AB 2022/144
Bij planschade- en nadeelcompensatiezaken in omgevingsrecht geen grondentrechter tussen beroep en hoger beroep.
RvS 09-03-2022, ECLI:NL:RVS:2022:693, m.nt. A.G.A. Nijmeijer en H.D. Tolsma
- Instantie
Raad van State
- Datum
9 maart 2022
- Magistraten
Mr. J.E.M. Polak
- Zaaknummer
202100368/1/A2
- Noot
A.G.A. Nijmeijer en H.D. Tolsma
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS642417:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Hoger beroep
Ruimtelijk bestuursrecht / Tegemoetkoming in schade (planschade)
Omgevingsrecht / Nadeelcompensatie
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2022:693, Uitspraak, Raad van State, 09‑03‑2022
- Wetingang
Art. 6.1 Wro
Essentie
Bij planschade- en nadeelcompensatiezaken in omgevingsrecht geen grondentrechter tussen beroep en hoger beroep.
Samenvatting
Hoewel een besluit over planschade gebaseerd is op artikel 6.1 Wro heeft de Afdeling met zaken op het gebied van het omgevingsrecht niet mede het oog gehad op zaken over tegemoetkoming in planschade. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat er geen aanleiding om op dit punt een onderscheid te maken tussen planschadezaken en andere nadeelcompensatiezaken. Net als bij nadeelcompensatiezaken, waarbij het gaat om schade die beweerdelijk is veroorzaakt door een besluit dat niet is gebaseerd op het omgevingsrecht, wordt bij planschadezaken en andere nadeelcompensatiezaken in het omgevingsrecht de grondentrechter verlaten. Er gelden wel enige beperkingen voor het aanvoeren van nieuwe gronden in hoger beroep. Zo zullen gronden die uitdrukkelijk zijn prijsgegeven, buiten beschouwing worden gelaten als zij in hoger beroep (opnieuw) worden aangevoerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9486, en het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7213). Verder kan op een gegeven instemming met een door de rechter in eerste aanleg gekozen werkwijze in hoger beroep niet worden teruggekomen (uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1317). Deze uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor.
Partij(en)
Uitspraak op het hoger beroep van appellant, tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 december 2020 in zaak nr. 20/1606 in het geding tussen:
Appellant,
en
Het college van burgemeester en wethouders van Bunnik.
Uitspraak
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2019 heeft het college de aanvraag van appellant om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.
Bij besluit van 17 maart 2020 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 december 2020 heeft de rechtbank het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht (niet opgenomen; red.).
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2021, waar appellant en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Aznag, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.
Appellant is eigenaar van de woning locatie 1 te Bunnik. Hij heeft gevraag om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van omgevingsvergunningen voor het plaatsen van een condensator en voor het plaatsen van een reclamewerk en ten gevolge van een wijziging van het bestaande bestemmingsplan waardoor een uitbreiding van een supermarkt mogelijk wordt gemaakt. Volgens appellant leiden deze besluiten tot waardevermindering van zijn woning, waardoor hij schade lijdt.
2.
Het college heeft aan het besluit van 24 juli 2019 een door Thorbecke B.V. opgesteld advies van 21 juni 2019 ten grondslag gelegd. In het advies van Thorbecke is vermeld dat de uitbreiding van de supermarkt mogelijk is gemaakt in het op 5 december 2014 in werking getreden bestemmingsplan "J.F. Kennedylaan e.o. Bunnik" (hierna: het nieuwe bestemmingsplan).
In het advies is ook vermeld dat aan een slagerij op 24 mei 2018 een omgevingsvergunning is verleend voor het plaatsen van een condensator aan de achtergevel op de [locatie 2] te Bunnik en op 1 maart 2016 een omgevingsvergunning is verleend voor het plaatsen van een vleespen met reclametekst op dezelfde locatie. Thorbecke heeft deze omgevingsvergunningen niet bij zijn advies betrokken.
Thorbecke heeft het nieuwe bestemmingsplan vergeleken met het op 23 augustus 2013 in werking getreden bestemmingsplan "Dorp Bunnik 2012" (hierna: het oude bestemmingsplan). Volgens het advies volgt uit een vergelijking van de maximale bouwmogelijkheden van de beide bestemmingplannen dat appellant van de bouwmogelijkheden in het nieuwe bestemmingsplan minder uitzichthinder en schaduwhinder kan ondervinden dan hij kon ondervinden van de bouwmogelijkheden van het oude bestemmingsplan. Uit een vergelijking van de gebruiksmogelijkheden volgt dat de gebruiksmogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan voor appellant per saldo nadeliger zijn dan de gebruiksmogelijkheden van het oude bestemmingsplan. Thorbecke heeft geconcludeerd dat het nieuwe bestemmingsplan tot licht planologisch nadeel leidt door toegenomen licht-, geluid- en parkeerhinder en een verminderde situeringswaarde. Thorbecke heeft het planologisch nadeel bepaald op € 4.000. Volgens Thorbecke geldt voor appellant in deze zaak een normaal maatschappelijk risico van 5%, zijnde een bedrag van € 9.375. Thorbecke heeft geadviseerd het verzoek om een tegemoetkoming in planschade af te wijzen, omdat het planologisch nadeel geheel binnen het normaal maatschappelijk risico valt
3.
Het college heeft in het besluit van 10 maart 2020 zijn motivering voor de afwijzing aangevuld. Het college heeft zich in dat besluit op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunningen van 24 mei 2018 en 1 maart 2016 in overeenstemming met de geldende bestemmingsplannen zijn verleend en geen schadeoorzaken zijn als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).
4.
De rechtbank heeft overwogen dat in beroep alleen de gronden kunnen worden behandeld die appellant heeft aangevoerd tegen de weigering om hem een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van de omgevingsvergunningen toe te kennen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant in zijn beroepschrift van 15 april 2020 en in het aanvullende beroepschrift van 1 juli 2020 alleen gronden over de planschade ten gevolge van de omgevingsvergunningen heeft aangevoerd. Appellant heeft op 30 oktober 2020, twee weken voor de zitting, een advies van Kraan & De Jong van die datum ingediend over de weigering om hem een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van de planologische verandering toe te kennen. De rechtbank heeft het in strijd met de goede procesorde geacht om zo kort voor de zitting nog een nieuwe beroepsgrond in te dienen. De rechtbank heeft het advies van Kraan & De Jong daarom buiten beschouwing gelaten.
