraan doet niet af dat niet exact vaststaat welke gerechten zich bevonden in de pakketten die te laat zijn bezorgd.
2.20.
[gedaagde] betwist ook de door [eiseres] opgevoerde aantallen van het type maaltijdbox dat de klanten zouden hebben besteld (zie hierboven 2.13). Hoewel aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat [eiseres] de bron van de door haar genoemde historische bestelgegevens niet in het geding heeft gebracht, heeft [gedaagde] op haar beurt niet onderbouwd waarom de door [eiseres] genoemde aantallen niet zouden kunnen kloppen. De rechtbank ziet in de enkele betwisting door [gedaagde] dan ook geen reden om niet uit te gaan van de aantallen die [eiseres] heeft genoemd. Datzelfde geldt ook voor de door [eiseres] genoemde gemiddelde aantallen gerechten die per box werden besteld (zie hierboven 2.14).
2.21.
[gedaagde] voert verder aan dat [eiseres] bij het gemiddelde getal voor de [naam pakket] zes cijfers achter de komma heeft gehanteerd terwijl bij de overige getallen telkens afgeronde getallen staan vermeld. Nog daargelaten dat de rechtbank niet duidelijk is op welk getal met zes cijfers achter de komma [gedaagde] doelt, maakt het aantal cijfers achter de komma de berekening, anders dan [gedaagde] meent, op zichzelf niet inaccuraat. [gedaagde] heeft niet onderbouwd waarom de berekening als gevolg van het aantal cijfers achter de komma niet zou kloppen.
2.22.
Het verweer van [gedaagde] dat de tempexdoos ten onrechte wordt meegenomen in de berekening van het gewicht slaagt wél. Artikel 3 lid 2 sub a van het Besluit bepaalt dat indien de verpakking van de zaak niet door of vanwege de vervoerder ter beschikking is gesteld en zij blijkens haar aard bestemd is voor meer dan één vervoer te worden gebruikt, in geval de schadevergoeding uitsluitend de zaak betreft, uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de zaak zonder haar verpakking woog. In dit geval werden de door [eiseres] ter beschikking gestelde tempexdozen hergebruikt en niet door de klanten behouden. [eiseres] heeft niet gesteld dat de doos zou zijn beschadigd door [gedaagde] . De doos kan dus niet worden meegenomen bij de berekening van het totaalgewicht. Op het gemiddelde gewicht per pakket moet daarom het door [eiseres] opgevoerde gewicht van de doos van 5 kilogram in mindering worden gebracht. Voor het gemiddelde gewicht van een pakket zal de rechtbank dus uitgaan van 6,1024155 (11,1024155 minus 5) kilo.
2.23.
Al het voorgaande leidt tot de volgende begroting van de schade van [eiseres] die moet worden vergoed door [gedaagde] . Van 259 pakketten kan worden vastgesteld dat deze te laat door [gedaagde] zijn bezorgd (zie hierboven 2.4). Het gemiddelde gewicht per pakket bedraagt volgens [eiseres] 11,1024155 kilo (zie 2.15), maar daarvan moet het gewicht van de tempexdoos van 5 kilo worden afgetrokken (zie 2.22). Het gemiddelde gewicht per pakket komt daarmee op 6,1024155 kilo. Er is dus een totaalgewicht van 259 × 6,1024155 oftewel 1.580,5256145 kilo te laat door [gedaagde] bezorgd. Dit betekent dat een bedrag van € 5.373,79 (1.580,5256145 × € 3,40) aan schade voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking komt.
2.24.
Dit brengt de rechtbank tot de volgende beslissingen.
Zoals de rechtbank in het tussenvonnis (onder 4.1-4.2) heeft overwogen, moet de primaire vordering onder 1 worden afgewezen. De primair onder 2 gevorderde verklaring voor recht is in zoverre toewijsbaar dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [gedaagde] op grond van artikel 8:1103 BW juncto artikel 6:74 lid 1 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden als gevolg van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de vervoersovereenkomst met [eiseres] , welke schade wordt begroot op een bedrag van € 5.373,79. Omdat de rechtbank de schade zelf kan begroten, bestaat geen grond voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure zoals primair onder 3 was gevorderd. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot vergoeding van de schade tot voornoemd bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. De primair onder 4 gevorderde vergoeding van juridische expertisekosten ter hoogte van € 6.352,50 exclusief btw zal worden afgewezen, omdat [eiseres] deze op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Aan de subsidiaire vorderingen komt de rechtbank niet toe.
