Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174.
Rb. Amsterdam, 28-02-2023, nr. 22/2996 en 22/2997
ECLI:NL:RBAMS:2023:1759
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
28-02-2023
- Zaaknummer
22/2996 en 22/2997
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2023:1759, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 28‑02‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 28‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Beroep gegrond. Beroep wel ontvankelijk maar gegrond.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 22/2996 en 22/2997
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2023 in de zaken tussen
[eiseres] , uit Almere, eiseres
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam
( [gem. verweerder] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar bezwaren tegen de naheffingsaanslagen parkeerbelasting met de nummers [kenmerk 1] en [kenmerk 2] .
1.1.
Met de uitspraken op bezwaar van 12 juni 2022 (bestreden uitspraken) is de heffingsambtenaar bij dat besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de neef van eiseres de heer M. Wielingen en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Totstandkoming van het besluit
2. Op 4 maart 2022 om 19:34 uur stond de auto met [kenteken] (de auto) geparkeerd ter hoogte van [adres 1] terwijl daar geen of te weinig parkeerbelasting voor was betaald. Op 6 maart 2022 om 3:19 uur stond de auto geparkeerd ter hoogte van [adres 2] terwijl daar geen of te weinig parkeerbelasting voor was voldaan.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid van de bezwaren
3. De rechtbank beoordeelt allereerst of verweerder de bezwaren van eiseres tegen de naheffingsaanslagen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat eiseres een notificatie heeft ontvangen van het plaatsen van de naheffingsaanslagen in haar MijnOverheid Berichtenbox. Verweerder heeft desgevraagd verklaard niet te weten of eiseres heeft aangevinkt dat zij notificaties wenst te ontvangen en ook niet te weten of in deze gevallen tijdig een notificatie is verstuurd. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij voorafgaand aan plaatsing van andere berichten in de Berichtenbox wel notificaties heeft ontvangen. Mocht het zo zijn dat eiseres zou hebben aangevinkt bij het activeren van haar MijnOverheid account dat zij geen e-mail notificatie wil ontvangen, dan had het op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om contact op te nemen met eiseres om te informeren of zij op de hoogte is van haar keuze en de gevolgen daarvan.1.Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
6. De naheffingsaanslagen zijn op verzoek van eiseres naar haar gemaild nadat zij per post een betalingsherinnering heeft ontvangen. De besluiten zijn, gelet op hetgeen onder 5 overwogen, naar het oordeel van de rechtbank niet op de juiste wijze bekendgemaakt. Eiseres was pas bekend met de naheffingsaanslagen op 12 mei 2022 en haar bezwaren zijn daarom tijdig ingediend.
7. Dit betekent dat de bestreden uitspraken niet in stand kunnen blijven. De bezwaren zijn ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom gegrond en de bestreden uitspraken zullen worden vernietigd. Op de zitting heeft de rechtbank met partijen ook inhoudelijk over de zaak gesproken. De rechtbank zal hierna beoordelen of de heffingsambtenaar de bezwaren gegrond of ongegrond had moeten verklaren. Daarvoor moet de vraag worden beantwoord of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.
De naheffingsaanslagen
8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geparkeerd stond op een fiscale parkeerplaats zonder parkeerbelasting te hebben betaald.
9. Het standpunt van eiseres dat zij op 2 maart 2022 een verlenging heeft aangevraagd van haar parkeervergunning en deze op 3 maart 2022 heeft aangevuld met het juiste bewijs, maakt niet dat zij over een geldige parkeervergunning beschikte op het moment van parkeren op 4 maart 2022 en op 6 maart 2022. Eiseres heeft een parkeervergunning toegewezen gekregen per 10 maart 2022. Haar vorige vergunning was geldig tot 23 februari 2022. Op het moment van parkeren, namelijk op 4 maart 2022 en op6 maart 2022, was eiseres dus niet in het bezit van een geldige parkeervergunning. De naheffingsaanslagen zijn daarom terecht opgelegd.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft ten onrechte de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaken te voorzien en de bezwaren alsnog ongegrond te verklaren. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen terecht heeft opgelegd.
10. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
- -
verklaart het beroep gegrond;
- -
vernietigt de bestreden uitspraken op bezwaar;
- -
verklaart de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen ongegrond;
- -
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraken op bezwaar;
- -
draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Bosma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2023.
griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑02‑2023