HR 9 juli 2019, ECL:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. W.H. Vellinga.
HR, 10-02-2026, nr. 23/04624
ECLI:NL:HR:2026:221
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-02-2026
- Zaaknummer
23/04624
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:221, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1299
ECLI:NL:PHR:2025:1299, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:221
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0047
Uitspraak 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Rijden terwijl verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. 1. Bewijsklacht bekendmakingsvereiste. Kan uit bewijsvoering volgen dat besluit waarbij rijbewijs van verdachte ongeldig is verklaard, aan verdachte bekend is gemaakt? 2. Bewijsklacht wetenschapsvereiste. Kan uit verklaring van verdachte op 14-1-2023 dat hij niet beschikt over geldig rijbewijs, worden afgeleid dat hij op 29-11-2022 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? Ad 1. en 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1146 m.b.t. vereisten om tot bewezenverklaring van een op art. 9.2 WVW 1994 toegesneden tll. te komen en uit HR:2025:826, inhoudende dat het sterk aanbeveling verdient dat in zaken van dit type bij die vereisten genoemde stukken deel uitmaken van processtukken: (a) mededeling van CBR aan verdachte met besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs, (b) aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en (c) gegevens uit rijbewijsregister; en dat OM ervoor verantwoordelijk is dat deze stukken, voordat zaak op tz. wordt behandeld, bij processtukken worden gevoegd (vgl. art. 149a.1 Sv). Gelet op de door hof gebruikte bewijsmiddelen moet worden aangenomen dat van processtukken geen deel uitmaakt mededeling van CBR aan verdachte met besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs, en ook geen aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Hof heeft bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd, nu uit de door hof gebruikte b.m. niet kan worden afgeleid dat besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs aan verdachte bekend is gemaakt en dat verdachte op 29-11-2022 ‘wist’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04624
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 november 2023, nummer 20-001142-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-047242-23 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden zodat de zaak in zoverre opnieuw kan worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 03-047242-23 onder 1 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte bekend is gemaakt en dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging ‘wist’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-047242-23 onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij, op 29 november 2022 te [plaats] , terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten een bestelauto, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (bestelauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“5. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2023, dossierpagina’s 27-28, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 11 januari 2023, omstreeks 14.30 uur, was ik, verbalisant [verbalisant] , doende met de gecombineerde zaak artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 en de gepleegde identiteitsfraude met daarin dezelfde verdachte.
Naar aanleiding van mijn uitvraag tot herkenning op maandag 26 december 2022, van de door mij aangehouden verdachte op 29 november 2022, heb ik drie processen-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar ontvangen. Na meerdere herkenningen bleek de verdachte de volgende personalia te hebben:
Naam: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats]
Geslacht: man
Nationaliteit: Nederlandse
Burgerservicenummer: [0001]
Naar aanleiding van de opgegeven personalia bevroeg ik bovenstaand persoon in de politiesystemen. Ik zag dat [verdachte] een strafmaatregel en een vorderingsprocedure op naam had staan van het CBR en het OM parket Limburg met betrekking tot zijn rijbewijs.
Op 11 januari 2023, omstreeks 15.00 uur, had ik telefonisch contact met een medewerkster van het CBR. Ik hoorde dat de medewerkster mij het volgende mededeelde: “Op maandag 7 september 2020 is het rijbewijs van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] , ongeldig verklaard. Hij heeft niet voldaan aan de oproep tot een medisch onderzoek bij het CBR. Hij heeft volgens ons systeem op dit moment geen rijbewijs in zijn bezit”.
Op 11 januari 2023, omstreeks 15.15 uur, had ik telefonisch contact met het OM parket Limburg met betrekking tot de strafmaatregel op het rijbewijs van [verdachte] . Ik hoorde dat de medewerkster van het OM parket Limburg, afdeling executie, genaamd [naam], mij het volgende mededeelde: “Op 17 maart 2022, is de ontzegging van de rijbevoegdheid ondertekend. De ontzegging van de rijbevoegdheid is ingegaan op 7 april 2022 en duurt tot 29 september 2023”.
6. Proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 d.d. 11 januari 2023, dossierpagina’s 77-78, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Datum en tijd feit : 29 november 2022 om 10.55 uur
Locatie : op de openbare weg, [a-straat] ter hoogte van nummer [1] , [plaats]
Ik, verbalisant [verbalisant] , verklaar het volgende:
Op 29 november 2022 om 10:55 uur zag ik dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een motorrijtuig reed op genoemde weg/locatie. Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.