2.25.
[gedaagde] is de overwegend in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van [eiseres] op:
- dagvaarding € 90,62
- griffierecht 2.076,00
- salaris advocaat 1.434,00 (3,0 punten × tarief € 478,00)
Totaal € 3.600,62
2.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als vermeld onder de beslissing.
in reconventie
2.27.
In het tussenvonnis (onder 4.13) heeft de rechtbank overwogen dat de gevorderde hoofdsom toewijsbaar is, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW, vanaf de dag volgend op de dag die is overeengekomen als uiterste dag van betaling tot aan de algehele voldoening. Verder heeft de rechtbank in het tussenvonnis overwogen (onder 4.14) dat de buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. Deze beslissingen zullen hierna onder 3 worden vastgelegd.
2.28.
De gevorderde nakosten en de wettelijke rente daarover zijn toewijsbaar als vermeld onder de beslissing.
2.29.
[eiseres] wordt overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op € 1.442,00 wegens salaris advocaat (2,0 punten × factor 1,0 × tarief € 721,00).
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] op grond van artikel 8:1103 BW juncto artikel 6:74 lid 1 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden als gevolg van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de vervoersovereenkomst met [eiseres] , welke schade wordt begroot op een bedrag van € 5.373,79,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen voornoemd bedrag van € 5.373,79 (vijfduizenddriehonderddrieënzeventig euro en negenenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 21 april 2021 tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 3.600,62, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.4.
verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de onder 3.2 en 3.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
3.6.
veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 27.999,70 (zevenentwintigduizend negenhonderdnegenennegentig euro en zeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag telkens vanaf de dag volgend op de dag die is overeengekomen als uiterste dag van betaling tot de dag van volledige betaling,
3.7.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.442,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.8.
veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
3.9.
verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2022.
JE/KH
Uitspraak 06‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Vervoerrecht. Geen roekeloos handelen (art. 8:1108 lid 1 BW). Beroep vervoerder op aansprakelijkheidsbeperkingen (art. 8:1103 en 8:1105 BW) slaagt. Zaak naar rol voor uitlating opdrachtgever over omvang vervoerd gewicht niet tijdig bezorgde zendingen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer / rolnummer: C/05/392415 / HZ ZA 21-292
Vonnis van 6 april 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B&DC B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaten mrs. J. Mouthaan en L.D.M. Dingemans te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RED JE PAKKETJE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaten mr. A.E. Mulder en R. Davans te Ede.
Partijen zullen hierna B&DC en Red Je Pakketje worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 3 november 2021
- -
de akte aanvullende informatie van B&DC van 17 januari 2022
- -
het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 17 januari 2022
- -
de e-mail van mr. Van Benten van 31 januari 2022 waarin hij namens B&DC meedeelt dat partijen geen minnelijke regeling hebben getroffen en vonnis vraagt
- -
de akte na mondelinge behandeling van Red Je Pakketje van 2 februari 2022 waarin zij meedeelt dat partijen geen schikking hebben bereikt en vonnis vraagt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Red Je Pakketje oefent een pakketbezorgdienst uit.
2.2.
B&DC richt zich op de verkoop van verse maaltijdboxen via de online markt. Via een aantal websites kunnen klanten maaltijdboxen bestellen. De boxen worden vervolgens bij de klant thuis bezorgd.
2.3.
Vanaf haar oprichting in 2015 heeft B&DC de bezorging van de maaltijdboxen uitbesteed aan een vervoerder. Van november 2015 tot en met december 2019 was dat PostNL.
2.4.
In het najaar van 2019 besloot B&DC over te stappen naar een andere pakketbezorgingsdienst. B&DC is met een aantal andere bezorgdiensten in gesprek gegaan over hun dienstverlening, waaronder Red Je Pakketje.
2.5.
Partijen werden het erover eens dat Red Je Pakketje de nieuwe vervoerder van B&DC zou worden. Zij hebben overleg gevoerd over de invulling van hun samenwerking.
2.6.