De rechtbank heeft overwogen dat de omgevingsvergunningen voor de condensator en voor de barbecue met vleesspies omgevingsvergunningen zijn voor het bouwen van een bouwwerk. De rechtbank heeft geoordeeld dat dergelijke omgevingsvergunningen geen schadeoorzaak zijn als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat in een planschadeprocedure de verleende vergunningen als uitgangspunt worden genomen. De stelling van appellant dat deze omgevingsvergunningen in strijd met het bestemmingsplan zijn verleend, kan daarom in deze planschadeprocedure niet aan de orde kan komen.
Het hoger beroep
5.
Appellant heeft in hoger beroep alleen gronden aangevoerd over de gestelde planschade ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan. Hij betoogt dat hij zijn beroep nooit heeft willen beperken tot uitsluitend de planschade ten gevolge van de twee omgevingsvergunningen. Hij voert aan dat hij vijftig producties aan de rechtbank heeft gezonden en dat daaruit blijkt dat zijn beroep ook betrekking had op de weigering hem een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van de planologische verandering toe te kennen.
6.
De Afdeling laat in het midden of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het indienen van het advies van Kraan & De Jong van 30 november 2020 twee weken voor de zitting in strijd was met de goede procesorde. Daarvoor is het volgende van belang.
In de recente uitspraak van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:363, heeft de Afdeling het volgende overwogen. Voorheen oordeelde de Afdeling dat een voor het eerst in hoger beroep bij haar aangevoerde grond buiten beschouwing moet blijven, als de belanghebbende die grond redelijkerwijs al bij de rechtbank naar voren had kunnen brengen. Dit wordt wel de grondentrechter tussen beroep en hoger beroep genoemd. Ter bevordering van de rechtseenheid tussen de hoogste bestuursrechters en om redenen van rechtsbescherming heeft de Afdeling aanleiding gezien de grondentrechter te verlaten, zij het dat zij in het omgevingsrecht een andere benadering zal volgen om recht te doen aan de positie van derden-belanghebbenden. De Afdeling heeft er dus voor gekozen om de grondentrechter alleen te hanteren binnen het omgevingsrecht en niet langer daar buiten, ook niet in zaken over besluiten waarbij belangen van derden betrokken (kunnen) zijn. Omwille van de uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid kiest de Afdeling dus voor een onderscheid tussen ‘omgevingsrechtelijke zaken’ enerzijds en alle andere zaken anderzijds. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling van eveneens 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:362.
Hoewel een besluit over planschade gebaseerd is op artikel 6.1 Wro heeft de Afdeling met zaken op het gebied van het omgevingsrecht niet mede het oog gehad op zaken over tegemoetkoming in planschade. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat er geen aanleiding om op dit punt een onderscheid te maken tussen planschadezaken en andere nadeelcompensatiezaken. Net als bij nadeelcompensatiezaken, waarbij het gaat om schade die beweerdelijk is veroorzaakt door een besluit dat niet is gebaseerd op het omgevingsrecht, wordt bij planschadezaken en andere nadeelcompensatiezaken in het omgevingsrecht de grondentrechter verlaten. Er gelden wel enige beperkingen voor het aanvoeren van nieuwe gronden in hoger beroep. Zo zullen gronden die uitdrukkelijk zijn prijsgegeven, buiten beschouwing worden gelaten als zij in hoger beroep (opnieuw) worden aangevoerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9486, en het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7213). Verder kan op een gegeven instemming met een door de rechter in eerste aanleg gekozen werkwijze in hoger beroep niet worden teruggekomen (uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1317). Deze uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor.
7.
De Afdeling zal hieronder ingaan op de gronden die appellant over de afwijzing van zijn aanvraag om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan bij de rechtbank heeft ingediend en beoordeeld wil zien. Gelet op het voorgaande kan appellant die gronden in hoger beroep alsnog aan de orde stellen. Daarbij zal de Afdeling het advies van Kraan & De Jong van 30 oktober 2020 betrekken.
Maatstaf
8.
De adviseur in planschadezaken is een deskundige persoon of commissie, die geen deel uitmaakt van of werkt onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan dat op de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade beslist. Dat is geregeld in artikel 6.1.1.1, aanhef en onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
Beoordeling van de beroepsgronden
Schadefactoren
9.
Appellant betoogt dat het college niet op het advies van Thorbecke mocht afgaan, omdat Thorbecke ten onrechte heeft aangenomen dat hij geen planschade lijdt door toegenomen aantasting van de privacy. Hij voert aan dat in het advies van Kraan & De Jong is vermeld dat voorheen de privacy kon worden aangetast vanuit bergingen, terwijl onder het regime van het nieuwe plan de privacy kan worden aangetast vanuit kantoren en werkplaatsen op de verdiepingen. Volgens Kraan & De Jong behoeft het weinig toelichting dat de aantasting van zijn privacy onder het regime van het nieuwe plan veel ernstiger is. In dat advies is verder vermeld dat Thorbecke ten onrechte alleen inkijk vanaf hoger gelegen verdiepingen in aanmerking heeft genomen, terwijl ook inkijk vanaf eenzelfde verdieping tot aantasting van de privacy kan leiden. Volgens Kraan & De Jong heeft Thorbecke het aspect privacy onjuist beoordeeld en het daarvan ondervonden nadeel onderschat.
9.1.