Verdachte
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [...]
Geboren : [geboortedatum] 1988
Geboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland
Bedrijfsauto
Kenteken : [kenteken]
Merk/type : Mercedes Sprinter ( [...] )
Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie(ën): B
Na onderzoek bleek dat ten aanzien van deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
Het rijbewijs is ongeldig verklaard door het CBR. De verdachte heeft niet voldaan aan het medisch onderzoek opgelegd door het CBR. De verdachte heeft tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd gekregen door het OM parket Limburg.
7. Proces-verbaal van verhoor d.d. 14 januari 2023, dossierpagina’s 100-103, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] :
V = Vraag verbalisant
A = Antwoord/opmerking verdachte
V: Ben jij in het bezit van een geldig rijbewijs?
A: Nee.”
2.3.1
Overtreding van artikel 9 lid 2, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is op grond van artikel 176 lid 2 en artikel 178 lid 1 WVW 1994 een misdrijf dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie.Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering allereerst blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124 lid 3 en 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Opmerking verdient dat een tegen dat besluit door of namens de verdachte ingesteld administratief bezwaar of beroep niet leidt tot schorsing van het besluit tot ongeldigverklaring. Wel kan een geslaagd bezwaar of beroep meebrengen dat achteraf bezien de ongeldigverklaring nooit heeft gegolden.In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daarover niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, en ook niet uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. artikel 124 lid 4 en artikel 132 lid 5 WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.)
2.3.2
Aan de overwegingen van de Hoge Raad in dit arrest van 9 juli 2019 – waarin weliswaar niet is uitgesloten dat het bewijs dat is voldaan aan de daarin als eerste en tweede genoemde vereisten op een andere manier kan worden geleverd – ligt de gedachte ten grondslag dat het sterk aanbeveling verdient dat in zaken van dit type de bij die vereisten genoemde stukken deel uitmaken van de processtukken: te weten (a) een mededeling van het CBR aan de verdachte met het besluit tot ongeldigverklaring, (b) een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en (c) gegevens uit het rijbewijsregister. Het openbaar ministerie is ervoor verantwoordelijk dat deze stukken, voordat de zaak op de terechtzitting wordt behandeld, bij de processtukken worden gevoegd (vgl. artikel 149a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering), zo nodig door daartoe deze stukken (alsnog) op te vragen bij het CBR. In voorkomend geval kan de rechter – desnoods door aanhouding van de behandeling van de zaak – bewerkstelligen dat die stukken alsnog bij de processtukken worden gevoegd. Daarmee wordt over die vereisten op eenvoudige en gestandaardiseerde wijze tijdig duidelijkheid geboden, wat een doelmatige behandeling en beoordeling van zaken van dit type ten goede komt. Ook wordt daarmee voorkomen dat het strafproces wordt belast met de (bewerkelijke) vraag of uit een ander samenstel van feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat aan de genoemde vereisten is voldaan, wat in dit type zaken met het oog op een zinvolle aanwending van capaciteit in de strafrechtspleging vermeden zou moeten worden. Als het bewijs dat is voldaan aan de als eerste en tweede genoemde vereisten toch op een andere manier door de rechter wordt aangenomen, vergt dat in beginsel in zaken waarin de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd een nadere motivering waarin wordt uiteengezet hoe uit de gebruikte bewijsmiddelen is afgeleid dat aan die vereisten is voldaan. (Vgl. HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:826.)