Bij e-mails van 11 en 13 december 2019 heeft Red Je Pakketje een model raamovereenkomst, een model verwerkersovereenkomst en haar algemene voorwaarden aan B&DC gestuurd (producties 1-3 bij dagvaarding; hierna tezamen: Concept Raamovereenkomst 1). De concept-raamovereenkomst bevatte de voorwaarden waaronder Red Je Pakketje bereid was haar diensten te verrichten. In de algemene voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
Artikel 14. Aansprakelijkheid
(…)
5. Indien Vervoerder aansprakelijk mocht zijn voor enigerlei schade, dan is de aansprakelijkheid van Vervoerder beperkt tot maximaal € 250,00 per zending. Hierbij wordt uitgegaan van de marktwaarde van het geleverde.
(…)”
2.7.
Bij e-mail van 12 december 2019 (productie 3 bij antwoord) heeft Red Je Pakketje aan B&DC een overzicht van haar tarieven gestuurd.
2.8.
Bij e-mail van 13 december 2019 (productie 4 bij antwoord) heeft B&DC Red Je Pakketje bedankt voor het toesturen van de SLA en raamovereenkomst en heeft zij meegedeeld dat zij nog een aanpassing heeft in de raamovereenkomst, namelijk dat indexering per 1 januari 2021 moet plaatsvinden in plaats van per 1 januari 2020.
2.9.
Bij e-mail van 17 december 2019 (productie 5 bij dagvaarding) heeft B&DC een Service Level Agreement (hierna: SLA) – met daarin bepalingen over het servicelevel (percentage pakketten dat binnen een bepaald tijdvak wordt afgeleverd), meetmomenten, boetes en norm voor klanttevredenheid – aan Red Je Pakketje gestuurd ter opname in Concept Raamovereenkomst 1.
2.10.
Bij e-mail van 18 december 2019 (productie 23 bij dagvaarding) heeft Red Je Pakketje aan B&DC onder meer geschreven:
“(…)
Zoals in de vorige mail ook al beschreven stond zijn er drie mogelijkheden om pakketten aan te melden:
- Handmatig
- CSV-bestand
- API-koppeling
(…)
Cut-off: 13:00
De cut-off tijd is de tijd tot wanneer je pakketten kunt aanmelden die dezelfde dag bezorgd zullen worden. Indien er een pakket na de cut-off tijd wordt aangemeld, zal deze automatisch op de volgende dag gezet worden. (…)”
2.11.
Bij e-mail van 20 december 2019 (productie 8 bij dagvaarding) heeft Red Je Pakketje de door B&DC voorgestelde SLA (zie 2.9) afgewezen. Red Je Pakketje heeft een aangepaste model raamovereenkomst, aangepaste algemene voorwaarden en een aangepaste SLA alsmede een tarievenlijst (productie 6 bij dagvaarding; hierna samen: Concept Raamovereenkomst 2) aan B&DC gestuurd.
2.12.
B&DC heeft de door Red Je Pakketje doorgevoerde wijzigingen in Concept Raamovereenkomst 2 niet geaccepteerd. De beide Concept Raamovereenkomsten hebben eind december 2019 dan ook niet tot een ondertekende finale overeenkomst geleid. Desondanks zijn partijen met elkaar gaan samenwerken.
2.13.
Op 6 januari 2020 heeft Red Je Pakketje de eerste zendingen voor B&DC bezorgd.
Bij een aantal van die zendingen is een sorteerfout gemaakt, waardoor de pakketten naar een verkeerd distributiecentrum van Red Je Pakketje zijn gestuurd en als gevolg daarvan niet tijdig aan de chauffeur op de ingeplande route konden worden meegegeven. Red Je Pakketje heeft B&DC diezelfde dag per e-mail een overzicht gestuurd van de betreffende zendingen (productie 9 bij dagvaarding). Red Je Pakketje heeft zich bij de betreffende klanten geëxcuseerd (productie 10 bij dagvaarding) en de volgende dag de pakketten alsnog bij hen bezorgd.
2.14.
Bij e-mail van 14 januari 2020 (productie 11 bij dagvaarding) heeft Red Je Pakketje B&DC geïnformeerd over 39 maaltijdboxen die zijn bezorgd na 22.00 uur.
2.15.