Volgens het advies van Thorbecke kon onder het oude planologische regime vanaf percelen met gestapelde bergingen met een maximale hoogte van 11 m zicht bestaan op de woning van appellant. Onder het nieuwe planologische regime mogen alleen op het zuidelijke gedeelte van deze percelen gebouwen met een maximale hoogte van 5 m en 8 m worden gebouwd, waarbij op de verdiepingen kantoren zijn toegestaan. Gelet op de situering bestaat vanuit deze kantoren geen direct zicht op de woning van appellant. Het nieuwe bestemmingsplan staat verder een toename van de bebouwing toe direct ten zuiden van de woning van appellant. Het directe zicht vanuit deze zuidelijke bebouwing op de woning wordt echter geblokkeerd door de hiervoor vermelde kantoren. Thorbecke heeft op grond hiervan geconcludeerd dat de planologische verandering heeft geleid tot vermindering van de mogelijke aantasting van de privacy van appellant, wat een planologisch voordeel oplevert.
9.2.
Kraan & De Jong zijn in hun advies niet ingegaan op de situering van de nieuwe kantoren die op grond van het nieuwe bestemmingsplan zijn toegestaan op percelen waar voorheen gestapelde bergingen waren toegestaan. In het advies van Kraan & De Jong is niet vermeld dat de beschrijving van de oude en de nieuwe planologische situatie in het advies van Thorbecke, zoals hiervoor onder 7.1 vermeld, onjuist is. Volgens deze beschrijving bestaat vanuit die kantoren en vanuit de extra toegestane zuidelijke bebouwing geen direct zicht op de woning van appellant, terwijl onder het regime van het oude bestemmingsplan wel direct zicht vanuit de bergingen mogelijk was. Thorbecke heeft met het voorgaande zijn conclusie dat het nieuwe bestemmingsplan tot een verminderde aantasting van de privacy leidt, hetgeen een planologisch voordeel is, deugdelijk en begrijpelijk gemotiveerd. Appellant heeft met het advies van Kraan & De Jong geen concrete aanknopingspunten gegeven voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het advies van Thorbecke op dit punt. Het college mocht in zoverre op het advies van Thorbecke afgaan.
9.3.
Het betoog slaagt niet.
10.
Appellant betoogt dat het college niet op het advies van Thorbecke mocht afgaan, omdat Thorbecke het planologisch nadeel van de schadefactoren licht- en geluidhinder heeft onderschat. Hij voert aan dat in het advies Kraan & De Jong is vermeld dat onder het regime van het nieuwe bestemmingplan horeca op de begane grond, inclusief terrassen, zijn toegestaan. Uit het advies van Thorbecke blijkt niet dat Thorbecke daarmee rekening heeft gehouden. Evenmin blijkt daaruit dat Thorbecke rekening heeft gehouden met toegenomen geluidhinder van ladende en lossende vrachtwagens en bestelbusjes.
10.1.
Zoals op bladzijde 25 van het advies van Thorbecke is vermeld waren gronden met de bestemming "Centrum" in het oude en het nieuwe bestemmingsplan bestemd voor detailhandel, publiekgerichte dienstverlening, horeca uit ten hoogste categorie 1 van de ‘Staat van horeca-activiteiten’ en bij wonen behorende bergingen en toegangen. Onder publiekgerichte dienstverlening wordt verstaan: aan detailhandel verwante dienstverlening, zoals reis- en uitzendbureaus, videotheken, kap- en schoonheidssalons, zonnestudio’s, hypotheekwinkels, baliefuncties van banken en van andere kantoren, en andere vormen van dienstverlening met overwegend een baliefunctie. In het oude bestemmingsplan werd onder horeca uit ten hoogste categorie 1 van de ‘Staat van horeca-activiteiten’ verstaan: bedrijven die in beginsel alleen overdag en ’s avonds geopend zijn (vooral voor verstrekking van etenswaren en maaltijden) waarbij het hoofddoel niet is gericht op het schenken van alcoholhoudende dranken. Verder waren bijbehorende werkplaatsen, magazijnen, kantoren, ateliers en bergingen toegestaan.
Volgens het advies van Thorbecke zijn voor het gedeelte van het nieuwe plangebied met de bestemming "Centrum" de gebruiksmogelijkheden niet veranderd. In het advies van Thorbecke is verder vermeld dat de grootte van het bouwvlak direct ten zuiden van de woning van appellant is toegenomen, zodat appellant kan worden geconfronteerd met meer bebouwing binnen de bestemming "Centrum". Verder maakt het nieuwe bestemmingsplan ten westen van de woning van appellant detailhandel op de begane grond en kantoren op de verdiepingen mogelijk, terwijl daar voorheen gestapelde bergingen waren toegestaan. Thorbecke komt in zijn advies tot de conclusie dat als gevolg van deze planologische veranderingen het gebruik binnen het plangebied zal intensiveren, waardoor licht- en geluidhinder zullen toenemen. Thorbecke heeft daarbij opgemerkt dat appellant ook onder het regime van het oude bestemmingsplan al rekening moest houden met licht- en geluidhinder. Thorbecke heeft in zijn advies op pagina 27 onder het kopje ‘Conclusie’ vermeld dat appellant van het nieuwe bestemmingsplan planologisch nadeel ondervind, onder meer door toegenomen licht- en geluidhinder.
10.2.
Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit het voorgaande dat Thorbecke bij de planvergelijking is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van de bestemming "Centrum" van het nieuwe bestemmingsplan voor de gronden nabij de woning van appellant. Dat appellant volgens Kraan & De Jong van deze bestemming onder het regime van het nieuwe bestemmingsplan meer licht- en geluidhinder zal ondervinden dan waarvan Thorbecke is uitgegaan, betekent niet dat het advies van Thorbecke op dit punt onjuist is. Daarbij is mede van belang dat Kraan & De Jong deze conclusie in hun advies niet deugdelijk hebben gemotiveerd. Appellant heeft met het advies van Kraan & De Jong geen concrete aanknopingspunten gegeven voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het advies van Thorbecke op dit punt. Het college mocht in zoverre op het advies van Thorbecke afgaan.
10.3.
Het betoog slaagt niet.
11.