2.4
Gelet op de door het hof gebruikte bewijsmiddelen moet worden aangenomen dat van de processtukken geen deel uitmaakt een mededeling van het CBR aan de verdachte met het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, en ook geen aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.Het hof heeft de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd, nu uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte bekend is gemaakt en dat de verdachte op 29 november 2022 ‘wist’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03-047242-23 en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
Conclusie 02‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Misbruik van identificerende persoonsgegevens door rijbewijs van ander te tonen (art. 231b Sr), rijden met ongeldig rijbewijs (art. 9 lid 2 WVW 1994) en weigeren bloedonderzoek (art. 163 lid 6 WVW 1994). M1: heeft hof onjuiste uitleg gegeven aan bestanddeel “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens”? M2: kan uit bewijsvoering hof worden afgeleid dat verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was? M3: klacht over toewijzing vordering tenuitvoerlegging. Het tweede middel slaagt, de overige middelen falen. Conclusie strekt tot partiële vernietiging, terugwijzing in zoverre en verwerping voor het overige.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04624
Zitting 2 december 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 23 november 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001142-23) wegens
- in de zaak met parketnummer 03-013878-23:
“opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan”;
- in de zaak met parketnummer 03-047242-23:
1. “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en
2. “overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994”
veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, waaraan algemene en bijzondere voorwaarden zijn verbonden. Voorts heeft het hof in de zaak met parketnummer 03-047242-23 de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van één jaar. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, een en ander zoals in het arrest omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste middel klaagt over het in de zaak met parketnummer 03-013878-23 bewezenverklaarde, meer in het bijzonder over het oordeel dat het gebruikmaken van het rijbewijs van een ander kan worden aangemerkt als het gebruikmaken van ‘identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens van een ander’. Het tweede middel ziet op het in de zaak met parketnummer 03-047242-23 bewezenverklaarde en komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het derde middel bevat een klacht over de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel klaagt dat het hof aan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term ‘identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens’ een onjuiste en met de wet strijdige betekenis heeft toegekend en het hof ten gevolge hiervan niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging.
2.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-013787-23 bewezenverklaard dat:
“hij, op 29 november 2022 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten een rijbewijs op naam van [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1987) heeft gebruikt, immers heeft hij, verdachte, een rijbewijs op naam van [betrokkene 1] , bij de staandehouding van hem, verdachte, overhandigd aan hoofdagent [verbalisant] , met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen, waardoor enig nadeel kon ontstaan.”
2.3
Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op 29 november 2022 in een motorvoertuig reed en werd staande gehouden. [verbalisant] vorderde van hem een geldig identiteitsbewijs, rijbewijs en kentekenbewijs, waarop de verdachte hem een Nederlands rijbewijs op naam van [betrokkene 1] en een kentekenbewijs van het voertuig overhandigde.
2.4
De tenlastelegging is toegesneden op art. 231b Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘gebruik van identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
2.5
Het middel berust op de opvatting dat onder het in art. 231b Sr strafbaar gestelde gebruik van identificerende persoonsgegevens van een ander, niet kan worden begrepen het geval dat gebruik wordt gemaakt van een reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in art. 231 lid 1 Sr dat op naam staat van een ander. In de zaak die leidde tot HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:808 speelde dezelfde rechtsvraag. De Hoge Raad overwoog en oordeelde toen:
“2.4 Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat onder het in artikel 231b Sr strafbaar gestelde gebruik van identificerende persoonsgegevens van een ander, niet kan worden begrepen het geval dat gebruik wordt gemaakt van een reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 231 lid 1 Sr dat op naam staat van een ander. Die opvatting vindt geen steun in de bewoordingen van artikel 231b Sr en evenmin in de hiervoor, ook in de conclusie van de advocaat-generaal weergegeven wetsgeschiedenis. In die wetsgeschiedenis komt weliswaar tot uitdrukking dat de strafbaarstelling in artikel 231b Sr “een aanvulling” vormt op (onder meer) artikel 231 Sr voor “identiteitsfraude die niet met officiële documenten plaatsvindt”. Daaruit volgt echter niet dat ook beoogd is de strafbaarstelling in artikel 231b Sr te beperken tot het gebruik van identificerende persoonsgegevens op andere wijze dan door gebruikmaking van een reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 231 lid 1 Sr. Evenmin volgt daaruit dat artikel 231 Sr zich ten opzichte van artikel 231b Sr verhoudt als een bijzondere tot een algemene strafbepaling als bedoeld in artikel 55 lid 2 Sr.
2.5
Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte ter vaststelling van zijn identiteit het paspoort van [betrokkene 1] aan een verbalisant van politie heeft getoond nadat hij als bestuurder van een auto een stopteken had gekregen en die verbalisant hem naar zijn rijbewijs had gevraagd. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van die [betrokkene 1] heeft gebruikt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.”
2.6
Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de vaststellingen van het hof zoals hiervoor onder 2.3 kort weergegeven, getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte door overhandiging van het rijbewijs van [betrokkene 1] identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van die [betrokkene 1] heeft gebruikt, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
2.7
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
3.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-047242-23 bewezenverklaard dat:
“hij, op 29 november 2022 te [plaats] , terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten een bestelauto, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (bestelauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
3.3
Het hof heeft hiervoor de volgende bewijsmiddelen gebruikt:
“Ten aanzien van de zaak met parketnummer 03-047242-23:
5. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2023, dossierpagina’s 27-28, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
Op 11 januari 2023, omstreeks 14.30 uur, was ik, [verbalisant] , doende met de gecombineerde zaak artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 en de gepleegde identiteitsfraude met daarin dezelfde verdachte.