Bij e-mail van 21 januari 2020 (productie 12 bij dagvaarding) heeft Red Je Pakketje een overzicht gestuurd van zendingen die door tijdnood niet zijn geleverd.
2.16.
Bij e-mail van 29 januari 2020 (productie 13 bij dagvaarding) heeft Red Je Pakketje aan B&DC excuses aangeboden voor het feit dat een derde van de zendingen niet is geleverd, met daarbij een overzicht van wat er is misgegaan. In dat overzicht staat “sorteerfout” vermeld als belangrijkste oorzaak.
2.17.
Bij e-mail van diezelfde dag (productie 14 bij dagvaarding) heeft B&DC aan Red Je Pakketje een terugkoppeling gegeven van feedback van klanten over de dienstverlening van Red Je Pakketje. Volgens die e-mail zijn vaste klanten van plan te stoppen omdat zij veel klachten hebben over de dienstverlening. De klachten hebben betrekking op bezorging na 22.00 uur en kapotte of beschadigde producten. B&DC heeft in de e-mail benadrukt dat het fijn zou zijn als de verspakketten tot en met 21.00 uur zouden worden ingepland, zodat wanneer er vertraging is de maaltijdbox niet pas om 23.00 uur wordt bezorgd.
2.18.
Bij e-mail van 4 februari 2020 (productie 15 bij dagvaarding) heeft B&DC aan Red Je Pakketje gevraagd om telefonisch contact te hebben over de resultaten van de vorige dag, de ervaringen op de klantenservice van Red Je Pakketje, wat na 22.00 uur is bezorgd, wat gaat worden nageleverd en aanpassingen in het proces.
2.19.
Bij e-mail van 12 februari 2020 (productie 16 bij dagvaarding) heeft B&DC aan Red Je Pakketje kort gezegd geschreven dat geen haalbare routes worden gecalculeerd, waardoor de meeste routes met een uur uitlopen. De cijfers zijn sinds de start van de bezorging door Red Je Pakketje allesbehalve positief, aldus de mail. B&DC heeft Red Je Pakketje in de e-mail opgeroepen de “basics” te “fixen” en te leveren tussen 18.00 uur en 22.00 uur met de focus op kwaliteit.
2.20.
Op 13 februari 2020 hebben vertegenwoordigers van B&DC en Red Je Pakketje de dienstverlening van Red Je Pakketje tot dan toe geëvalueerd. B&DC heeft aan Red Je Pakketje laten weten dat zij zeer ontevreden is over de samenwerking.
2.21.
Bij e-mail van diezelfde datum (productie 17 bij dagvaarding) heeft Red Je Pakketje de samenwerking beëindigd. Red Je Pakketje heeft hierbij laten weten dat zij in week 11 de laatste zendingen voor B&DC zal verzorgen.
2.22.
Volgens het door Red Je Pakketje als productie 7 bij antwoord overgelegde overzicht heeft B&DC 4.914 zendingen bij Red Je Pakketje aangemeld. Daarvan heeft Red Je Pakketje 4.001 zendingen voor B&DC bezorgd, waarvan 3.274 zendingen bij de eerste afleverpoging, 497 bij de tweede poging, 225 bij de derde poging, vier bij de vierde poging en één bij de vijfde poging. Er zijn 858 zendingen geannuleerd. Door toedoen van Red Je Pakketje zijn 113 zendingen niet op de eerste dag bezorgd, 190 niet op de tweede dag en vier niet op de derde dag. 29 pakketten zijn in het geheel niet afgeleverd en geretourneerd aan B&DC. Vier zendingen zijn zoekgeraakt.
2.23.
Na de beëindiging van de samenwerking tussen B&DC en Red Je Pakketje heeft een derde partij in opdracht van B&DC de bezorgwerkzaamheden op zich genomen.
2.24.
Red Je Pakketje heeft B&DC in verband met de door haar verrichte bezorgdiensten negen facturen gestuurd ter hoogte van in totaal € 32.957,30 inclusief btw. B&DC heeft daarvan twee facturen – ten bedrage van in totaal € 8.886,25 inclusief btw – betaald. De overige facturen heeft zij onbetaald gelaten.
2.25.
Bij brief van 9 juli 2020 (productie 8 bij antwoord) heeft (de advocaat van) Red Je Pakketje B&DC verzocht, en voor zover nodig gesommeerd, de nog openstaande facturen ter hoogte van in totaal € 27.999,70 inclusief btw te betalen. B&DC is daartoe niet overgegaan.