Appellant betoogt dat het college niet op het advies van Thorbecke mocht afgaan, omdat wat in het advies van Thorbecke is vermeld over verkeershinder onbegrijpelijk is. Hij voert aan dat volgens Kraan & De Jong in het advies van Thorbecke ten onrechte is vermeld dat het extra verkeer door de uitbreiding van de supermarkt zal opgaan in het bestaande verkeer, zodat er geen extra verkeershinder zal optreden. Kraan & De Jong wijzen er daarbij op dat in de toelichting van het bestemmingsplan is vermeld dat voorheen de verkeersdruk op de J.F. Kennedylaan en de Van Hardenbroeklaan al op de grens lag wat deze wegen kunnen verwerken en dat de bevoorrading van winkels in de huidige situatie al tot knelpunten en stremmingen leidt. Volgens Kraan & De Jong is het daarom onbegrijpelijk dat Thorbecke op dit punt tot de conclusie komt dat het nieuwe bestemmingsplan per saldo niet zal leiden tot een merkbare toename van verkeershinder.
11.1.
Volgens het advies van Thorbecke lag de woning van appellant voorheen al in een centrumgebied met woningen, winkels en druk verkeer. Het nieuwe bestemmingsplan leidt tot een intensivering van het gebruik van het plangebied en een verdergaande verkeersaantrekkende werking van de supermarkt. Thorbecke acht het daarom aannemelijk dat het nieuwe bestemmingsplan tot een toename van de hoeveelheid verkeer in het plangebied zal leiden. Volgens Thorbecke zal het toegenomen verkeer echter opgaan in het bestaande al drukke verkeer ter plaatse, zodat van het nieuwe bestemmingsplan geen extra verkeershinder valt te verwachten.
Anders dan appellant acht de Afdeling deze conclusie van Thorbecke niet onbegrijpelijk. Enige toename van verkeer in een druk centrumgebied leidt immers niet steeds tot een toename van verkeershinder in gevallen waarin de bestaande verkeershinder al groot is. Dat in de toelichting bij het bestemmingsplan is vermeld dat de verkeersdruk op de J.F. Kennedylaan en de Van Hardenbroeklaan voorheen al hoog was, bevestigt slechts dat de verkeershinder in het centrumgebied voorheen al groot was. Kraan & De Jong motiveren in hun advies ook niet waarom de toegenomen hoeveelheid verkeer in dit geval tot toegenomen verkeerhinder zal leiden. Appellant heeft daarom ook voor de schadefactor verkeershinder met het advies van Kraan & De Jong geen concrete aanknopingspunten gegeven om aan de juistheid van het advies van Thorbecke te twijfelen. Het college mocht in zoverre op het advies van Thorbecke afgaan.
11.2.
Het betoog slaagt niet.
12.
Appellant betoogt dat het college niet op het advies van Thorbecke mocht afgaan, omdat in het advies van Thorbecke ten onrechte is vermeld dat de situeringswaarde van zijn woning niet is afgenomen. In het advies van Thorbecke is vermeld dat de nieuwe bestemming centrumgebied tot een aanzienlijke intensiever gebruik van de betrokken gronden leidt. Hij voert aan dat het volgens Kraan & De Jong aannemelijk is dat potentiële kopers van zijn in een centrumgebied gelegen woning de in het oude bestemmingsplan geregelde ligging bij bergingen meer zouden hebben gewaardeerd dan de in het nieuwe bestemmingsplan geregelde ligging met aan alle zijden een druk centrumgebied. Volgens Kraan & De Jong maakt het voor deze schadefactor niet uit dat de woning van appellant onder het regime van het nieuwe bestemmingsplan door minder bebouwing is omsloten.
12.1.
Volgens Thorbecke wijzigt de situeringswaarde van de woning van appellant niet door het nieuwe bestemmingsplan. De woning blijft immers in een centrumgebied met detailhandel liggen. In het nieuwe bestemmingsplan is bovendien de bebouwingsdichtheid op gronden ten westen van de woning verminderd. Dit leidt tot een planologisch voordeel, omdat de woning hierdoor aan de westzijde minder ingebouwd kan komen te ligging.
Dat Kraan & De Jong de ligging van de woning onder het regime van het oude en het nieuwe bestemmingsplan anders waardeert dan Thorbecke heeft gedaan, betekent niet dat het advies van Thorbecke onjuist is. Kraan & De Jong hebben hun stelling dat potentiële kopers de ligging van de woning ten opzichte van het westelijke gebied onder het regime van het oude bestemmingsplan prefereren boven die ligging onder het regime van het nieuwe bestemmingsplan niet toereikend gemotiveerd. De redenering in het advies van Thorbecke over de situeringswaarde acht de Afdeling begrijpelijk. Deze redenering kan de conclusie dat de situeringswaarde van de woning door het nieuwe bestemmingsplan niet is gewijzigd, dragen. Appellant heeft met het advies van Kraan & De Jong geen concrete aanknopingspunten gegeven om op dit punt aan de juistheid of volledigheid van het advies van Thorbecke te twijfelen. Het college mocht ook in zoverre op dat advies afgaan.
12.2.
Het betoog slaagt niet.
Tussenconclusie schadefactoren
13.
De conclusie is dat het college voor de planvergelijking, de waardering van de schadefactoren en de op grond daarvan bepaalde omvang van de planschade mocht afgaan op het advies van Thorbecke.
Normaal maatschappelijk risico
14.
appellant betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn planologisch nadeel geheel binnen het voor hem geldende normaal maatschappelijk risico valt. Volgens appellant is het college ten onrechte op grond van het advies van Thorbecke uitgegaan van een normaal maatschappelijk risico van 5%. Hij voert aan dat volgens Kraan & De Jong uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat een normaal maatschappelijk risico van 5% alleen gerechtvaardigd is op grond van bijzondere omstandigheden. Volgens Kraan & De Jong is een hoger normaal maatschappelijk risico dan het forfait van 2% wel gerechtvaardigd in deze zaak, maar is 5% te hoog, omdat de nieuwe planologische ontwikkeling dichtbij de woning van appellant mogelijk is gemaakt en omdat die ontwikkeling niet geheel binnen het in een reeks van jaren gevoerde gemeentelijke planologische beleid past. Kraan & De Jong wijzen erop dat Thorbecke in zijn overwegingen over het normaal maatschappelijk risico onder meer naar een distributie planologisch onderzoek (dpo) uit 2009 heeft verwezen, maar dat een dpo geen beleidsdocument is. Kraan & De Jong wijst er verder op dat in de toelichting op het nieuwe bestemmingsplan is vermeld dat er een eerder plan is geweest voor de realisering van appartementen in het plangebied. Volgens Kraan & De Jong kan gezien het voorgaande niet worden gezegd dat uitbreiding van een supermarkt geheel in de lijn der verwachtingen lag.