Naar aanleiding van mijn uitvraag tot herkenning op maandag 26 december 2022, van de door mij aangehouden verdachte op 29 november 2022, heb ik drie processen-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar ontvangen. Na meerdere herkenningen bleek de verdachte de volgende personalia te hebben:
Naam: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1988 in [plaats]
Geslacht: man
Nationaliteit: Nederlandse
Burgerservicenummer: [BSN]
Naar aanleiding van de opgegeven personalia bevroeg ik bovenstaand persoon in de politiesystemen. Ik zag dat [verdachte] een strafmaatregel en een vorderingsprocedure op naam had staan van het CBR en het OM parket Limburg met betrekking tot zijn rijbewijs.
Op 11 januari 2023, omstreeks 15.00 uur, had ik telefonisch contact met een medewerkster van het CBR. Ik hoorde dat de medewerkster mij het volgende mededeelde: “Op maandag 7 september 2020 is het rijbewijs van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1988 in [plaats] , ongeldig verklaard. Hij heeft niet voldaan aan de oproep tot een medisch onderzoek bij het CBR. Hij heeft volgens ons systeem op dit moment geen rijbewijs in zijn bezit”.
Op 11 januari 2023, omstreeks 15.15 uur, had ik telefonisch contact met het OM parket Limburg met betrekking tot de strafmaatregel op het rijbewijs van [verdachte] . Ik hoorde dat de medewerkster van het OM parket Limburg, afdeling executie, genaamd [naam] , mij het volgende mededeelde: “Op 17 maart 2022, is de ontzegging van de rijbevoegdheid ondertekend. De ontzegging van de rijbevoegdheid is ingegaan op 7 april 2022 en duurt tot 29 september 2023”.
6. Proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 d.d. 11 januari 2023, dossierpagina’s 77-78, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
Datum en tijd feit : 29 november 2022 om 10.55 uur
Locatie : op de openbare weg, [a-straat 1] [plaats]
Ik, [verbalisant] , verklaar het volgende:
Op 29 november 2022 om 10:55 uur zag ik dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een motorrijtuig reed op genoemde weg/locatie. Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.
Verdachte
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedatum] 1988
Geboorteplaats : [plaats] in Nederland
Bedrijfsauto
Kenteken : [kenteken]
Merk/type : Mercedes Sprinter (1572458)
Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie(ën): B
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
Het rijbewijs is ongeldig verklaard door het CBR. De verdachte heeft niet voldaan een het medisch onderzoek opgelegd door het CBR. De verdachte heeft tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd gekregen door het OM parket Limburg.
7. Proces-verbaal van verhoor d.d. 14 januari 2023, dossierpagina’s 100-103, voor zover inhoudende als verklaring van de [verdachte] :
V = Vraag verbalisant
A = Antwoord/opmerking verdachte .
V: Ben jij in het bezit van een geldig rijbewijs?
A: Nee.
(…)”
3.4
De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994, dat luidt:
“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.”
3.5
In een arrest van 9 juli 2019 overwoog de Hoge Raad het volgende:
“2.4.2. Om tot een bewezenverklaring van een op art. 9, tweede lid, eerste volzin WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, zal uit de bewijsvoering allereerst moeten blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. art. 3:40 en 3:41 Awb respectievelijk art. 124, derde lid, en 132, vierde lid, WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Opmerking verdient dat een tegen dat besluit door of namens de verdachte ingesteld administratief bezwaar of beroep niet leidt tot schorsing van het besluit tot ongeldigverklaring. Wel kan een geslaagd bezwaar of beroep meebrengen dat achteraf bezien de ongeldigverklaring nooit heeft gegolden.
2.4.3.
In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.
2.4.4.
In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; een dergelijk vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van art. 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. art. 124, vierde lid, onderscheidenlijk art. 132, vijfde lid, WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat wordt geïllustreerd door het overzicht van de rechtspraak in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10.1 tot en met 10.6. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden.”1.
3.6
In de toelichting wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan volgen dat het besluit waarbij het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, aan hem bekend is gemaakt, noch dat het van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking. Evenmin kan uit de bewijsvoering volgen dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig wist dat zijn rijbewijs ongeldig was, aldus de steller van het middel.