2.26.
Bij brief van 14 augustus 2020 (productie 9 bij antwoord) heeft (de advocaat van) B&DC aan (de advocaat van) Red Je Pakketje onder meer meegedeeld dat 286 klanten, oftewel ongeveer een derde van het klantenbestand dat door Red Je Pakketje zou worden bediend, bij haar hebben geklaagd over de bezorging van de maaltijdboxen. Volgens de brief is geklaagd omdat de maaltijdboxen te laat op de afgesproken dag, de volgende dag of helemaal niet zijn bezorgd. Bovendien hebben klanten geklaagd over onzorgvuldige behandeling van de boxen waardoor de box of inhoud daarvan is beschadigd. De 286 klanten die over de bezorging hebben geklaagd, maken om die reden niet langer gebruik van de diensten van B&DC, aldus de brief. Ter zitting heeft B&DC het aantal van 285 (in plaats van 286) genoemd. Zij heeft verduidelijkt dat het niet gaat om 285 klagers, maar om 285 klachten, waarbij een aantal klanten meer dan één keer heeft geklaagd. De problemen in de bezorging hebben geleid tot omzetverlies en kosten om de schade te beperken. B&DC heeft Red Je Pakketje uitgenodigd over één en ander in gesprek te gaan. Tot overeenstemming tussen partijen is het niet gekomen.
3. Het geschil
in conventie
3.1.
B&DC vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
- 1.
Red Je Pakketje gebiedt op de voet van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) alle bij haar beschikbare informatie die betrekking heeft op het klantenbestand van B&DC, waaronder al haar klantgegevens, te verstrekken aan B&DC;
- 2.
voor recht verklaart dat Red Je Pakketje aansprakelijk is op grond van artikel 8:1108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 8:1103 BW juncto artikel 6:74 lid 1 BW voor alle schade die B&DC heeft geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van de vervoersovereenkomst met B&DC;
- 3.
Red Je Pakketje veroordeelt tot vergoeding van de door B&DC geleden schade, nader op te maken bij staat ex artikel 612 Rv, vermeerderd met wettelijke rente;
- 4.
Red Je Pakketje veroordeelt in de proceskosten, met inbegrip van de expertisekosten ter hoogte van € 6.352,50 exclusief btw, vermeerderd met wettelijke rente;
subsidiair:
5. voor recht verklaart dat Red Je Pakketje aansprakelijk is op grond van artikel 8:1108 BW juncto artikel 8:1103 BW juncto artikel 6:74 lid 1 BW voor alle op grond van die artikelen voor vergoeding in aanmerking komende schade die B&DC heeft geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van de vervoersovereenkomst met B&DC;
6. Red Je Pakketje veroordeelt tot vergoeding van de door B&DC geleden schade, nader op te maken bij staat ex artikel 612 Rv, vermeerderd met wettelijke rente;
7. Red Je Pakketje veroordeelt in de proceskosten, met inbegrip van de expertisekosten ter hoogte van € 6.352,50 exclusief btw, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
B&DC legt aan haar vorderingen ten grondslag, samengevat, dat Red Je Pakketje ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van de vervoersovereenkomst en roekeloos heeft gehandeld en dat zij daarom op grond van de artikelen 8:1108 juncto 8:1103 juncto 6:74 BW volledig aansprakelijk is voor alle schade, gevolgschade daaronder begrepen, onder de vervoersovereenkomst door:
- a.
het aangaan van een vervoersovereenkomst terwijl zij wist of had kunnen weten dat zij deze niet correct en met de nodige zorgvuldigheid ten uitvoer kon leggen;
- b.
het niet tijdig, correct, volledig en dus ondeugdelijk uitvoeren van de bezorgingen van de maaltijdboxen in opdracht van B&DC;
- c.
het afleveren van tijdens het vervoer beschadigde maaltijdboxen;
- d.
het na de intake kwijtraken van maaltijdboxen;
- e.
het weigeren toegang te verlenen tot de portal van Red Je Pakketje waarin de bezorgingen, levertijden, klachten en overige bezorgdata van de klanten van B&DC inzichtelijk zouden moeten zijn gemaakt door Red Je Pakketje;
- f.
het niet correct rekening en verantwoording afleggen door Red Je Pakketje aan B&DC over de bezorgdiensten die Red Je Pakketje heeft uitgevoerd.