14.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de overzichtsuitspraak van 28 september 2016 onder 5.6, ECLI:NL:RVS:2016:2581, heeft artikel 6.2, eerste lid, van de Wro zelfstandige betekenis. Niet mag worden volstaan met een beoordeling of bijzondere omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan een groter deel dan twee procent van de waarde van de onroerende zaak als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro voor rekening van aanvrager blijft.
Anders dan appellant betoogt, volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dus niet dat een normaal maatschappelijk risico van meer dan 2% alleen gerechtvaardigd is in geval van bijzondere omstandigheden.
14.2.
Het vaststellen van de omvang van het normaal maatschappelijk risico is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, in het kader van de definitieve beslechting van het geschil op grond van artikel 8:41a van de Awb de omvang van het normaal maatschappelijk risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van artikel 6.2 van de Wro. Zie de hiervoor aangehaalde overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 onder 8.10.
14.3.
De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt in ieder geval betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid past. Zie de hiervoor aangehaalde overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 onder 5.9 en 5.10.
14.4.
Bij waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een normale maatschappelijke ontwikkeling, zoals woningbouw op een inbreidingslocatie in een woonkern, waarbij die woningbouw in de lijn der verwachtingen lag, is een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak, in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, substantieel, maar niet zodanig zwaar dat deze schade niet voor rekening van de aanvrager kan worden gelaten. Dit betekent dat een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak in deze categorie gevallen in beginsel tot het normale maatschappelijke risico van de aanvrager behoort. Zie de aanvullende overzichtsuitspraak van de Afdeling van 3 november 2021 onder 7.14, ECLI:NL:RVS:2021:2402.
14.5.
In de aanvullende overzichtsuitspraak van 3 november 2021 heeft de Afdeling onder 7.15, de volgende handvatten gegeven voor het bepalen van de hoogte van het normaal maatschappelijk risico. Indien de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past, mag het bestuursorgaan een drempel van 5 procent van de waarde van de onroerende zaak toepassen. Indien aan één van beide indicatoren maar voor een deel wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 4 procent in beginsel aangewezen. Indien aan één van beide indicatoren in zijn geheel niet wordt voldaan of indien aan beide indicatoren deels wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 3 procent in beginsel aangewezen. Indien slechts aan één van beide indicatoren voor een deel wordt voldaan, of indien aan beide indicatoren in het geheel niet wordt voldaan, is in beginsel het toepassen van het minimumforfait van 2 procent, zoals bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro aangewezen.
14.6.
In het advies van Thorbecke is terecht vermeld dat de uitbreiding van een supermarkt in een centrumgebied een normale maatschappelijke ontwikkeling is. Een dergelijke ontwikkeling komt immers geregeld voor in Nederland. In het advies van Thorbecke is verder terecht vermeld dat de uitbreiding van het centrumgebied, waaronder de uitbreiding van de supermarkt, naar aard en omvang past binnen de structuur van de omgeving, zijnde een bestaand centrumgebied met een relatief hoge bebouwingsdichtheid.
14.7.
Thorbecke heeft ter beantwoording van de vraag of de nieuwe planologische ontwikkelingen passen in het in een reeks van jaren gevoerde planologisch beleid verwezen naar de toekomstvisie Bunnik uit 2004 en het structuurplan Bunnik 2007-2015. Hierover is in het advies van Thorbecke verder het volgende vermeld. In de toekomstvisie en het structuurplan is in z’n algemeenheid aangegeven dat het in stand houden van het dorpse karakter een belangrijk uitgangspunt van beleid is. Verder zal rekening worden gehouden met het noodzakelijke draagvlak en de bereikbaarheid van winkelvoorzieningen. Ook zal de gemeente behoeften vanuit de markt faciliteren. Thorbeceke verwijst verder naar een distributieplanologisch onderzoek (dpo) uit 2009, waarin is vermeld dat het winkelaanbod in Bunnik, vergeleken met vergelijkbare situaties, als fors is te kwalificeren. In de dagelijkse sector is er een opvallend zeer ruim en compleet vers speciaal aanbod, maar er is slechts één supermarkt. Volgens het dpo is de huidige oppervlakte van de supermarkt niet toekomstbestendig. Vergroting van de supermarkt is nodig om tot een courante winkelmaat te komen. Thorbecke heeft uit het dpo afgeleid dat de uitbreiding van de supermarkt binnen het in de toekomstvisie en het structuurplan vermelde beleid past. Thorbecke komt tot de conclusie dat de nieuwe planologische ontwikkelingen passen in het in een reeks van jaren gevoerde planologisch beleid.
Thorbecke heeft op grond van het voorgaande aangenomen dat voor appellant in deze zaak een normaal maatschappelijk risico geldt van 5% van de waarde van zijn woning voor het ontstaan van de schade. Het planologisch nadeel van appellant valt daarom geheel binnen zijn normaal maatschappelijk risico.
14.8.
Naar het oordeel van de Afdeling is in het advies van Thorbecke niet toereikend gemotiveerd dat de nieuwe planologische ontwikkelingen geheel passen binnen het in een reeks van jaren gevoerde planologisch beleid. Bij het in stand houden van het dorpse karakter en de wens winkelvoorzieningen bereikbaar te houden past uitbreiding van de enige supermarkt in het dorpscentrum, zoals in het nieuwe bestemmingsplan mogelijk is gemaakt. Het nieuwe bestemmingsplan maakt in het centrum echter ook omvangrijke nieuwe bebouwing mogelijk. Uit het advies van Thorbecke blijkt niet dat deze laatste planologische ontwikkeling past in het gedurende een reeks van jaren gevoerde planologisch beleid. Naar het oordeel van de Afdeling passen de nieuwe planologische ontwikkelingen gedeeltelijk in het in een reeks van jaren gevoerde planologisch beleid.