3.7
Uit bewijsmiddel 5 kan worden afgeleid dat het rijbewijs van de verdachte op 7 september 2020 ongeldig is verklaard. Datzelfde bewijsmiddel houdt in dat “[o]p 17 maart 2022, […] de ontzegging van de rijbevoegdheid [is] ondertekend” en dat “[d]e ontzegging van de rijbevoegdheid is ingegaan op 7 april 2022 en duurt tot 29 september 2023”. Met de steller van het middel ben ik van mening dat hieruit niet kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte bekend is gemaakt. Het is mij niet duidelijk welk stuk door wie is ondertekend op 17 maart 2022. Als al moet worden aangenomen dat het de verdachte is geweest die op die dag een stuk heeft getekend, lijkt dat iets te hebben betroffen dat ziet op een ontzegging van de rijbevoegdheid.2.
3.8
Ook wat betreft de wetenschap van de verdachte heeft de steller van het middel mijn inziens een punt. Uit de enkele ontkenning (“nee”) van de verdachte op 14 januari 2023 op de vraag of hij beschikt over een geldig rijbewijs kan niet worden afgeleid dat hij op de bewezenverklaarde datum (29 november 2022) wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De omstandigheid dat hij op 29 november 2022 een rijbewijs van een ander toonde (zie het eerste middel) doet de wenkbrauwen fronsen, maar is daartoe evenmin voldoende.
3.9
Het middel is terecht voorgesteld.
4. Het derde middel
4.1
Met het derde middel wordt opgekomen tegen de beslissing van het hof tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
4.2
Het bestreden arrest houdt onder meer in:
“Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de gevangenisstraf voor de duur van 205 dagen, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 september 2020 onder parketnummer 03-103614-19.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, namelijk voor de duur van 60 dagen, dient te worden gelast. De vordering wordt voor het overige afgewezen.
Het feit dat (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf in de weg zou staan aan een noodzakelijk geachte (klinische) behandeling van de verdachte leidt niet tot een ander oordeel. In de ernst van de feiten en het veelvuldig recidiveren van de verdachte in de proeftijd, ziet het hof, anders dan de advocaat-generaal en de raadsman, aanleiding tot gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf.”
4.3
In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof de beslissing tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging mede heeft gegrond op het veelvuldig recidiveren van de verdachte in de proeftijd, terwijl uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 20 september 2023 niet van veelvuldige recidive blijkt.
4.4
Deze klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft de tenuitvoerlegging gegrond op de omstandigheid dat de verdachte zich met de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feiten voor het einde van in de zaak met parketnummer 03-103614-19 gestelde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De veelvuldige recidive van de verdachte maakte, in combinatie met de ernst van de feiten, ‘slechts’ dat het hof geen aanleiding zag af te zien van tenuitvoerlegging.
4.5
Voor zover de klacht in de toelichting onder 3.6 en 3.7 dat de gestelde onjuiste lezing van de justitiële documentatie door het hof heeft meegespeeld in de strafoplegging als een middel van cassatie moet worden opgevat3., geldt dat ook dat niet tot cassatie kan leiden. Uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt wel degelijk van recidive, waarvan ik niet vermag in te zien waarom het hof daarmee bij de strafoplegging geen rekening zou mogen houden. Dat die feiten zijn gepleegd vóór de datum waarop de proeftijd in de zaak met parketnummer 03-103614-19 is gaan lopen, is daarbij – uiteraard – niet van belang.
4.6
Het middel faalt.
5. Slotsom
5.1
Het tweede middel slaagt. Het eerste en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat sprake zal zijn van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof waarnaar de zaak zal moeten worden teruggewezen kan daarmee rekening houden. Gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-047242-23 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden zodat de zaak in zoverre opnieuw kan worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑12‑2025
Steun daarvoor vind ik in het zich bij de stukken bevindende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 september 2023. Uit pagina 1 en 2 van dat uittreksel leid ik af dat de verdachte in ieder geval op 23 september 2020 wegens een poging tot zware mishandeling de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is ontzegd voor de duur van zes maanden en dat de executie daarvan is aangevangen op 7 april 2022. Er komen meerdere rijontzeggingen voor in het uittreksel. Overigens is het ook degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, verboden op de weg een motorrijtuig te besturen, vgl. art. 9 lid 1 WVW 1994.
Het middel zelf bevat geen klacht over de strafoplegging.