3.3.
Gelet op het roekeloze karakter van het handelen van Red Je Pakketje moet de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 8:1103 en volgende BW volgens B&DC worden doorbroken op grond van artikel 8:1108 BW. Op grond van artikel 8:1108 lid 2 BW is het schadebeperkende beding dat is opgenomen in beide versies van de algemene voorwaarden van Red Je Pakketje van rechtswege nietig en kan Red Je Pakketje zich hierop dus niet beroepen, aldus B&DC. Door de blokkering van de informatievoorziening door Red Je Pakketje is de precieze omvang van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt niet in te schatten. Daarom moet deze volgens B&DC nader worden opgemaakt bij staat ex artikel 162 Rv.
3.4.
Red Je Pakketje voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van B&DC in haar vorderingen althans tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van B&DC in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.
3.5.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover van belang voor de beoordeling.
in reconventie
3.6.
Red Je Pakketje vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, B&DC veroordeelt tot betaling aan haar van:
- 1.
€ 27.999,70, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, te berekenen vanaf de dag volgend op de dag die is overeengekomen als uiterste dag van betaling, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van de algehele voldoening;
- 2.
de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.055,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 13 maart 2020 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van de algehele voldoening;
- 3.
de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.
3.7.
Red Je Pakketje legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij maaltijdboxen voor B&DC heeft bezorgd en dat zij in verband daarmee facturen aan B&DC heeft gestuurd ter hoogte van in totaal € 32.479,13. B&DC heeft daarvan slechts een bedrag van € 8.886,25 voldaan, zodat een bedrag van € 27.999,70 nog openstaat. De vordering strekt tot nakoming, bestaande uit betaling van het nog openstaande factuurbedrag.
3.8.
B&DC voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie, met (de rechtbank begrijpt:) veroordeling van Red Je Pakketje in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
3.9.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.
4. De beoordeling
in conventie
verstrekken van informatie op grond van artikel 22 Rv/artikel 843a Rv
4.1.
De primaire vordering onder 1) strekt ertoe dat de rechtbank Red Je Pakketje gebiedt alle bij haar beschikbare informatie die betrekking heeft op het klantenbestand van B&DC, waaronder al haar klantgegevens, aan B&DC te verstrekken. B&DC legt aan die vordering artikel 22 Rv ten grondslag. Die bepaling richt zich echter tot de rechter en geeft partijen geen rechtstreekse aanspraak op het overleggen van stukken. Daarbij komt dat B&DC de informatie die zij van Red Je Pakketje wil hebben onvoldoende heeft gespecificeerd. Zij wenst immers “alle beschikbare informatie die betrekking heeft op het klantenbestand van B&DC, waaronder haar klantgegevens”. Die formulering is te algemeen. Mede gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om hier gebruik te maken van haar in artikel 22 Rv vervatte bevoegdheid.
4.2.
Ter zitting – in haar spreekaantekeningen – heeft B&DC de rechtsgrond van haar vordering uitgebreid tot artikel 843a Rv. Dit moet worden beschouwd als een eisvermeerdering. Op zichzelf is een eisvermeerdering toegestaan zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen (artikel 130 lid 1 Rv). De vordering van B&DC is echter dermate ruim geformuleerd dat niet kan worden gesproken van een verzoek om inzage in bepaalde, met name genoemde stukken. B&DC heeft de gevraagde informatie niet nader aangeduid dan hierboven onder 4.1 is geciteerd. Dat is te algemeen en daarmee is geen sprake van “bepaalde” bescheiden in de zin van artikel 843a Rv. Gelet hierop is de primaire vordering onder 1) voor zover deze is gegrond op artikel 843a Rv niet toewijsbaar. De overige vereisten van artikel 843a Rv kunnen buiten bespreking blijven.
aansprakelijkheid op grond van artikelen 8:1108 juncto 8:1103 BW juncto 6:74 lid 1 BW?