14.9.
Hiervoor is onder 11.6 geoordeeld dat de planologische ontwikkelingen die het nieuwe bestemmingsplan mogelijk maakt geheel passen binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving. Onder 11.8 is geoordeeld dat de nieuwe planologische ontwikkelingen gedeeltelijk passen in het door de gemeente in een reeks van jaren gevoerde planologisch beleid. Het voorgaande betekent dat de planologische ontwikkelingen die het nieuwe bestemmingsplan mogelijk maakt gedeeltelijk in de lijn der verwachtingen lagen.
Gezien het voorgaande en gelet op de hiervoor onder 11.5 gegeven handvatten acht de Afdeling in deze zaak een normaal maatschappelijk risico van 4% redelijk.
14.10.
Waar leidt dit toe? Volgens het advies van Thorbecke lijdt appellant een planologisch nadeel van € 4.000,00. Dat is slechts 2,13% van de waarde van de woning van appellant voor het ontstaan van de schade en dus minder dan het normaal maatschappelijk risico van 4% dat de Afdeling in deze zaak gerechtvaardigd acht. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het planologisch nadeel dat appellant van het nieuwe bestemmingsplan lijdt geheel binnen zijn normaal maatschappelijk risico valt en heeft dus terecht geen planschade aan appellant toegekend. Daaraan doet niet af, dat het college er daarbij in navolging van Thorbecke ten onrechte van is uitgegaan, dat een normaal maatschappelijk risico van 5 % gerechtvaardigd was en het college dus 4 % redelijk had moeten achten. De conclusie van het college in navolging van Thorbecke dat het door appellant geleden planologisch nadeel van 4000 euro (zijnde 2,13%) geheel valt binnen het normale maatschappelijk risico, dat dus op 4% moet worden gesteld, is immers juist.
14.11.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
15.
Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
16.
Het college hoeft geen proceskosten te betalen
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Noot
Auteur: A.G.A. Nijmeijer en H.D. Tolsma
Inleiding
1.
Hoe gaat de Afdeling bestuursrechtspraak (Afdeling) om met beroepsgronden die voor het eerst in hoger beroep worden ingebracht? Het antwoord op die vraag is sinds kort afhankelijk van de aard van de zaak die voorligt. Uit de twee hierboven gepubliceerde uitspraken volgt dat de Afdeling voortaan alleen in omgevingsrechtelijke zaken een grondentrechter hanteert (ABRvS 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:362). Dit betekent dat beroepsgronden die voor het eerst in hoger beroep worden ingebracht in beginsel niet worden meegenomen bij de inhoudelijke beoordeling. Dat uitgangspunt geldt in beginsel niet voor planschadezaken en andere nadeelcompensatiezaken in het omgevingsrecht (ABRvS 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:693). Buiten het omgevingsrecht heeft de Afdeling de grondentrechter in hoger beroep verlaten (zie ABRvS 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:363, AB 2022/102, m.nt. Ortlep). Dat geldt dus ook voor omgevingsrechtelijke planschade- en nadeelcompensatiezaken.
In deze noot bespreken wij eerst de achtergrond van de grondentrechter tussen beroep en hoger beroep en de argumenten voor het behoud ervan in omgevingsrechtelijke zaken (onder 2–3). Vervolgens richten we de aandacht op de uitzondering op de grondentrechter en de reikwijdte daarvan (onder 4–5), geven we een toelichting op de aanhaakplicht (onder 6) leggen een link met de Varkens in Nood-rechtspraak (onder 7–9) en ronden we af met de signalering van een ontwikkeling richting steeds meer differentiatie in de toepassing van het bestuursprocesrecht (onder 10).
Controle of herkansing
2.
De vraag of nieuwe gronden voor het eerst in hoger beroep mogen worden ingebracht, lijkt een detail in het bestuursprocesrecht. Niettemin is dit punt na de invoering van de Awb aanleiding geweest voor een uitvoerig debat in de literatuur (zie uitgebreid B.J. van de Griend, Trechters in het bestuursprocesrecht (diss. Utrecht), Den Haag: BJu 2007, p. 197–312). De wet geeft geen uitsluitsel en dat geeft de bestuursrechter ruimte. De functie die door de rechter toegedicht wordt aan het hoger beroep — controle van de uitspraak in eerste aanleg of herkansing (‘nieuwe ronde, nieuwe kansen’) voor de rechtzoekende — is bepalend voor het antwoord op de vraag of nieuwe gronden in hoger beroep toelaatbaar zijn. Bij de Afdeling was het antwoord in alle zaken “nee” (accent op controlefunctie). Bij de andere hogerberoepsrechters “ja” (accent op herkansingsfunctie). Opmerking verdient dat het onderscheid in de uitkomst over de toelaatbaarheid van nieuwe gronden minder groot is dan deze verschillende benaderingen doen vermoeden. In beide benaderingen is er namelijk ook een ‘tenzij’. Bovendien laat de Afdeling in hoger beroep wel nieuwe argumenten toe ter onderbouwing van in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden. De scheidslijn tussen nieuwe argumenten en nieuwe gronden, is niet altijd scherp. Hoe het ook zij, de Afdeling kiest er met haar uitspraak van 9 februari 2022 welbewust voor om in omgevingsrechtelijke zaken — niet zijnde planschade of nadeelcompensatiezaken — de grondentrechter als hoofdregel te behouden.
3.
De Afdeling motiveert het behoud van de grondentrechter in hoger beroep in omgevingsrechtelijke zaken met twee vertrouwde argumenten om trechters in het bestuursprocesrecht te onderbouwen: a) de rechtszekerheid van derde-belanghebbenden en b) de bevordering van efficiënte geschilbeslechting. Beide argumenten verzetten zich tegen de uitbreiding van de omvang van het geding met nieuwe gronden in hoger beroep. Het belang van de rechtsbescherming moet hier wijken. Met het benoemen van de rechtspositie van de belanghebbende derde (vergunninghouder, initiatiefnemer, omwonende) en de maatschappelijke belangen die vaak gemoeid zijn met omgevingsrechtelijke besluiten (zoals woningbouw en energietransitie) lijkt de Afdeling oog te hebben voor kritische kanttekeningen die werden geplaatst bij haar ruimhartige uitleg van het Varkens in Nood-arrest (zie R.H.W. Frins e.a., ‘Anders omgaan met het ‘Varkens in Nood-arrest’’, M en R 2021/64). Volgens die uitleg krijgen belanghebbenden bij omgevingsrechtelijke besluiten die voorbereid worden met afd. 3.4 Awb, art. 6:13 Awb niet meer tegengeworpen in beroep. Dat brengt een risico van strategisch procederende belanghebbenden met zich (‘kaarten tegen de borst houden’ om procedure te vertragen). Met het verlaten van de grondentrechter in hoger beroep zou dat risico nog veel groter worden en de rechtspositie van derde-belanghebbenden daardoor nog onzekerder.
Uitzondering mogelijk maar niet als Chw van toepassing is
4.
Indien is uitgesloten dat het toelaten van één of meer nieuwe gronden in hoger beroep leidt of kan leiden tot de benadeling van derde-belanghebbenden, kan de bestuursrechter een uitzondering maken op de hoofdregel dat de grondentrechter gehandhaafd blijft in omgevingsrechtelijke zaken. Maar volgens welke maatstaf moet de rechter dit beoordelen? De mogelijke gedachte dat aansluiting kan worden gezocht bij de wijze waarop art. 6:22 Awb wordt toegepast, lijkt ons in ieder geval niet op te gaan. Al was het maar omdat de vraag of een derde wordt benadeeld door het passeren van een door de rechter geconstateerd besluitvormingsgebrek, beperkter van omvang is dan de beoordeling of bij het in beroep toelaten van een nieuwe grond, derden-belanghebbenden kunnen worden benadeeld. De bij laatstbedoelde beoordeling te betrekken groep is naar ons idee vaak groter en diffuser. Wat daarvan ook zij, het bij wijze van uitzondering buiten toepassing laten van de grondentrechter is te allen tijde een bevoegdheid van de bestuursrechter en geen verplichting. Wij denken dat van die uitzondering, gelet op de moeilijk te maken inschatting van de positie van derden-belanghebbenden, door de bestuursrechter niet vaak gebruik zal worden gemaakt.
5.
In r.o. 7 van de uitspraak van 9 februari 2022 wordt kortweg overwogen dat in gevallen waarop de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is, nooit een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel dat de grondentrechter in omgevingsrechtelijke zaken van toepassing is. Wij denken dat die ‘uitzondering op de mogelijke uitzondering’ moet worden verklaard tegen de achtergrond van art. 1.6 en art. 1.6a Chw. Deze artikelen verplichten tot het meteen in het bezwaar- of het beroepschrift aanvoeren van gronden (geen pro forma-beroep) en binnen de voor bezwaar en beroep geldende termijn. Een aanvulling met nieuwe gronden is niet toegestaan. Maar dan gaat het om het beroep bij één en dezelfde rechterlijke instantie. Het Chw-verbod om het beroep met nieuwe gronden aan te vullen, ziet niet op de verhouding tussen de uitspraak in eerste aanleg en het instellen van hoger beroep. Strikt genomen staan deze Chw-bepalingen niet in de weg aan het laten vallen van de grondentrechter. Aan de versnelling van de rechterlijke procedure die met art. 1.6 en 1.6a Chw wordt beoogd, doet het niet hanteren van de grondentrechter tussen de uitspraak in eerste aanleg en hoger beroep, niets af. Wij begrijpen dat het standpunt van de Afdeling (dat de grondentrechter steeds wordt toegepast bij zaken die vallen onder het procesrecht van de Chw) moet worden gezien in de geest van de Chw als zodanig — te weten versnelling van besluitvorming en zo snel mogelijke finaliteit — maar enige toelichting was op dit punt welkom geweest.
Aanhaken en relatie met toepassing van afd. 3.4 Awb
6.
De gevolgen van het Varkens in Nood-arrest zijn volgens de Afdeling alleen van toepassing op omgevingsrechtelijke besluiten die zijn voorbereid met afd. 3.4 Awb. Op een omgevingsvergunning voor binnenplans afwijken (art. 3.6 lid 1 onder c Wro jo. art. 2.12 lid 1 onder a, sub 1 Wabo), is de reguliere procedure van de Wabo van toepassing. Het (tevergeefse) betoog van appellanten dat de Wnb-vergunning in dit geval aanhaakt bij de afwijkvergunning, zou betekenen dat ook die afwijkvergunning met afd. 3.4 Awb had moeten worden voorbereid. Dat komt omdat bij aanhaken het bevoegd gezag (GS) een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven alvorens B&W een omgevingsvergunning kunnen verlenen (art. 6.10a Bor jo. art. 2.20a Wabo). In alle gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen nodig is, verklaart art. 3.10 lid 1 onder e Wabo afd. 3.4 Awb van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning. De Afdeling gaat terecht in dit betoog van appellanten niet mee.
Beoordeling aanzienlijke gevolgen milieu in relatie tot Aarhus-besluit
7.