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat een vervoerder op grond van de artikelen 8:1095 en 8:1096 BW verplicht is ten vervoer ontvangen zaken op de bestemming af te leveren en wel in de staat waarin hij deze heeft ontvangen en zonder vertraging. Op zichzelf is niet in geschil dat Red Je Pakketje in ieder geval ten aanzien van een deel van de zendingen niet aan die verplichting heeft voldaan, doordat een deel van de zendingen te laat is bezorgd. Red Je Pakketje is dus in zoverre in haar verbintenis tekortgeschoten en in beginsel schadeplichtig tegenover B&DC (artikel 6:74 lid 1 BW).
4.4.
B&DC stelde zich aanvankelijk ook nog op het standpunt dat een deel van de zendingen niet deugdelijk is afgeleverd, doordat de inhoud beschadigd is geraakt. Dat standpunt heeft zij echter ter zitting laten varen. Het geschil beperkt zich dus tot de te laat bezorgde zendingen.
4.5.
In geschil is of Red Je Pakketje al dan niet onbeperkt aansprakelijk is voor de (gevolg)schade die B&DC heeft geleden als gevolg van de te late bezorging van zendingen. Meer specifiek is in geschil of Red Je Pakketje zich al dan niet kan beroepen op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 8:1105 BW, waarin de aansprakelijkheid wordt beperkt en wel – op grond van de artikelen 1 en 2 van het Besluit ex artikel 1105 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 2001, 415) – tot een bedrag van € 3,40 per kilogram vervoerd gewicht. Daarnaast is in geschil of Red Je Pakketje zich al dan niet kan beroepen op artikel 8:1103 BW, waarin is bepaald dat gevolgschade is uitgesloten. Volgens B&DC kan Red Je Pakketje geen beroep doen op deze aansprakelijkheidsbeperkingen, gelet op de uitzondering van artikel 8:1108 lid 1 BW. De vraag is dus of deze uitzondering zich al dan niet voordoet.
4.6.
In artikel 8:1108 lid 1 BW is bepaald dat de vervoerder zich niet kan beroepen op enige beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is ontstaan uit zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien. Uit de woorden “uit zijn eigen handeling of nalaten” volgt dat de bepaling is beperkt tot opzet of bewuste roekeloosheid van de vervoerder zelf. Verder volgt uit vaste jurisprudentie (onder meer Hoge Raad 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9309) dat aan het criterium “roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien” is voldaan wanneer degene die zich aldus gedraagt het aan die gedraging verbonden gevaar kende en zich ervan bewust was dat de kans dat het gevaar zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter zou zijn dan de kans dat dit niet zou gebeuren, maar zich door dit één en ander niet van dit gedrag heeft laten weerhouden.
4.7.
Gesteld noch gebleken is dat sprake is van opzet in de zin van artikel 8:1108 lid 1 BW aan de zijde van Red Je Pakketje.
4.8.
Van roekeloos handelen in de zin van artikel 8:1108 lid 1 BW is in dit geval sprake indien Red Je Pakketje zich op een bepaalde manier heeft gedragen, met de wetenschap dat de zendingen door die gedraging waarschijnlijk te laat zouden worden bezorgd. B&DC heeft aangevoerd dat sprake is van roekeloos handelen door Red Je Pakketje omdat:
- 1.
Red Je Pakketje een voor haar nieuw vervoerssegment van bederfelijke waar betrad waarin zij geen enkele ervaring bleek te hebben en waarvoor zij in het geheel niet was toegerust;
- 2.
de intake van de maaltijdboxen structureel fout ging waardoor zogenoemde sorteerfouten schering en inslag waren;
- 3.
de routeplanning (mede) als gevolg daarvan bij voorbaat al onjuist/onhaalbaar was;
- 4.
de aflevering van de maaltijdboxen (mede) daardoor, maar ook door het niet zelden voortijdig terugroepen van chauffeurs structureel ontijdig was;
- 5.
de aflevering zelf (te) vaak te wensen overliet, als de maaltijdboxen niet soms al verloren waren gegaan.
4.9.