In onze annotatie bij ABRS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, AB 2021/201, plaatsten wij een kanttekening bij het oordeel van de Afdeling dat het — kort gezegd — niet doenlijk zou zijn om in rechte te bepalen of in een concreet geval sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu als bedoeld in art. 6 lid 2 Verdrag van Aarhus. Vanwege die moeilijkheid, werd in die uitspraak (r.o. 4.8) voor de ruime uitleg gekozen dat in alle gevallen waarin afd. 3.4 Awb van toepassing is op de voorbereiding van een omgevingsrechtelijk besluit, de gevolgen uit het Varkens in Nood-arrest gelden. Uit ABRvS 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1507, bleek al dat een genuanceerdere benadering mogelijk is. In die uitspraak constateerde de Afdeling namelijk dat naar nationaal recht afd. 3.4 Awb niet was voorgeschreven, maar oordeelde zij vervolgens dat die voorbereidingsprocedure vanwege de gevolgen voor het milieu gelet op het Varkens in Nood-arrest voortaan wél moet worden toegepast (het ging om de beslissing op een aanvraag om Wnb-vergunning). In dat licht bezien is de constatering in de hierboven afgedrukte uitspraak van 9 februari 2022 (r.o. 12) dat de nationale wetgever toepassing van afd. 3.4. Awb niet voorschrijft, niet doorslaggevend voor de vraag of een besluit valt onder de reikwijdte van art. 6 lid 2 van het verdrag. Verder laat de hierboven afgedrukte uitspraak zien hoe de beoordeling of sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu, vorm kan krijgen over de band van een toetsing van een genomen m.e.r.-beoordelingsbesluit. Wij herhalen dat die rechterlijke toets inhoudelijk naar ons idee vergelijkbaar is met de beoordeling of sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu als bedoeld in art. 6 lid 2 van het verdrag.
Maatwerk leidt tot differentiatie
8.
Uitvoerbaarheid, hanteerbaarheid en rechtszekerheid voert de Afdeling aan als argumenten om de grondentrechter te behouden in ‘omgevingsrechtelijke zaken’. De gevolgen die de Afdeling heeft verbonden aan het Varkens in Nood-arrest, gelden eveneens voor ‘omgevingsrechtelijke zaken’. Voor de vraag of de grondentrechter moet worden gehanteerd in hoger beroep, blijkt deze afbakening al snel toch niet zo ideaal. Ten aanzien van de afbakening als zodanig, merken wij in de eerste plaats op dat deze enerzijds een arbitrair karakter heeft en anderzijds nogal onbepaald is. Arbitrair, omdat een aantal wetten bij naam wordt genoemd. Onbepaald, omdat tegelijkertijd wordt aangegeven dat besluiten op grond van andere wetten en regelingen ‘op het gebied van het milieu en de ruimtelijke ordening’ ook tot de omgevingsrechtelijke zaken moeten worden gerekend. Welke wetten en regelingen zijn dat dan? In ieder geval niet de regelgeving die leidt tot besluiten over marktplaatsen, aldus r.o. 8 van de uitspraak van 9 februari 2022. Wij zien niet in waarom een geding over een besluit dat een titel geeft om een standplaats in te nemen, niet als een ‘omgevingsrechtelijke zaak’ kwalificeert. Althans, als wij aannemen dat aan de door de Afdeling beoogde afbakening de idee ten grondslag ligt dat het moet gaan om besluiten die gevolgen kunnen hebben voor het beschermen of het benutten van de fysieke leefomgeving. In dat perspectief is een besluit over het innemen van een standplaats een omgevingsrechtelijk besluit, zouden wij menen (ruimtebeslag, verkeersaantrekkende werking etc.). In de toekomst verwachten wij dan ook meer rechtspraak over de vraag of een besluit een omgevingsrechtelijk besluit betreft (bijv. ABRvS 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1655, AB 2022/77 m.nt. Tolsma).
9.
Voor planschadezaken en andere omgevingsrechtelijke nadeelcompensatiebesluiten gaan de argumenten voor het behoud van de grondentrechter niet of in veel mindere mate op. Weliswaar is de wettelijke grondslag voor een besluit op een verzoek om planschade gelegen in de Wro maar zo’n besluit gaat louter over financiële aanspraken en is in geen enkel opzicht maatgevend voor het mogen verrichten van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Als de rechtszekerheid en de rechtspositie van anderen dan de verzoeker om nadeelcompensatie al betrokken kunnen zijn bij zo’n besluit, dan is die betrokkenheid van een andere orde dan bij omgevingsrechtelijke besluiten die een titel geven voor het verrichten van activiteiten. Dat in planschadezaken wél de grondentrechter wordt verlaten, valt daarom te begrijpen. Overigens gelden er ook dan beperkingen voor het aanvoeren van nieuwe gronden, met name vanuit het oogpunt van een goede procesorde.
10.
Het handhaven van de grondentrechter in omgevingsrechtelijke zaken past in een ontwikkeling waarbij procesrechtelijk maatwerk wordt geboden door de bestuursrechter. Een keuze die vatbaar is voor kritiek (zie BR 2022/29, m.nt. Oude Egbrink & Wertheim; TBR 2022/31, m.nt. Gierveld). Gaat de rechter niet te ver? Kunnen de door de Afdeling genoemde argumenten de keuze om niet aan te sluiten bij het algemene bestuursprocesrecht wel dragen? Als het gaat om de gevolgen van het Varkens in Nood-arrest zijn er juist ook goede redenen te bedenken om de gevolgen te beperken tot Aarhus-besluiten en niet — zoals de Afdeling heeft gedaan — te kiezen voor een ruimhartige uitleg waarbij de gevolgen worden gerelateerd aan alle omgevingsrechtelijke besluiten die zijn voorbereid met afd. 3.4 Awb. Dergelijke bewegingen in de rechtspraak leiden tot een gedifferentieerde toepassing van het procesrecht, met hoofdregels en uitzonderingen zodat optimaal toegesneden kan worden op de aard van het geschil en de betrokken belangen (vgl. H.J.M. Besselink, ‘Ordelijk procederen’, in: De toegang tot de rechter beperkt (VAR-reeks 144), Den Haag: BJu 2010, par. 4.3). Een mogelijke keerzijde van een té gedifferentieerd geheel van procesrecht is evenwel dat het resulteert in spelregels die voor de deelnemende partijen in de rechtspraktijk niet goed zijn te overzien. Dan kan een punt worden bereikt waarop het streven naar procedureel maatwerk in onevenredige mate ten koste gaat van uniformiteit en kenbaarheid. Met het handhaven van de hoofdregel dat in omgevingsrechtelijke zaken in hoger beroep geen nieuwe gronden kunnen worden ingebracht, is dat punt naar onze mening overigens nog niet bereikt.