Mede bezien in het licht van de gemotiveerde betwisting door Red Je Pakketje
zijn deze door B&DC gemaakte verwijten naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als roekeloos handelen in vorenbedoelde zin. Zelfs al zouden de verwijten op zichzelf terecht zijn, dan betekent dit zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, nog niet dat Red Je Pakketje roekeloos heeft gehandeld met de wetenschap dat de kans op te late bezorging aanzienlijk groter was dan de kans op tijdige bezorging, maar zich daardoor niet van haar gedrag heeft laten weerhouden. Daarop stuit het beroep van B&DC op doorbreking van de beperkte aansprakelijkheid af. Red Je Pakketje heeft dus op goede gronden een beroep gedaan op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 8:1103 BW, waarin gevolgschade wordt uitgesloten, en van artikel 8:1105 BW, waarin de aansprakelijkheid wordt beperkt tot een bedrag van € 3,40 per kilogram vervoerd gewicht.
4.10.
Dit betekent dat B&DC slechts aanspraak kan maken op vergoeding van haar directe schade tot een bedrag van € 3,40 per kilogram vervoerd gewicht en dat alle overige (gestelde) schade niet voor vergoeding door Red Je Pakketje in aanmerking komt.
De primair onder 2) gevorderde verklaring voor recht is in zoverre beperkt toewijsbaar.
4.11.
De primaire vordering onder 3) strekt tot de veroordeling van Red Je Pakketje tot vergoeding van de door B&DC geleden schade, nader op te maken bij staat. Omdat de schade die voor vergoeding in aanmerking komt zich gezien het voorgaande beperkt tot een bedrag van € 3,40 per kilogram vervoerd gewicht, acht de rechtbank zich in beginsel in staat de schade te begroten. Een verwijzing naar de schadestaatprocedure kan dan achterwege blijven. Om de schade te kunnen begroten, heeft de rechtbank nog wel inzicht nodig in het aantal kilogrammen vervoerd gewicht van de niet tijdig bezorgde zendingen. De rechtbank zal B&DC in de gelegenheid stellen die informatie (gespecificeerd en voorzien van een toelichting) bij akte in het geding te brengen. Zij zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen. Red Je Pakketje mag daarop vervolgens bij antwoordakte reageren.
4.12.
In afwachting van de aangekondigde aktewisseling zal de rechtbank nu iedere verdere beslissing in conventie aanhouden.
in reconventie
4.13.
B&DC erkent het bestaan en de omvang van de vordering, die strekt tot betaling van openstaande facturen. Zij beroept zich er echter op dat zij de betaling rechtsgeldig heeft opgeschort (artikel 6:52 BW). B&DC heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat en wanneer zij tegenover Red Je Pakketje een beroep op opschorting heeft gedaan. Ter zitting heeft Red Je Pakketje onweersproken aangevoerd dat B&DC zich niet eerder op opschorting heeft beroepen dan ná de brief van Red Je Pakketje van 9 juli 2020, waarin Red Je Pakketje aanspraak maakte op betaling van haar openstaande facturen (zie 2.25). Op het moment van opschorting was de betalingstermijn van die facturen al ruimschoots verstreken. De betalingstermijn bedraagt immers vijf dagen na factuurdatum, terwijl de eerste factuur dateert van 20 januari 2020 en de laatste factuur van 9 maart 2020. Als gevolg daarvan is B&DC in verzuim geraakt ten aanzien van haar betalingsverplichting (artikel 6:83 sub a BW). Nu B&DC in schuldeisersverzuim verkeert, komt haar op grond van artikel 6:54 sub a BW geen recht op opschorting toe. Dit leidt ertoe dat de gevorderde hoofdsom toewijsbaar is, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, vanaf de dag volgend op de dag die is overeengekomen als uiterste dag van betaling tot aan de algehele voldoening.
4.14.
De rechtbank zal de door Red Je Pakketje gevorderde buitengerechtelijke incassokosten bij eindvonnis afwijzen. Met de enkele opsomming van enkele verrichte werkzaamheden is onvoldoende gebleken dat Red Je Pakketje voorafgaand aan de procedure werkzaamheden heeft verricht waarvoor een eventuele proceskostenveroordeling geen vergoeding pleegt in te sluiten.
4.15.
De rechtbank zal niet afwijken van het principe om in conventie en reconventie tegelijk eindvonnis te wijzen. Gelet op de beslissing in conventie zal in reconventie nu iedere verdere beslissing worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 mei 2022 voor het nemen van een akte door B&DC over hetgeen is vermeld onder 4.11, waarna Red Je Pakketje op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
in conventie en in reconventie
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022.
JE/KH